Binnenland, Communautair
Vuye en Wouters

Vuye en Wouters: ‘Wij zullen mythes moeten blijven doorprikken’

Op 21 september is het exact één jaar geleden dat de onafhankelijke V-Kamerleden Hendrik Vuye en Veerle Wouters N-VA verlieten. De aanleiding was hun interview in De Morgen waarin ze forse kritiek gaven op de communautaire koers van de partij, nadat voorzitter Bart De Wever zei dat een nieuwe staatshervorming in 2019 niet cruciaal zou zijn voor een regeringsdeelname.

Een jaar later laat De Wever weten dat N-VA ook geen communautaire campagne zal voeren omdat er geen staatshervorming mogelijk is zonder tweederdemeerderheid. Hendrik Vuye: ‘N-VA blijft dat herhalen, maar wij hebben in ons Grendelboek (Uitgeverij Doorbraak Boeken, 2017) het tegendeel bewezen en aangetoond dat het in het verleden ook zonder tweederdemeerderheid gebeurd is.’ De Wever dacht dat na hun vertrek niemand meer over Vuye en Wouters zou spreken, maar dat draaide anders uit. ‘Wij wegen op het debat’, zegt Vuye, ‘Zeker wat het dossier rond de geluidsnormen in Zaventem betreft en kwesties zoals de Riziv-nummers, de monarchie, taalwetten, het communautaire …’

Als tandem vullen Vuye en Wouters elkaar goed aan. Elk hebben ze een andere achtergrond. Vuye, professor Staatsrecht aan de UNamur, was in 2010 tijdens de federale regeringsonderhandelingen voor N-VA expert institutionele zaken en taalwetgeving. In 2014 kwam hij op voor N-VA en na de verkiezingen werd hij fractieleider. Wouters is handelsingenieur en was deze legislatuur ondervoorzitter in de Kamerfractie voor N-VA en engageerde zich al sinds het prille begin voor haar partij. In Riemst leidde ze met Jan Peumans de lokale N-VA-afdeling. Ze zetelde voor N-VA in de gemeente- en provincieraad en geraakte in 2010 voor het eerst verkozen in de Kamer.

Doorbraak: hoe moeilijk was het gezien jullie achtergrond om N-VA te verlaten?

VW: ‘In vergelijking met Hendrik was het voor mij veel zwaarder. Het heeft mijn leven serieus veranderd. Dagelijks was ik voortdurend met de partij bezig en ik heb er ook mijn vrienden- en kennissenkring mee opgebouwd. Veel mensen wisten in het begin niet hoe ze tegen mij moesten reageren en vice versa. Sommigen begrepen mijn beweegredenen, maar zelf wilden zij niet uit de partij stappen. “Waar moeten wij dan naar toe?”, vroegen zij zich af. Ze zagen zich niet bij een andere partij aansluiten. Het alternatief was dat ze hun politiek engagement moesten stopzetten.’

HV: ‘Voor mij verliep het helemaal anders. In het academisch milieu kreeg ik enkel positieve reacties. “Wanneer anderen bepalen wat je moet zeggen en hoe je moet denken, kan je niet anders dan eruit stappen”, zeiden collega’s me. Daarnaast kregen we inhoudelijk vaak de vraag of we een alternatief zouden bieden.’

Wat opviel: bij de boekvoorstelling van jullie Grendelboek in maart waren veel N-VA-leden aanwezig en zelfs partijtoppers zoals Ben Weyts en Objectief V-voorzitters Sander Loones en Matthias Diependaele. Wat moeten we daaruit afleiden?

VW: ‘We wisten niet dat Loones en Diependaele zouden komen, want ze waren niet ingeschreven. We hadden ze absoluut niet verwacht. Van Weyts wisten we het wel. We zeiden hem op voorhand dat hij niet per se hoefde te komen indien hij daardoor problemen met de partij zou krijgen. Ik ben overigens niet zeker of Weyts en het duo Loones en Diependaele van elkaar wisten dat ze elk zouden komen. Misschien voelden die twee zich verplicht om aanwezig te zijn. Ik denk dat ze ook nieuwsgierig waren naar wie er allemaal aanwezig zou zijn. Ze waren vast verwonderd hoeveel volk aanwezig was, waaronder een ruim deel van hun achterban.’

HV: ‘Aan de ellenlange onderhandelingen in 2010 heb ik met Ben Weyts een goede vriend overgehouden. We hebben soms nog contact. We hebben altijd goed met elkaar kunnen opschieten en hebben ook hetzelfde gevoel voor humor.’

