100% voorrang voor Nederlandstaligen in Vlaams onderwijs Brussel?

Kinderen van Nederlandstalige ouders die geen plaats krijgen in de door hen gekozen school moeten uitwijken naar scholen aan de ander kant van Brussel of naar de Vlaamse Rand. Is een 100%-voorrangsregel een mogelijke oplossing?

Het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel is een sterk merk. Ieder jaar zie je dan ook dat de plaatsen zeer gegeerd zijn. Dit zorgt met een zekere regelmaat voor problemen. Kinderen van Nederlandstalige ouders die geen plaats krijgen in de door hen gekozen school moeten uitwijken naar scholen aan de ander kant van Brussel of naar de Vlaamse Rand. Bij de laatste inschrijvingsronde blijkt dat 4000 van de 6900 aangemelde kinderen nog bang moeten afwachten of ze aan de bak komen.

Om hier aan tegemoet te komen werd de voorrangsregel voor Nederlandstaligen in het leven geroepen. Die ligt momenteel op 55% en wordt opgetrokken naar 65%. Vlaams Belang vindt dit te weinig. ‘Waarom niet gewoon gaan voor 100%, zodat de toegang voor kinderen van Nederlandstalige ouders gegarandeerd is’, klinkt het bij Dominiek Lootens-Stael (Brussels parlement en VGC-raadslid, VB).

Kamperen aan de schoolpoorten

Lootens schetst het ontstaan van de inschrijvingsproblematiek. ‘In 2002 bij de invoering van het GOK-decreet (Gelijke Onderwijs Kansen) is het begonnen. Ik had toen al voor gewaarschuwd voor de impact op de Brusselse scholen. Ik voorzag dat wanneer men allerlei voorrang zou geven aan anderstaligen en kinderen met een migratieachtergrond, men niet alleen mocht rekenen op gedrum aan de poorten van bepaalde scholen, maar ook dat er wel eens Nederlandstaligen uit de boot zouden vallen. Dat werd destijds weggewuifd. Ik was een doemdenker. En ook natuurlijk een racist. Nochtans, bij de volgende inschrijvingsronde in september kreeg ik gelijk en was het prijs: ouders die voor de scholen kampeerden om toch maar zeker te zijn van een plaats voor hun kinderen.’

Guy Vanhengel (Open-VLD) heeft toen als lid van de VGC (Vlaamse Gemeenschapscommissie) opdracht gegeven aan prof. Verstegen van de KU Leuven om een systeem uit te dokteren om dat probleem aan te pakken. Toen is de voorrangsregel voor Nederlandstaligen uit de bus gekomen. In het begin ging het over 35%, men heeft dat dan geleidelijk opgetrokken en nu zouden we naar 65% gaan. Maar dit lost het probleem niet op. We blijven met Nederlandstalige kinderen zitten die niet ingeschreven geraken in de school van hun keuze.’

‘Dat levert schrijnende situaties op’, vervolgt Lootens. ‘Soms is dit ook de reden van vertrek uit Brussel. Ouders stellen een lijst op met vijf scholen die hun voorkeur genieten. Wanneer ze daar achter het net vissen, wordt nog wel een plaats gevonden in een school die óf voor hen moeilijk bereikbaar is, óf die niet kan voorzien in het door hen gezochte aanbod. Vaak is dit het duwtje dat hen de stad uitdrijft. Daarom pleiten wij voor een 100%-voorrangsregel en dat doen we al jaren.’

Raad van State: juridische bezwaren

100% voorrang, dat ligt moeilijk volgens de andere partijen. ‘Telkens er aan de voorrangsregel wordt gesleuteld, mag je er prat op gaan dat de CoCoF (de Franse Gemeenschapscommissie te Brussel) een belangenconflict inroept en naar het Grondwettelijk Hof trekt’, stelt Gilles Verstraeten (Brussels parlement, N-VA). ‘Tot nu toe hebben we dit altijd gewonnen, maar de Raad van State (RvS, geeft advies bij wetten en decreten) heeft bij het laatste decreet laten doorschemeren dat de limiet van de voorrangspercentages zo stilaan bereikt is.’

