Multicultuur & samenleven, Vlaamse Beweging
Essay
Essay
Bart De Wever

Bart De Wever: ‘Het vergt durf om te zeggen wie wij zijn en wie we samen willen worden. Maar het is nodig’

Leuven Vlaams

Leuven Vlaams en mei ’68. Twee bestanden die op de harde schijf van het collectieve geheugen staan. Ze refereren naar dezelfde periode en deels naar dezelfde feiten, maar toch kregen ze in de herinnering een totaal andere betekenis.

Leuven Vlaams

Het begrip Leuven Vlaams kennen we alleen in Vlaanderen, met name als een mijlpaal in de geschiedenis van de Vlaamse ontvoogding, een logisch sluitstuk in de lange mars van de Vlamingen naar gelijkberechtiging van hun taal en cultuur.

In Franstalig België kent men deze periode uiteraard ook, maar daar kreeg het bestand een andere titel in het collectieve geheugen. Wat voor ons Leuven Vlaams is, heet in het zuiden van dit land ‘Walen buiten’. Wat ons meteen heel veel vertelt over hoe verschillend dit verleden eigentijds werd beleefd en daarna werd verwerkt door de taalgemeenschappen in dit land.

Vooral voor de Franstalige elite was ‘Walen buiten’ een pijnlijk afscheid van het België zoals het door hen werd gesticht en geconcipieerd. Een afscheid van een nationaal idee waarin de grondwettelijke vrijheid van taal volgens het goede woord van Charles Rogier toch vooral de vrijheid was om nooit en nergens Nederlands te moeten spreken: een België met een eentalig Wallonië, een volledig te verfransen hoofdstad, een verder wingewest in Brabant als ‘le très grand Bruxelles de l’avenir’ en tenslotte een tweetalig Vlaanderen.

Leuven Vlaams maakte definitief duidelijk dat dit België er nooit zou komen en deed de droom van ‘La Belgique à papa’ volledig imploderen. Meer nog, het opende de deur voor de Franstaligen om dan nog liever het unitarisme te verlaten. In ruil voor de erfzonde van het definitief afgrendelen van de Vlaamse meerderheid werd België omgevormd tot een federale staat.

Mei ’68

Leuven Vlaams was dus zonder twijfel een scharniermoment in onze geschiedenis en op zich een grote triomf voor de Vlaamse Beweging. Maar Leuven Vlaams stond niet op zich. Het spoorde eerst parallel en ging vervolgens over in een episode die we kennen als mei ’68. De collectieve herinnering daaraan is uiteraard veel groter dan die van de Vlamingen en Franstaligen in dit land. In Leuven werd de Vlaamse Leeuw destijds gaandeweg overstemd door ‘we shall overcome’. En dat werd bepaald niet alleen in Leuven door studenten gezongen.

Al in 1949 schreef de Amerikaanse socioloog Daniel Bell dat : ‘uit de verwarring en vermoeidheid van de oorlog, zich een nieuwe, niet-politieke houding verspreidde.’ Voor de babyboomgeneratie was het hernemen van de samenleving na de oorlog in dezelfde vormen en gedaanten als voor de oorlog een onhoudbaar keurslijf. Daarvoor was enerzijds de legitimiteitscrisis van de gevestigde dragers van het maatschappelijk gezag veel te diep en anderzijds de stijging van de materiële welvaart veel te groot.

Mei ’68 kwam er, achteraf gezien voorspelbaar, op het moment dat deze generatie de jongvolwassenheid bereikte. Overal was er wel een goede aanleiding om te revolteren. De studenten van Berkeley hadden allicht niet veel zin om in Vietnam te moeten gaan vechten. De studenten in Nanterre hadden dan weer heel veel zin om in de peda’s van het andere geslacht op bezoek te mogen komen. En de Vlaamse studenten die steeds talrijker kwamen opdagen aan de universiteiten, botsten in Leuven op de aanwezigheid van de aloude, neerbuigende Franstalige elite in het studenten- en professorenkorps.

De enige gemene deler was de antiautoritaire kretologie. Alle gezag en traditie moest op de schop om plaats te ruimen voor het individu. Waarden die het individu in een groter verband plaatsen werden als reactionair en oubollig terzijde geschoven. Cultuur moest de baan ruimen voor consumptie. De traditionele held die grote offers bracht voor een hoger doel dan zichzelf werd afgeschilderd als een idioot. In de plaats kwam een nieuwe held die zijn eigen hedonistisch verlangen onbelemmerd durfde nastreven. John Wayne viel van zijn voetstuk en ‘Ik, Jan Cremer’ kroop er op.

Mei ’68 kwam niet uit de lucht vallen, maar het was zeker een dijkbreuk. Het nihilisme dat tot dan werd gekoesterd in avantgardistische, artistieke en intellectuele kringen brak nu door naar de Europese mainstream. De jonge elite schoof God en Vaderland resoluut opzij. Aanvankelijk werden die nog vervangen door extreemlinkse, modernistische theorieën maar die waren gelukkig geen lang leven beschoren als leidende ideologie.

Daarna bleef er alleen nog het individu dat liefst los van enig groter verband de eigen levenskeuzes maakte. Het postmodernisme hield ons vervolgens voor dat zulke grotere verbanden eigenlijk nooit echt bestaan hadden, maar hoogstens constructen waren geweest waarmee de elite haar gezag probeerde te bestendigen. De postmodernisten waken er tot vandaag met grote ijver over dat niemand zou proberen om mensen opnieuw enige collectieve lotsbestemming aan te praten, tenzij dan die van de totale gelijkheid en vrijheid van iedere homo sapiens op de planeet.

Mijlpaal

Dus ook mei ’68 is zonder meer een mijlpaal in onze geschiedenis. En ook al lag mei ’68 in dezelfde bedding als Leuven Vlaams, toch is het niet moeilijk te begrijpen dat de oudstrijders van mei ’68 en Leuven Vlaams met bitterheid naar de weerskant van hun oorlogsmedailles kijken. Iemand als Paul Goossens zal allicht niet graag herinnerd worden als een onderdeel van de Vlaamse Beweging. Maar aan de andere kant overheerst bij de Vlaamse oudstrijders vooral de weemoed en nostalgie naar de machtige studentenbeweging zoals die bestond tot Leuven Vlaams en de afkeer voor wat er daarna kwam.

Want hoe dan ook hebben Leuven Vlaams en mei ’68 samen een eindpunt gezet achter de vanzelfsprekende aantrekkingskracht van het katholiek Vlaams cultuurideaal. AVV/VVK was het aloude credo van de ene na de andere studentengeneratie die massaal instroomde in de Vlaamse (studenten)beweging. Generaties die gedreven werden door hun geblokkeerde mobiliteit, dat wil zeggen dat ze door hun Nederlandstaligheid in dit land beknot werden in hun ontplooiingskansen op economisch, cultureel en democratisch vlak.

Die geblokkeerde mobiliteit zou na Leuven Vlaams razendsnel wegvallen als mobilisator voor de Vlaamse Beweging. De Franstalige veer in Vlaanderen was immers definitief gebroken en la Belgique à papa werd ten grave gedragen. In dezelfde jaren 1960 begon Vlaanderen bovendien aan een economische groeispurt en het zou daarna zijn economisch overwicht alleen maar verder uitbouwen. De nieuwe generaties waren na Leuven Vlaams steeds minder vatbaar voor een discours over verknechting en na mei ’68 ook steeds minder voor een verbinding van hun zelfbewustzijn aan het christendom.

Traditionele Vlaamse strijdverenigingen bleven echter vanuit het oude paradigma verder werken en mislukten bij het zoeken naar vernieuwing. De aantrekkingskracht op de nieuwe generaties smolt weg. Tegen het einde van de jaren 1980 leek het einde van de Vlaamse Beweging in zicht. Van een beweging gedreven vanuit het volk veranderde ze in een institutionele beweging gedreven vanuit de politieke klasse, een streven van het jonge Vlaams Parlement – toen nog Vlaamse Raad – om in een eindeloze reeks staatshervormingen de eigen bevoegdheden geleidelijk uit te breiden. Een proces dat alleen specialisten nog kunnen volgen en het merendeel van de Vlamingen niet bepaald weet te passioneren.

Doodstrijd

Men zou dus kunnen beweren dat Leuven Vlaams de barst in België wist te lijmen doordat het een eind maakte aan de geblokkeerde mobiliteit in België en dat mei ’68 een doodsteek gaf aan de Vlaamse Beweging door haar traditionalisme uit de markt te drijven. En toch blijkt dat – vijftig jaar na dato – in de realiteit niet het geval.

Samen met la Belgique à papa is immers niet alleen België als natiestaat aan een doodstrijd begonnen, maar ook België als democratie. Na Leuven Vlaams viel de ene na de andere traditionele partij uiteen in een Vlaamse en een Franstalige partij. Wat overbleef waren politieke families waarin men generatie na generatie verder van elkaar vervreemdde. De tijd dat de evident tweetalige Vlaming in de Wetstraat een heel netwerk had bij de Franstalige evenknie ligt vandaag ver achter ons. Ook al omdat die evident tweetalige Vlaming niet meer zo vanzelfsprekend is, spijtig genoeg.

Meer nog, het hele democratisch netwerk van nationale opinievorming en elitaire consensusvorming is in België vrijwel tot het nulpunt weggesmolten. De Vlaamse en Franstalige democratie gingen zich volledig enten op de eigen res publica. Onmiskenbaar veranderde het federaal bestuur steeds meer in een steeds moeilijkere optelsom van de twee realiteiten. Het is niet zo lang geleden dat een minister van Staat verklaarde dat een Belgische regering zonder meerderheid in beide taalgroepen het einde van het land zou betekenen. Na een wereldrecord regeringsvormen is het nochtans net dat wat we kregen.

Toen was het ten nadele van Vlaanderen, maar sinds 2014 mag de PS op een koekje van eigen deeg kauwen. Bij gebrek aan congruentie tussen de beide democratieën is het fnuiken van de democratie immers de enige weg om de puzzel nog te leggen. En die congruentie lijkt ook niet meteen te zullen toenemen, wel integendeel. Vooral in het noorden kan dit zeer snel tot grote bezorgdheid leiden. Want Vlaanderen moet de juiste keuzes blijven maken om zijn sterke economie te kunnen behouden in een wereld die snel verandert

Met andere woorden, ook al kwam er met Leuven Vlaams een einde aan onze geblokkeerde mobiliteit, tegelijk opende er zich een nog fundamentelere breuklijn: die van de geblokkeerde democratie en de geblokkeerde economie. Het is door te werken op dit nieuwe paradigma dat N-VA razendsnel is kunnen groeien tot waar mijn partij vandaag staat. En met onze uitgewerkte blauwdruk voor het confederalisme is de N-VA ook de enige partij die een realistische en structurele oplossing klaar heeft.

Nieuwe uitdagingen

Maar het volstaat niet om borg te staan voor sociaaleconomische welvaart naar eigen democratisch inzicht. Mei ’68 stelt ons nog voor een andere uitdaging. Met name het hieraan verbinden van een antwoord op de culturele paradigmashift van mei ’68, een antwoord op het identitair nihilisme.

Het probleem van mei ’68 is niet dat het veel heeft losgemaakt, maar dat het daarna niks terug heeft vast gemaakt. Uiteraard wil niemand terug naar de goede oude tijd, want die is toch vooral goed omdat ons geheugen slecht is. Meer vrijheid is een goede zaak. Maar in onze geatomiseerde samenleving staat intussen een batterij intellectuelen klaar om ieder groter verband te deconstrueren tot een kwalijke fictie door en voor de armen van geest; een ‘hondenfluitje’ zo u wil.

Politici worden door opiniemakers continu aangemaand om te verbinden en niet te verdelen, maar iedere identitaire, maatschappelijke lijm wordt wel weggehoond als een giftig product. Nochtans is de nood hoog. Want de historisch ongeziene welvaart spoort niet parallel met een even hoog maatschappelijk geluksgevoel. We leven zelfs in een tijd van existentieel onbehagen. En nergens wordt dat onbehagen meer op scherp gesteld dan in de confrontatie met de niet-Europese migratie van de laatste decennia.

De confrontatie met de andere dwingt je immers te zeggen wie je bent. En zo gemakkelijk als we dat konden tot mei ’68, zo moeilijk is dat sindsdien geworden. Zo verdacht word je gemaakt als je het toch probeert. Want de geest van mei ’68 dicteert dat het aanpraten van een identiteit alleen dienstig kan zijn voor het beknotten van vrijheid, voor het dwingen van mensen in een keurslijf, als legitimatie voor discriminatie, racisme en uiteindelijk geweld. Of zoals een andere minister van Staat het zei: ‘nationalisme leidt tot de gaskamer’.

Ja, begin er dan maar aan. Wie het toch aandurft, blijft vaak steken in universele gemeenplaatsen of oppervlakkigheden. Dat is wat bijvoorbeeld nu in Duitsland gebeurt met het Heimat-ministerie dat de nieuwe regering er wil opstarten. Het ministerie voor Duitse identiteit wordt er vooralsnog vooral op hoongelach onthaald.

Klare taal

Daarom is het beter om klare taal te spreken. Om duidelijk te stellen: ik ben een Vlaming. Wij zijn onderdeel van een gemeenschap van bijna 7 miljoen mensen, die samenwonen op een welbepaald deel van de aarde. We zijn door de geschiedenis aan elkaar gesmeed tot een groep die door taal en een cultureel patroon met elkaar verbonden is. Onderling geven wij gestalte aan een democratische ruimte ofte res publica. En deze res publica schraagt ons burgerschap, het is de kring waarbinnen wij draagvlak hebben om een sterke impliciete solidariteit met elkaar uit de bouwen en van waaruit wij de wereld kunnen tegemoet treden.

Bovendien kan het omarmen van deze objectieve werkelijkheid net heel veel positieve energie losmaken. Maar de hardware van onze identiteit – onze taal, onze cultuur, onze democratie, onze normen en onze solidariteit – functioneert slechts goed mits de software van gedeelde waarden. Identiteit kan niet louter fysica zijn, ze behoeft ook metafysica. Want alleen dat weekt het voluntarisme los, de goesting om onderdeel te willen zijn van een groter geheel, de trots van een individu op de meerwaarde van het samenleven.

Maar zoals we allemaal weten is software veranderlijk. Je hebt versie 3.0 nog niet geïnstalleerd of je moet al kennis nemen van versie 4.0. Identiteit is dynamisch. Vroeger was Vlaming ‘dien God Vlaming schiep’, naar het goede woord van Guido Gezelle en wisten we allemaal wat dat betekende. Maar we zijn niet meer wie we gisteren waren en de volgende generaties zullen niet meer zijn wie wij vandaag zijn.

We varen altijd verder. Maar we varen niet doelloos en zonder kompas. De fundamentele waarden van de Verlichting tonen ons de weg: de rechtsstaat, de volkssoevereiniteit, de gelijkheid, de vrijheid van overtuiging en de vrijheid om die overtuiging te uiten,…. Het zijn deze waarden die we steeds verder upgraden en die binnen de Vlaamse res publica steeds dieper en steeds mooier kleuren hoe wij met elkaar omgaan.

Hoe we de gelijkheid tussen man en vrouw steeds sterker gestalte willen geven op elk vlak. Hoe we steeds beter omgaan met verschillende vormen van seksuele identiteit. Hoe we toleranter zijn geworden voor verschil van opinie en het ondenkbaar zijn gaan vinden om elkaar geweld aan te doen omwille van ideologische verschillen. Hoe we een hoog niveau van welvaart hebben gekoppeld aan de uitbouw van een sterke onderlinge solidariteit en daar uiterst bekommerd om zijn. Hoe we voor iedere burger de bescherming van rechtstaat verzekeren. Hoe we voor elke religie respect willen opbrengen, maar het intussen wel evident vinden dat geloof in geen enkele God leidt tot een vrijstelling van humor of kritiek, laat staan tot een vrijstelling van wetten of voorrechten in de publieke cultuur.

Waarden

Deze waarden en de manier waarop wij ze vandaag beleven, zijn als een richtingwijzer. Een richtingwijzer heeft een stompe kant, die verwijst naar waar we vandaan komen. En er is een punt die wijst naar waar we verder naar toe willen. Wij moeten proberen iedereen die in Vlaanderen opgroeit, naar school gaat, werkt, participeert en leeft, maximaal te emanciperen in de beleving van deze waarden.

Het vergt durf om te zeggen wie wij zijn en wie we samen willen worden. Maar het is nodig. Want onder dezelfde vlag van de vrijheid en gelijkheid klinken vandaag stemmen die oproepen om de klok feitelijk terug te draaien. Cultuurrelativisme en zelfschaamte – Paul Cliteur noemt het oikofobie: de angst voor het eigene – bieden daartoe ook alle ruimte, net als rechtspraak die op deze leest geschoeid is.

Op de vraag waarom er toch zoveel feitelijke apartheid is gegroeid in onze steden, bracht een kwaliteitskrant enkele maanden geleden het volgende verrassende antwoord: ‘Omdat mensen van onze generatie nooit hebben geleerd hoe je je in een superdiverse buurt moet integreren. Ze hebben gewoon de skills niet’. Het is niet verwonderlijk dat op deze manier voor veel mensen het antwoord van extreme politieke partijen op hun groeiend onbehagen een redelijke keuze wordt.

Maar racisme biedt natuurlijk geen antwoord, het leidt alleen tot een opbod van onbehagen. Alleen het onwrikbare geloof in de emanciperende en absorberende kracht van onze identiteit is het antwoord. En het is dus aan ons om daar klare taal over te spreken. En dat is ook de opdracht van de N-VA. De N-VA zal de grendels wegschuiven die de Vlaamse gemeenschap beletten om zich sociaaleconomisch naar eigen democratisch inzicht te ontplooien. En de N-VA zal complexloos de Vlaamse identiteit vooropstellen als instrument om iedereen die tot onze gemeenschap wil behoren alle kansen te geven op ontplooiing als mens en als burger. Wij zijn er klaar voor. Vijftig jaar na Leuven Vlaams en mei ’68; maar sterker dan ooit.

 

Bart De Wever bracht deze toespraak op een herdenking van 50 jaar Leuven Vlaams in Leuven georganiseerd door N-VA, op 24 februari 2018. Ook Louis Vos sprak er. De speech van Benno Barnard verschijnt later deze week op Doorbraak.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans