fbpx


Actualiteit, Economie
belastingen

Ze noemden mij ‘Le Fou de Gand’

Kroniek van een loopbaan bij de BBI


Er zijn in onze fiscale wetgeving en de instellingen die rond die fiscaliteit zijn gebouwd, maar weinig acroniemen die — al naargelang de persoonlijke overtuiging — meer angst of weerzin opwekken dan de BBI. De Bijzondere Belastinginspectie. De Special Forces van de fiscaliteit als het ware. Zowat 600 ambtenaren (op een totaal van ongeveer 22.000 bij de FOD Financiën) die gesteund door ruime onderzoeksbevoegdheden jacht maken op de georganiseerde fiscale fraude. Eén van die jagers was Karel Anthonissen. Was, want de man geniet inmiddels van zijn pensioen. En zoals het vaak gaat, schreef ook hij een boek. Een werk van iets meer dan 300 pagina’s over zijn leven en werk. Zijn werk, dat was vooral de BBI. Zijn leven, dat was onder meer ook Agalev en een nipt gemiste Kamerzetel.

‘Correct’ betalen

In uw boek vermeldt u meermaals dat u na enige tijd door sommigen werd bedacht met het epitheton ‘Le Fou de Gand’. U leek dat zelfs niet erg te vinden. Een manier om u sterk te houden of deerde het u echt niet?

Karel Anthonissen: ‘Ik liet het inderdaad niet aan mijn hart komen. Blijkbaar heb ik, vooral als gewestelijk directeur van de BBI in Gent, meer dan een paar mensen op de tenen getrapt of zelf tegen de schenen geschopt. Ik heb dat nooit goed begrepen. Als belastingambtenaar is het je taak om ervoor te zorgen dat de belastingplichtigen correct betalen. De definitie van het woord correct is natuurlijk heel ruim. Voor sommigen komt dat neer op “nul”. Voor anderen dan weer op “alles”. Wie naar ons palmares kijkt, kan toch moeilijk doen voorkomen alsof wij fundamentalisten waren.

In die zin is het bijvoorbeeld ironisch dat — nu spreek ik van lang geleden — men in Brussel aan BBI-Gent verweet in het dossier Beaulieu “maar” 20% belasting op de via Katchadourian betaalde geheime commissielonen te willen. Men vond dat te laag. Gevolg: In plaats van een akkoord af te sluiten trok men vanuit Brussel met groot machtsvertoon naar West-Vlaanderen. Waarop de familie natuurlijk ook haar inschikkelijkheid van zich afwierp. Met als uitkomst een gerechtelijke processie van Echternach waar eigenlijk alle partijen aan verloren hebben.’

Verzachtende omstandigheden

Die aanpak is een constante doorheen heel uw verhaal. Uw motto was: ‘Beter een goed akkoord dan een slecht proces’.

‘Dat is inderdaad vaak mijn uitgangspunt geweest. Uitzonderingen waren er ook natuurlijk, met reden dan. Een fiscaal dossier is zoals alle andere zaken een onderhandeling waarbij elke partij een afweging maakt tussen wat men zal winnen of verliezen en wat men kan winnen of verliezen. Bovendien liet een onderhandeling de BBI ook toe om rekening te houden met verzachtende omstandigheden zoals werkgelegenheid of toegevoegde waarde. Bij een proces is dat allemaal veel minder evident.’

Moeten we dan milder zijn voor fraudeurs die ook voor werkgelegenheid zorgen?

‘Niet als automatisme. Maar als belastingcontroleur kan je het werk beperken tot het herstel van de ontdoken belastingen plus de nodige boetes of je kan meedogenloos zijn en iemand ruïneren. Dat laatste is nooit mijn handelswijze geweest.’

Fiscale Alva

Net zoals er belastingcontroleurs zijn die naar het absolute streven, zijn er fiscale advocaten die naar het minimum streven. U heeft ook persoonlijk heel wat te verduren gekregen. Zag u dat als deel van de functie of zijn sommigen bij wijlen ook te ver gegaan?

‘Sommige advocaten hebben inderdaad getracht om van mij het beeld te scheppen van een fiscale Alva, een inquisiteur. Ik kon dat wel plaatsen. Ten eerste omdat ik het zoals gezegd als mijn taak zag om de belastingplichtige zijn eerlijk deel te laten betalen. Als je dan tegenover iemand zit voor wie een eerlijk deel gelijk staat aan “nul”, dan zal die vaak ook iemand onder de arm nemen voor zijn verdediging die van datzelfde geloof uitgaat. Ten tweede vind ik het niet meer dan logisch dat een belastingplichtige zich verdedigt en zich in zijn verdediging laat bijstaan. Een advocaat onder de arm nemen is een vanzelfsprekend element in die verdediging. In die zin zou je het kunnen vergelijken met een politicus die de rol van de oppositie erkent als onmisbaar in een democratie en het bij wijlen intellectueel zelfs waardeert dat hij door de oppositie wordt uitgedaagd.’

Hypocrieten en rechtlijnigen

‘Hoewel ik hun rol dus erken, maak ik wel een onderscheid tussen twee soorten fiscale advocaten. Ik noem ze de hypocrieten en de rechtlijnigen. De hypocrieten erkennen dat belastingen nodig zijn en dat fraude een maatschappelijk probleem is. Maar ze zullen niet aarzelen om een fraudeur te verdedigen. Ik apprecieer dat. Het is een publiek geheim dat ik in het kader van het Optima-dossier nogal wat robbertjes heb uitgevochten met Michel Maus. Maar ik heb hem zijn rol nooit kwalijk genomen. Wat me dan wel weer niet belette om in de rechtszaal te citeren uit werk van hem waarin hij fraude veroordeelde (lacht).

De rechtlijnigen, daar heb ik het wat moeilijker mee. Wie het boek leest zal het duidelijk worden dat ik de rol van Thierry Afschrift in de Belgische fiscaliteit niet meteen waardeer. Hij is een ultraliberaal die alle fraude en ontwijking rechtvaardigt , gewoon omdat hij tegen de staat is. Voor hem is nul nog te veel. Ik stel bijvoorbeeld aan de kaak hoe hij als hoogleraar via de rechtsleer bepaalde standpunten ingang doet vinden bij minder ervaren magistraten (onder meer over de antimisbruikbepaling — nvdr) en dat vind ik een democratisch probleem.’

Ze kunnen het niet

Ondanks uw reputatie van Le Fou de Gand heeft u best wel wat akkoorden tot stand gebracht die ook heel wat geld in de schatkist hebben doen stromen dat anders misschien nooit was geïnd. Vanwaar dan die reputatie?

‘Ik verwijs opnieuw naar Michel Maus. Naar aanleiding van de Kamercommissie Fiscale Fraude in 2009 zei hij: “Fraudebestrijding, ze kunnen het niet”. Ik was en ben het daar niet mee eens. We kunnen het wel. Alleen gebeurt het niet. In mijn boek haal ik twee concrete voorbeelden aan: de fraude met de scheepskredieten op de Boelwerf en het dossier van de Prins de Croÿ. Alle elementen waren er. Alleen werd er niets mee gedaan. De oorzaak ligt bij wat ik al vaak “de kabinettenlobby” heb genoemd. De Belgische magistratuur zit vol mensen die na één of meerdere passages op ministeriële kabinetten in het gerechtelijk apparaat zijn gedropt. En ik kan enkel vaststellen dat die heel vaak een laconieke houding hebben ten aanzien van de zware, georganiseerde fiscale fraude.’

Stromannen

In uw boek illustreert u dat met het voorval waarbij advocaat Raf Verstraeten tijdens een vergadering in Antwerpen over het dossier Omega Diamonds zonder schaamte brieste ‘dat hij een andere procureur wilde’. De procureur die het dossier onder zich had was niet buigzaam genoeg. U kende hem goed.

‘Zo heb ik dat horen zeggen. Het was mijn strijdmakker Peter Van Calster. Hij is uiteindelijk ook van het dossier gehaald, van alle dossiers want ze hadden hem op een gegeven moment ontslagen.  Dat ontslag is omgezet in een schorsing en die schorsing is dan ook nog vernietigd. En Omega Diamonds kreeg een schikking aangeboden die echt een slag in het gezicht van de doorsnee belastingbetaler is. De kabinettenlobby had haar werk gedaan.

In andere dossiers had men veel meer doorzettingsvermogen. Denk aan de zaak Raoul Stuyck (die via valse facturen de notabelen van Antwerpen wit geld liet zwartwassen, nvda.). Of het dossier Filip Meert. Telkens hetzelfde stramien. De stroman werd veroordeeld en bijgevolg hoofdelijk aansprakelijk voor alle fiscale schulden. De grote jongens die het meeste garen hadden gesponnen bij het systeem ontsprongen de dans.’

Zwart geld gered

‘Ik denk dat mijn reputatie als caractériel zeker ook te maken heeft met mijn ijver om na de redding van de banken in 2008 voor een “juste retour” te zorgen. Het is een boutade die al door veel mensen gebruikt is: Met de redding van de banken is ook het zwart geld gered. Ik vond het niet meer dan logisch dat als tegenprestatie voor die redding, we als samenleving eindelijk eens dat zwart geld zouden regelen op een acceptabele manier. Want tenslotte zijn het de eerlijke belastingbetalers die het geld hadden voorzien om de banken en dus het zwart geld van de fraudeurs te redden.

Maar ik stootte vrij snel op een categoriek njet. Ik noem dat de macht van de “zuilenbanken”. De tripartite die toen aan de macht was — waarbij elke familie wel haar bank had die in het verleden haar cliënten had geholpen geld onzichtbaar te maken — liet duidelijk verstaan dat de banken een no-go-zone waren. Daarin ook gesteund door het gerechtelijk apparaat.’

Transfers van arm naar rijk

Is dat misschien de echte bestaansreden van uw bijnaam Le Fou de Gand? Dat u zich koppig niet beperkte tot het najagen van wat kleine en middelgrote fraudeurs, maar wel het establishment van het land onder vuur nam? En is dat dan een overblijfsel van uw tijd bij Agalev?

‘Ik sluit dat niet uit. Het lijkt me zelfs aannemelijk. Ik heb mijn leven gewijd aan het correct innen van belastingen maar dat wil niet zeggen dat ik blind ben voor wat er met die belastingen gebeurt. In de jaren ’80 bijvoorbeeld waren zoals bekend de intresten heel hoog. Tot wel 12 of 13%. Dat had onder meer tot gevolg dat we als land heel veel intrest betaalden op onze staatsschuld. Heel veel van het schuldpapier was in handen van de rijken, die al dan niet op frauduleuze wijze het kapitaal hadden vergaard om dat schuldpapier te kopen.

Eigenlijk kwam het er dus op neer dat er in die periode een transfer was van arm naar rijk. De werkenden betaalden heel veel belastingen op hun inkomen en de belastingen op dat inkomen werden dan via de intresten op de staatsschuld getransfereerd naar de rijken. Daarom ook dat we als Agalev het idee introduceerden van de “nulrente”.’

Agalev

In uw boek stipt u aan dat Agalev in die periode geen extreemlinkse en zelfs geen overdreven linkse partij was.

‘Ik blijf daarbij. Wij zagen Agalev ook als een antwoord op het toen sterk staande marxisme, en zo zagen wij belastingen als alternatief voor nationaliseringen en onteigeningen. Het was vooral een poging om het ingedommelde centrum — lees: de CVP — te vervangen. De tactiek was om als startpositie aan de linkerzijde te beginnen om op termijn te groeien naar het centrum. Iets wat de Volksunie ook deed en wat Bart De Wever met de N-VA gedaan heeft: Beginnen aan de buitenkant — maar niet aan de extreme buitenkant — en verbreden en zo het centrum innemen.  In Agalev kon je links en progressief zijn maar de hele partij zou zich niet als dusdanig gedefinieerd hebben.

Wilfried De Vlieghere bijvoorbeeld, die meeschreef aan het economisch programma was marxist, boeddhist en groen-conservatief. Hij schreef een boek De Aarde bewaren. Er waren er ook die we nu groenrechts zouden noemen. Voor De Wever was die centrumstrategie succesvol maar wat Agalev betreft is die helaas uitgedoofd toen de Antwerpse groep rond Jos Geysels, Mieke Vogels en Eddy Boutmans het overnam.  Plots schoof de partij wel fors naar links op. In die periode (1991) miste ik op een haar na een Kamerzetel (door het succes van ROSSEM en het Vlaams Blok). Uiteindelijk heb ik de “groene” partij die ik steeds minder (h)erkende, verlaten.’

Oorlog tussen links en rechts

Zit er voor mij een verbitterd man?

‘Ik mag hopen en ik geloof van niet. Sommigen hebben om de redenen die zijn aangehaald, dat beeld willen ophangen. Van een belastingcontroleur die mordicus mensen wilde pluimen. Ik laat dat voor hun rekening. En zoals gezegd: In het kader van het spel tussen de belastingdiensten en een belastingplichtige kan ik het tot op zekere hoogte nog waarderen.

Wat ik wel erg vind is de oorlog tussen links en rechts waar ik ongewild in terechtgekomen ben. Ik heb de straatgevechten nog gezien, in 1973 op het Ladeuzeplein in Leuven, van op het balkon van mijn kot: de veldslag tussen de VMO en Amada. Zij waren de Tweede Wereldoorlog nog aan het uitvechten. Dat leek mij niet meer de juiste strijd, en ook niet de juiste strijdmethode. Oké, Stalin had gewonnen en dat geeft blijkbaar nog steeds een moreel voordeel.

Maar goed, als het niet te extreem was, mocht iedereen mij vragen om te schrijven of te spreken: Apache of ’t Scheldt om er twee te noemen. Kan ik het helpen dat ze elkaar extreem noemen? Of kan ik het helpen dat een vriend als Jan Nolf zelfs Doorbraak in de bruine hoek plaatst? Ik probeer het me niet aan te trekken, zolang ze maar niet weer op de vuist gaan.’

Verstandig rechts

‘Het doet me steeds denken aan een stukje dat ik in 2002 in de autobiografie van Hugo De Ridder las (Geen blad voor de mond, nvda) en dat als titel had “Verstandig rechts”:

Theo Lefèvre placht het graag te zeggen: ‘la droite est bête’, rechts is dwaas. Als ik sommigen aan het werk zie ben ik geneigd hem gelijk te geven. Waarom roept recht zo veel aversie op? Waarom bestaat er geen verstandig rechts? Waarom durft niemand meer te zeggen: ik ben conservatief en ik ben er trots op ook? Ik wil het goede behouden in de samenleving en het minder goede geleidelijk aan ombuigen.

Welke kronkel is in het westerse denken binnengeslopen dat je extreem-links militantisme overal kunt afdoen als een verschoonbare jeugdzonde terwijl je zelfs gewone rechtse sympathieën als een bedenkelijk stigma met je mee moet dragen? Is het allemaal terug te brengen tot onze perceptie dat de miljoenen Hitlerslachtoffers respectabeler waren dan de tientallen miljoenen Mao- of Stalindoden?’

Hugo De Ridder was een verstandig man.’

Het boek Achter de schermen van de BBI is te koop in de online boekhandel van Doorbraak.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Kristof Willekens

Kristof Willekens (1981) is freelance adviseur fiscaliteit en ondernemerszaken en corporate communications and affairs