Sven Gatz (Brussels minister van Nederlandstalig Onderwijs, Open Vld) treedt hem daarin bij. ‘Juridisch is zo’n 100%-regel moeilijk haalbaar. Hoe moet je dat dan definiëren? De RvS heeft al laten verstaan dat zelfs het bezit van een Nederlandstalige identiteitskaart geen argument is om exclusief aan één gemeenschap gebonden te zijn. We hebben in België één nationaliteit, er bestaan geen subnationaliteiten.’

Lootens veegt het juridische argument van tafel. ‘In mijn optiek is de wetgever in dit land soeverein. Die moet dan maar een wettelijk kader creëren waarin er geen juridische bezwaren meer zijn. Dat is perfect mogelijk, men moet enkel de politieke wil hebben en dan kan dat doorgedreven worden. Wanneer we voldoende onze beweegredenen motiveren en het juiste wettelijk kader scheppen kán de RvS geen bezwaar meer hebben.’

100% is óók niet alles

Gatz relativeert het belang van de voorrangsregel met cijfers. ‘Ik heb de cijfers ontvangen met betrekking tot de inschrijvingsronde die nu net achter de rug is. Je hebt de kinderen die als thuistaal het Nederlands opgeven. Dan heb je diegenen waarvan de ouders een taaltest hebben gedaan bij het Huis van het Nederlands. Wanneer je die samentelt kom je op 28,5% van de aanmeldingen uit die een beroep kunnen doen op de voorrangsregel. Dat is wel maar de helft van het aandeel van 55% dat momenteel wettelijk is voorbehouden. Statistisch is er dus geen probleem.

Maar ik wik mijn woorden. Ik besef dat in individuele gevallen, bij scholen waar de vraag het aanbod ver overstijgt, er wél problemen zijn. Er zijn kinderen die geen plaats hebben gevonden in de door hen opgegeven scholen. Voor de meesten zal er echter wel een oplossing uit de bus komen, je zit namelijk met veel dubbelaanmeldingen en schoolveranderaars. De praktijk heeft ons geleerd dat voor drie vierde van diegenen die nu nog geen plek hebben, er wel een plaats gevonden wordt. Voor één vierde is dat niet het geval. Vorig jaar ging dat om een 152 tal kinderen die of naar het Franstalig onderwijs moesten uitwijken of waarvan bijvoorbeeld de ouders beslist hebben om hun kleuter niet naar een onthaalklas te sturen en nog een jaartje te wachten. Voor het overgrote deel van de inschrijvingen en zeker voor de Nederlandstalige kinderen komt het in orde.’

Plaats, plaats en nog eens plaats

Gatz ziet het probleem dan ook niet zozeer in het percentage dat voorrang kan krijgen. De kern van het probleem zit in de capaciteit. ‘Daar zet ik het werk verder van mijn voorganger. We slagen er tot nu toe in om jaarlijks 1000 plaatsen bij te maken, samen met de Vlaamse gemeenschap. Dat tempo houden we nu al jaren vol, maar het is geen evidentie. Je moet de ruimte vinden, de werven laten vooruitgaan… Ik denk dat we daar vooral op moeten inzetten om de keuzevrijheid zo groot mogelijk te houden. Dar ligt de echte sleutel.’

Ook Arnaud Verstraete (Brussels parlement, Groen) pleit vooral voor meer capaciteit. ‘Wij begrijpen waarom de voorrangsregel er is, namelijk niet alleen om plaats te garanderen voor Nederlandstaligen, maar ook om een gezonde maatschappelijk mix te bekomen in de scholen. We verzetten ons daar dan ook niet tegen. Maar hét probleem zit hem in het gebrek aan capaciteit. We zien dat heel veel kinderen aangetrokken worden door het Nederlandstalig Onderwijs zonder er binnen te geraken. We hameren dan ook al jaren op massale investeringen die bijkomende plaatsen moeten creëren. Uiteindelijk zal dan de discussie over het juiste percentage naar de achtergrond verdwijnen omdat iedereen een plek vindt.