Waren er N-VA’ers die overwogen om mee met jullie op te stappen?

VW: ‘Een aantal zijn ontevreden, maar nemen het zekere voor het onzekere. Voor veel mensen is een stap in het ongewisse een brug te ver.’

HV: ‘Het is nooit onze bedoeling geweest om N-VA’ers te laten overlopen. Wij wilden ons eigen project beginnen en de basisregel daarvoor was dat niemand mocht overstappen. Het parlement is maar met zeven Kamerleden in de meerderheid. Als er enkelen opstapten, zou de regering vallen. Bij nieuwe verkiezingen zouden wij niet de tijd gehad hebben om ons eigen project te kunnen opstarten. Met veel N-VA-Kamerleden hebben wij trouwens een normale relatie.’

VW: ‘Sommigen kunnen ons niet uitstaan, maar dat was toen we bij N-VA zaten ook al. Politiek is een bijzonder milieu. Zoals ze zeggen zitten je vrienden meestal niet in je eigen partij. Uiteindelijk is iedereen elkaars concurrent. Vaak heb je betere contacten met andere politici.’

Hoe vlot het om met twee op het parlementaire debat te wegen? Zijn jullie te vergelijken met Raoul Hedebouw en Marco Van Hees van PTB?

HV: ‘PTB krijgt een partijfinanciering, dat is toch wel een groot verschil.’

VW: ‘Er zit een heel apparaat rond die partij. Hedebouw en Van Hees hebben een grote achterban en een aantal medewerkers. Eigenlijk is de PVDA/PTB ook maar een traditionele partij, alleen werken de Waalse en Vlaamse vleugel veel nauwer met elkaar samen.’

HV: ‘Wij schrijven onze parlementaire vragen en wetsvoorstellen zelf. Dat is helemaal anders dan bij de andere parlementsleden. Wanneer een parlementslid spreekt over zijn wetsvoorstel is dat meestal heel relatief, want het zijn doorgaans de medewerkers die het hebben voorbereid.’

Kunnen jullie dan wel op het debat wegen?

HV: ‘Tijdens het parlementair vragenuur, Veerle stelt meestal de vragen, wegen we op het debat. Wat onze wetsvoorstellen betreft mogen we bijzonder fier zijn.’

Hoe worden die gestemd?

VW: ‘Men probeert ze vaak te blokkeren vooraleer ze gestemd worden. N-VA kan natuurlijk moeilijk tegenstemmen aangezien ze vroeger onze voorstellen genegen waren. De buitenwereld heeft trouwens een verkeerd beeld over wetsvoorstellen. Meestal komt een parlementslid in de kijker met een wetsvoorstel. Maar een wetsvoorstel heeft weinig kans op slagen, vaak lukt het als een minister het overneemt en dat in een ontwerp giet. Als oppositielid kan je alleen maar hopen dat je idee mee opgenomen wordt in zo’n ontwerp. Maximaal één namiddag per maand worden wetsvoorstellen besproken. Dat zijn negen vergaderingen per jaar waar iedere fractie per commissie één prioritair wetsvoorstel mag indienen. Vooral kleine, technische aanpassingen worden dikwijls goedgekeurd in de commissie Justitie. De meeste wetsvoorstellen moeten vaak wachten op adviezen en kunnen zo soms twee, drie jaar meegaan, vooraleer ze gestemd worden. Zolang ze lopende zijn, kan je geen nieuwe meer indienen. Tenzij je het aan een gelijkaardig voorstel kan koppelen.’

HV: ‘Onze voorstellen hebben een ontmaskeringsfunctie. Als de meerderheid zegt dat het probleem met de geluidsnormen in Zaventem niet kan worden opgelost, dan leggen wij een wetsvoorstel neer dat het tegendeel bewijst. In een dringende behandeling stemt de meerderheid dan verplicht een gunstig voorstel voor Vlaanderen weg. En als minister Jambon (N-VA) blijft beweren dat hij niets kan doen aan de naleving van de taalwetten in Brussel, dan dienen wij een voorstel in waarin we aantonen dat dat wél kan. Vervolgens oefent men daar vertragingsmanoeuvres op uit. Men hoopte op een negatief advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Maar dat was positief en wij gaan verder.’

Zoals gezegd hebben jullie voorstellen vooral een ontmaskeringsfunctie. Sommigen vinden dat jullie te weinig een eigen gezicht hebben.

VW: ‘Wij hebben ons vooral gefocust op het communautaire en het identitaire. Bij verkiezingen hebben we natuurlijk ruimere standpunten nodig. Daarom zijn we een eigen programma aan het schrijven. En in vergelijking met een jaar geleden denk ik dat veel mensen ons nu wel kennen.’

