Fritz Behrens: DDR-dwarsdenker uitgerangeerd

‘Hegel spreekt over de maatschappelijke verbanden met dezelfde oprechtheid en onvervaardheid die kenmerkend is voor de klassiekers van de burgerlijke economie en die Marx herhaaldelijk met klemtoon geroemd heeft’. Met die uitspraak maakte de toonaangevende intellectueel Fritz Behrens (1909-1980) zich niet bepaald populair in de DDR. Kort na de oprichting van de Oost-Duitse communistische staat woedde er een hevig debat over het denken van de laatste grote vertegenwoordiger van het Duitse idealisme (met zijn primaat van de ‘Geist’ op de materie). [1]

‘Burgerlijke economie’

Dit jaar herdenkt Duitsland de 250ste verjaardag van een van zijn grootste denkers. Maar in de DDR  anno 1949 was de figuur van G.W.F. Hegel niet onomstreden. Stalin had zich tijdens de oorlog negatief uitgelaten over de ‘staatsfilosoof van Pruisen’. Op een geheime conferentie van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie in 1944 was de klassieke Duitse filosofie – waarvan Hegel een boegbeeld was – omschreven als ‘reactionair’. Stalins vertrouweling Andrej Zjdanow verkondigde op een filosofencongres in Moskou in 1947 dat het marxisme de vroegere filosofie volledig overwonnen had. Het gold als een waanbeeld dat de filosofie van Hegel met haar uitwerking van de dialectiek ook het dialectisch materialisme en het historisch materialisme van Karl Marx en Friedrich Engels ten gronde zou beïnvloed hebben.

Orthodoxe marxisten-leninisten in de jonge DDR volgden die zienswijze. Ze wilden daarom Hegel uit het academisch onderzoek en onderwijs bannen. Friedrich (‘Fritz’) Behrens was een van de weinigen, die samen met de filosoof Wolfgang Harich de verdediging van Hegel op zich nam. Zijn stelling was dat de burgerlijke economie van de 18de eeuw het voorwerp van diens denken was geweest en dat Marx en Engels hun economische inzichten erover ook hadden verdiept via de kritische studie van Hegel.

Weidse blik

De onvervaardheid die Behrens aan Hegel toeschreef, was ook hemzelf eigen. Behrens was een van de intellectuele grondleggers van de DDR, maar zou zich ook ontpoppen tot een van de scherpste critici van het door haar gepraktiseerde socialisme. Zoals zijn pleidooi voor Hegel aantoonde, was hij een man van het economische denken. Het overleven van de DDR hing af van de mate waarin het socialisme economisch efficiënt zou werken. Die bekommernis plaagde Behrens zijn hele leven lang en zou hem in ongenade doen vallen bij de machthebbers van de DDR.

Behrens’ weidse blik was als het ware geïnspireerd door zijn ervaringen ter zee. Hij werd op 20 september 1909 in de Noord-Duitse havenstad Rostock geboren, studeerde machinebouw op de scheepswerf Neptun-Werft en werkte eind jaren 20 als machinist bij de handelsmarine. Intussen engageerde hij zich in verschillende linkse groeperingen en sloot zich in 1932 aan bij de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD).

Begin jaren 30 vatte hij studies macro-economie en statistiek aan om in 1936 tot doctor te promoveren aan de universiteit van Leipzig. Ten tijde van het Derde Rijk had hij wel wat illegaal verzetswerk verricht voor de verboden KPD, maar het grootste gedeelte van de tijd ‘overwinterde’ hij eigenlijk als statisticus bij het Statistisches Reichsamt. Dat zou hem na de oorlog verdacht maken bij de Staatssicherheit (Stasi) en sectaire functionarissen van de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED), de ‘leidende partij’ van de DDR.

Dwarsdenker

Onmiddellijk na de nederlaag van het nationaalsocialistische regime en de ondergang van het ‘Reich’ begon Behrens zich te engageren voor de ‘antifaschistischer Neuanfang’ in de door de sovjets bezette Oostzone (SBZ), de voorloper van de DDR. Hij was in het eerste decennium na de oorlog, tussen 1945 en 1954, als professor de grote bezieler van de heropbouw van het universiteits- en hogeschoolwezen in de SBZ/DDR in marxistische zin. In 1954 lag hij mee aan de basis van het Institut für Wirtschaftswissenschaften (Instituut voor Economische Wetenschappen) en van 1955 tot 1957 was hij directeur van het Centrale Bureau voor Statistiek en lid van de ‘Ministerrat’ (regering) van de DDR.

In 1957 kwam er een abrupt einde aan zijn glansvolle carrière. Behrens had al die jaren zware, maar constructieve kritiek geleverd op het dirigistische economische beleid van de regering van de DDR. Ook al was hij een overtuigde communist, toch was hij tegelijk een ‘Querdenker’, een dwarsdenker, en dat vanuit zijn expertise als statisticus die de focus richtte op de arbeidsproductiviteit. Iedereen met een beetje economisch inzicht kon zien dat het daaraan schortte in het socialistische systeem. De orthodoxe marxisten-leninisten konden die kritiek niet pruimen. De man die hen tegensprak, zowel op het vlak van economie als van filosofie en ideologie (zie het Hegel-debat), zou daarvoor moeten boeten.

Revisionisme

Op het Twintigste Congres van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie in 1956 had Nikita Chroesjtsjov afgerekend met de politiek van zijn voorganger Stalin en zodoende een ‘destalinisering’ ingeluid. Het begon overal te rommelen in het Oostblok, ook in de DDR. Heel wat intellectuelen binnen de SED drongen aan op hervormingen in alle maatschappelijke domeinen. De SED-bonzen hadden echter het afschrikkende voorbeeld van Hongarije voor ogen. Sovjettroepen waren er in november 1956 binnengemarcheerd om de Hongaren weer in de pas te doen lopen. Teveel hervormingen, teveel de teugels vieren, vormde – zo leerde het Hongaarse experiment de SED-top – een bedreiging voor de macht van de staatspartij.

Vanaf begin 1957 begon de partij met een campagne tegen het ‘revisionisme’, een begrip om afwijkelingen als verraders van het ‘ware’ socialisme, het marxisme-leninisme, te brandmerken. Talloze intellectuelen zoals de filosofen Wolfgang Harich en Ernst Bloch vielen in ongenade. Ook Behrens deelde in de klappen. Hij verloor al zijn ambten bij de staat en werd gedegradeerd tot leider van een werkgroep binnen het door hem mee opgerichte Institut für Wirtschaftswissenschaften.

Mysterieuze dood

Behrens moest aan de zijlijn staan toekijken toen de SED in juli 1963 afkwam met een eigensoortige hervorming om het economische systeem recht te trekken, het Neues Ökonomisches System der Planung und Leitung (NÖSPL of kortweg NÖS) [2]. De bedoeling was om bij wijze van decentralisering de staatsbedrijven meer ruimte voor eigeninitiatief te geven.

De ingenieur Erich Apel moest het systeem in goede banen leiden. Twee jaar later zou hij op mysterieuze wijze dood aangetroffen worden in zijn kantoor. Zelfmoord of moord? Feit was dat Apel ontmoedigd was door de tegenwerking van functionarissen die – weerom – de almacht van de partij bedreigd zagen.

Zelfbestuur van de arbeiders

Behrens zelf oefende in een voordracht in 1965 en in een boekmanuscript kritiek uit op die ‘planning’ en ‘leiding’. Voor hem was het Plan niet iets wat vastgelegd kon worden in een door het parlement goedgekeurde wet. Zo een plan werd dirigistisch en met veel bureaucratische dwang doorgezet. In plaats daarvan moest het Plan voor Behrens een ‘prognose-instrument’ en een ‘elastisch werkinstrument’ zijn. De leiding zelf van de economie gebeurde in het socialisme door ‘de maatschappij’. Maar in welke vorm? Ofwel treedt de staat daarbij op als ‘vertegenwoordiger van de maatschappij’ ofwel voltrekt zich die ‘leiding’ door het ‘zelfbestuur van de arbeiders’.

Behrens keek voor dit laatste naar het Joegoslavische model van zelfbestuur als tegenhanger van de macht van het staatsapparaat waaronder de DDR-maatschappij kreunde. Ook dat schoot bij de partijbonzen in het verkeerde keelgat. Behrens werd in 1968 vervroegd met pensioen gestuurd. Met lede ogen zag de uitgerangeerde intellectueel hoe het systeem vierkant bleef draaien. De roepende in de woestijn zou de ondergang van de DDR niet meer beleven. Op 15 juli 1980, precies 40 jaar geleden, hield zijn onrustige hart op met kloppen.

[1] Bij Doorbraak verschijnt in het najaar De vrijheidsboom van de staatsfilosoof’, een boek over Hegel en de Franse Revolutie, van de hand van Arvid Rochtus en Dirk Rochtus. [2]  Wie geïnteresseerd is in het NÖS en de economie van de DDR in het algemeen, kan te rade bij de studies die de Oost-Duitse econoom en emeritus Jörg Roesler erover geschreven heeft.  ​
Dirk Rochtus :Dirk Rochtus (1961) is hoofddocent internationale politiek en Duitse geschiedenis aan de KU Leuven/Campus Antwerpen. Hij is voorzitter van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme (ADVN). Zijn onderzoek gaat vooral over Duitsland, Turkije, en vraagstukken van nationalisme.