De inspanningen die de Vlaamse Regering tot nu toe geleverd heeft blijven ontoereikend. Er is jaren geleden decretaal vastgelegd dat het streefdoel is om 30% van de Brusselse kinderen te bereiken. Op dertien jaar tijd is ons aandeel slechts met anderhalf procentpunt gegroeid, van 17% naar 18,5%… Ik voel dit ook aan als een democratisch deficit. De Vlaamse minister van Onderwijs wordt niet in Brussel afgerekend op zijn beleid. Daardoor staan we misschien eerst in de rij voor besparingen en laatst voor investeringen’

Vlaanderen geen stiefmoeder

Gilles Verstraeten nuanceert de statistische conclusie van Sven Gatz en weerlegt het aanvoelen van zijn bijna-naamgenoot van Groen. ‘Wat betreft de voorrangsregel voor Nederlandstaligen zijn er nog voorrangsregels die meespelen en op elkaar inwerken. Zo heb je voorrang voor kinderen van leerkrachten. Broers en zussen krijgen ook prioritair toegang. Daardoor blijkt die 55% voor Nederlandstaligen te laag te liggen, zeker op druk bevraagde scholen.

Wat betreft het uitbreiden van de capaciteit: Dat is een evidentie en ook een beetje een dooddoener. Vanuit Vlaanderen wordt er veel geïnvesteerd in Brussel. We hebben sowieso de Brusselnorm, die bepaalt dat 5% van het Vlaams budget naar Brussel gaat. Ben Weyts (Vlaams minister voor Onderwijs, N-VA) zet zwaar in op het Nederlandstalig Onderwijs. Dat gebeurde ook onder zijn voorgangers. Het doel waar de heer Verstraete aan refereert is overigens een streefdoel en geen verbintenis. De demografische evolutie heeft bij het behalen daarvan niet in ons voordeel gewerkt. Ik denk niet dat je kan spreken van een stiefmoederlijke behandeling.’

Sven Gatz treedt hem daarin bij. ‘Je kan zien dat er al lang een maatschappelijke consensus bestaat in politiek Vlaanderen over dit onderwerp. De laatste dertig jaar is er over de partijgrenzen heen en ondanks alle coalitiewissels altijd de nadruk gelegd op de band tussen Vlaanderen en het Nederlandstalig Onderwijs in Brussel. Over die relatie en over de financiering ervan zie ik weinig verschil tussen de verschillende partijen.’

Kwakkelende kwaliteit

Gilles Verstraeten ziet nog een belangrijke oorzaak van de overbelasting van het Nederlandstalige net. ‘De kwakkelende kwaliteit van het Franstalig Onderwijs, zeker wat taalonderwijs betreft, drijft almaar meer kinderen naar onze scholen. De Brusselaars willen de beste kansen voor hun kinderen en zien het belang van meertaligheid in. Zolang daar niets verandert, zal de aantrekkingskracht van het Nederlandstalig Onderwijs voor anderstaligen enkel toenemen. Ik zie dit echter ook als een opportuniteit om de Vlaamse aanwezigheid in Brussel te verankeren. We moeten van deze kans gebruik maken en onze troeven uitspelen. Blijven investeren, hoe moeilijk dit soms ook is, is dus een noodzaak. Maar scholen bijbouwen alleen is geen oplossing. Je moet ook leerkrachten vinden om ze te bemannen. Dat probleem wordt steeds groter. Je moet die mensen een perspectief kunnen aanbieden om naar Brussel te komen. Dat brengt ons veel verder dan enkel investeren in scholen.’

Arnaud Verstraete erkent vooral het gebrek aan kwaliteit van de Nederlandse taallessen in het Franstalig onderwijs. ‘Voor Groen is het prioritair dat alle leerlingen de schoolbanken meertalig verlaten. Hiervoor is meer samenwerking nodig over de gemeenschapsgrenzen heen. Zo zouden we bijvoorbeeld leerkrachten kunnen uitwisselen voor taalvakken. Die samenwerking vereist echter nog veel werk.”

Brusselse eigenheid

Sven Gatz stelt dat de grote vraag voor de toekomst is hoe Brussels het onderwijs zal worden. ‘Wij hebben aan Nederlandstalige kant al een sterk Brussels onderwijsnet. Ik denk dat wij het best inspelen op wat ouders verwachten. Die zijn op zoek naar meertaligheid, en wat dat betreft hebben wij een sterk merk. We hebben een goede en correcte verhouding met de Vlaamse overheid, en dat mag zo blijven. De vraag is nu veeleer hoe wij in Brussel samenwerkingsverbanden kunnen opzetten tussen Vlaamse en Franstalige scholen. We gaan een ontwikkeling krijgen waarbij we mekaar gaan moeten versterken. Hoe we dat gaan organiseren, daar ligt de uitdaging.’

Winny Matheeussen :Winny Matheeussen (1973) noemt zichzelf misantroop, hondenvriend en bergzitter.