Is het als parlementslid in een traditionele partij mogelijk om je te laten gelden?

VW: ‘Als ik je vraag om alle Vlaamse parlementsleden in de Kamer te noemen, ga je er maar enkele kunnen opsommen. Elke partij heeft slechts een paar gezichten. En in een regeringspartij krijgen de parlementsleden minder aandacht. Toen we nog bij N-VA zetelden waren er 33 parlementsleden, terwijl we iedere donderdag maar twee mondelinge vragen mochten stellen … Je had al veel geluk als je één keer per jaar aan bod mocht komen.’

HV: ‘Parlementsleden in de meerderheid worden verpletterd door hun ministers. De meeste ministers hebben een zeer groot verpletterend vermogen. Veerle stelde indertijd voor om het Zilverfonds af te schaffen. Op een bepaald moment pikte de minister dat op en stond er in de media: “Van Overtveldt (N-VA) schaft het Zilverfonds af”.’

Geeft het in die zin meer voldoening om in de oppositie te zitten?

HV: ‘Zeker en vast. Ik heb nu vooral de indruk dat ik nuttig bezig ben. Ook buiten het parlement wegen we op het debat met onze boeken, en columns voor Doorbraak en Knack.be. We hebben een eigen profiel opgebouwd.’

Andere parlementsleden kunnen toch ook columns publiceren?

VW: ‘Als ze mogen en als ze kunnen. In een grote fractie bepaalt de partij wiens gezicht wel en niet op tv komt. De meerderheid moet knikken en akkoord gaan met de minister, zelfs wetende dat er enkele zaken in zijn voorstel eigenlijk niet juist zijn.’

Jullie zijn bij N-VA fractievoorzitter en -ondervoorzitter geweest. Hoe was het dan om jong politiek talent te kunnen laten gelden?

VW: ‘In een grote groep zijn de schreeuwers meestal diegenen die het minste kunnen. Zij zullen er alles aan doen om politiek talent niet te laten doorgroeien. Van ons mocht iedereen columns schrijven. Wij zagen bij N-VA enkele Kamerleden waarvan we dachten dat ze zouden ontbolsteren, maar dat was niet de bedoeling van de partijtop.’

HV: ‘Dat vind ik heel onrechtvaardig. Zoiets staat haaks op meritocratie, mijn levenscultuur in de academische wereld.’

Mevrouw Wouters, u gaf aan de XIOS Hogeschool Limburg les als lector Informatica. Ziet u gelijkenissen met de vergelijking tussen de universiteit en de politiek?

VW: ‘De hogeschool is een ander gegeven, maar daar krijg je ook niets cadeau. Je moet de studenten en de slaagcijfers meehebben en je wordt regelmatig geëvalueerd.’

HV: ‘In de academische wereld heb je min of meer objectieve criteria. De onderwijsevaluatie en het aantal wetenschappelijke publicaties bepalen het soortelijk gewicht binnen de faculteit en universiteit. In de politiek heb je geen graadmeter, maar eigenlijk is die er wel: het aantal voorkeurstemmen naargelang de plaats op de kieslijst, namelijk de penetratiegraad. Maar het is niet zo dat wanneer je een hoge penetratiegraad behaalt op een slechte plaats, men er rekening mee houdt. Er zijn tafelspringers die een pak minder scoorden en die krijgen een voorkeursbehandeling. Dat heeft mij altijd voor een groot stuk verwonderd.’

Iets anders. Wat eigen standpunten betreft zeggen jullie: ‘Er is geen probleem binnen maar met de islam’. Wat bedoelen jullie daar precies mee?

VW: ‘Onze maatschappij is langzaam geseculariseerd. Religie is een privéaangelegenheid geworden. In het onderwijs zijn er nog zuilen, maar daarbinnen is een mentale ontzuiling geweest. Ineens komt er een andere religie in de plaats, de islam, die hier geen roots heeft en het debat beheerst. Plots spreken we over boerka’s, hoofddoeken en halalvlees. Tegelijk zien we een aantal dingen gebeuren in naam van de islam: seksslavinnen worden verkocht, homo’s worden van daken gegooid, mensen hun keel worden overgesneden … Er is dus een probleem met de islam. We moeten dat durven te benoemen.’

HV: ‘Stel dat ik in de aula een T-shirt draag waar “Stem Vuye&Wouters” op staat, dan word ik op het rectoraat ontboden. Geef ik les met een religieus teken, dan vindt iedereen dat normaal. Ik vind dat verschil in ongelijke behandeling niet normaal. Volgens Rachida Lamrabet straalt de hoofddoek geen enkele boodschap uit, maar dat straalt wel degelijk een manier van leven uit.’

Er ontstaat bij moslims een klaagmaatschappij. In het laatste rapport van Unia staat bij het domein werk dat het aantal zaken gerelateerd aan de islam in één jaar tijd met 91% gestegen is.’

Wat zijn de consequenties van het probleem met de islam?

HV: ‘Op een bepaald moment zal je maatregelen moeten nemen die een deel van de bevolking voor het hoofd zullen stoten. Een zeer actieve minderheid bepaalt snel de agenda van de meerderheid. Filosoof Patrick Loobuyck spreekt al van “redelijke accommodaties”. Wat is redelijk? Halal op de universiteit? En wat wordt de volgende stap? Niet ondervraagd worden door een vrouwelijke prof? Belangrijke verworvenheden zoals de gelijkheid tussen man en vrouw zijn zeer precair en mogen we niet afgeven.’

Hoe maak je moslims onze waarden duidelijk?

VW: ‘Met veel moslims stelt zich geen enkel probleem. Pas als je vindt dat je jouw religie overal moeten kunnen uiten, wordt het problematisch. Iedere Vlaming heeft het recht om zijn religie te belijden, maar iedere Vlaming heeft ook het recht om andermans religie te negeren of af te wijzen. Daarom moet de overheid neutraal optreden zodat alle groepen kunnen samenleven.’

De Morgen-journalist Joël De Ceulaer vindt de hoofddoek bij de overheid net wel een teken van neutraliteit, omdat ze zo de islam niet uitsluit.

HV: ‘Ik vond zijn tweet daarover een van de domste die ik de laatste tijd gelezen heb. Er zijn twee systemen: een inclusief en een exclusief. Het eerste hanteert het Verenigd Koninkrijk, waar bijvoorbeeld sommige politieagenten een tulband dragen. Wij hebben een andere traditie en een exclusief systeem. De Ceulaer wil dat we het systeem van het VK overnemen. Dat zal hier passen als een tang op een varken en voor een enorme polarisatie zorgen. Een groot deel van de bevolking zal dat zien als een knieval voor de islam.’

VW: ‘Het is toch vreemd dat andere gelovigen ofwel niet voor de overheid willen werken ofwel zich aanpassen. Slechts één groep doet steeds moeilijk.’

Ten slotte: waar ligt jullie toekomst?

HV: ‘Wij zullen fabeltjes moeten blijven doorprikken. Op Doorbraak las ik de analyse van Daniël Walraeve over de niet-communautaire campagne van N-VA: “Een serieuze staatshervorming is onmogelijk zolang de Franstaligen niets nodig hebben van de Vlamingen.” Op welke planeet leeft die man? De Franstaligen hebben elk jaar miljarden aan transfers nodig. Binnen België blijven die transfers bestaan. Dan zeggen dat we moeten wachten tot Franstaligen iets nodig hebben … Ze zijn verdorie elke dag vragende partij.’

VW: ‘Het tweede verhaaltje dat we moeten doorprikken is de langetermijnstrategie voor het communautaire. De geschiedenis wijst uit dat wanneer Vlaams-nationale partijen zaken op de agenda hebben gezet, er een staatshervorming is gekomen. Het is toch niet door over B-H-V te zwijgen dat B-H-V is gesplitst? Het is toch niet door over onderwijs te zwijgen dat dit in 1989 een bevoegdheid van de gemeenschappen is geworden. En de taalwetten, zijn die uit de lucht komen vallen?

HV: ‘Wat is de strategie eigenlijk? Het is begonnen met de PS uit te roken. Daarna zou N-VA “de communisten” uitroken. En nu wil ze wachten op MR en CdH. N-VA denkt trouwens op korte termijn, want ze zal niet eeuwig blijven regeren. De waarheid is eenvoudig, zoals historicus Rolf Falter zei in Knack: N-VA is een stabiliserende factor voor het Belgische systeem, net als CD&V, Open Vld, sp.a en co.’

VW: ‘Dat deze regering een Vlaams beleid voert is opnieuw een fabeltje. Was het de bedoeling om N-VA’ers bij de populairste politici in Wallonië te krijgen? In Wallonië heeft men geen schrik meer van N-VA. De verhoging van de roerende voorheffing tot 30% is een belasting die in Vlaanderen betaald wordt. Idem met de beurstaks, tankkaarten en bedrijfswagens. Dat is geen Vlaams beleid hoor.’

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans