Analyse, Economie
Essay
Essay

België is een Zuid-Europees land

De Europese Commissie is beschouwt ons land als een lid van de Club Me
welzijn op het werk

De Europese autoriteiten staan zeer kritisch t.a.v. onze begroting. Ons land kan hiervoor in de lente van 2019 op het strafbankje terechtkomen. Ook Frankrijk, Spanje en Portugal kregen een dergelijke waarschuwing. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) reageerde donderdag 17 oktober ll. nog furieus toen België met die club van zuiderse probleemlanden werd geassocieerd. Maar België ìs een Zuid-Europees land…

De psychologische grens tussen het Europese noorden en zuiden loopt dwars door ons territorium. Alvast, dat beweren sommigen. De realiteit is anders: wij behoren qua levensstijl, overheidsoptreden, reglementair kader, invloed van het middenveld, politieke gebruiken… tot het zuiden. Mag ik hierover één voorbeeldje uitwerken, meer bepaald inzake een politiek onbeduidend thema: de veiligheid en de gezondheid op het werk?

De Zuid-Europese benadering van het welzijn op het werk

Het centrale bestanddeel van dit (origineel Franse) concept, vaak onuitgesproken maar daarom niet minder duidelijk, is de overtuiging dat het bevorderen van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers niets heeft te maken met een rationele bedrijfsvoering. In de ondernemingen is het welzijn op het werk strijdig met financieel-economische imperatieven, zo luidt het, en daarom moeten werkgevers gedwòngen worden om daar toch iets van te maken – ‘spontaan zal dat zeker niet gebeuren’. Een logisch gevolg hiervan is de idee dat overheden een maximum aan verplichtingen moeten uitvaardigen die tot in het obscuurste detail reiken, en waarbij onder meer het opleggen van allerhande reglementair vastgelegde documenten een essentieel onderdeel is.

In de Zuid-Europese optiek is het welzijn op het werk bovendien hèt jachtgebied bij uitstek van de syndicale vertegenwoordigers in de ondernemingen. Dat is een logisch uitvloeisel van het voorgaande: de veiligheid en de gezondheid worden geacht uitsluitend van belang te zijn voor de werknemer zelf. Logischerwijze leidde dit tot de verplichting tot het oprichten van een eigen paritair overlegorgaan op ondernemingsvlak (in het jargon thans het Comité voor de Preventie en Bescherming op het Werk genoemd) in elke ietwat grotere onderneming. De communicatie met de werknemers in verband met de arbeidsomstandigheden verloopt in dit Zuid-Europese model principieel via vakbondsvertegenwoordigers: de mening van de individuele werknemers hoeft niet gehoord te worden, hun belangen worden verdedigd door vertegenwoordigers die het overlegplatform gebruiken om een stroom van eisen op de tafel te brengen. Eénrichtingscommunicatie is hiervan het onvermijdelijke gevolg. In dergelijke vergaderingen ligt de klemtoon in de praktijk op klachtenbehandeling en controle vanwege de syndicale afgevaardigden op de naleving van reglementair opgelegde detailverplichtingen: of deze al dan niet zinvol zijn doet niet ter zake.

Een vergelijkbare manier van werken geldt ook voor de regelgevende activiteiten. Nieuwe wetgevende initiatieven op het vlak van het welzijn op het werk krijgen vorm via een overlegorgaan (in België de Hoge Raad PBW), waar in de praktijk de vakbonden de toon zetten en de werkgeversverenigingen zich beperken tot het maximaal op de rem gaan staan. Maar het behoort tot de Belgische geplogenheden dat het de syndicale organisaties zijn die het oor krijgen van de bevoegde minister, die traditioneel behoort tot een socialistische fractie of de werknemersvleugel van een centrumpartij. Dat leidt er in ons land toe ‘dat de syndicale organisaties alle bijkomende reglementeringen krijgen die ze vragen, maar aan de patroons tegelijkertijd de geruststelling wordt gegeven dat ze niet al te erg worden lastiggevallen als ze die horde verplichtingen niet behoorlijk naleven’, zoals Marc Heselmans, de gewezen directeur-generaal van de bevoegde inspectiediensten, steevast liet weten[1]. Het is een uitspraak die op vele domeinen van het maatschappelijke leven van toepassing is.

Ook op andere vlakken heeft ons land de Franse reglementering zonder meer gekopieerd. Een mooi voorbeeld is de arbeidsgeneeskunde. Gevoelig als onze zuiderburen zijn voor de druk van allerhande belangengroepen, verleenden zij na de tweede Wereldoorlog de vrije baan aan de medische wereld om de bedrijfsgebonden preventie volledig vanuit zijn perspectief in te vullen – en ons land heeft dat concept klakkeloos overgenomen. Dit leidt tot op heden in België tot enkele miljoenen medische onderzoeken op werknemers per jaar, en dat kost onze ondernemingen een behoorlijke smak geld. Epidemiologische research heeft intussen duidelijk gemaakt dat die onafzienbare horde contacten met de arbeidsgeneesheer geen enkel medisch nut hebben – maar de syndicale organisaties blijven zich met succes verzetten tegen een vermindering ervan, en dus blijft de federale minister bevoegd voor Werk daar met zijn handen vanaf.

De Angelsaksische benadering ziet er helemaal anders uit

Wat later kwam er, pakweg vanaf de zestiger jaren van vorige eeuw, een heel ander model ter tafel. In de USA, daarin op de voet gevolgd door het Verenigd Koninkrijk, wordt het welzijn op het werk als essentieel beschouwd voor het voortbestaan van ondernemingen (een algemeen bekend gezegde luidt daar: ‘If you can’t manage safety, you can’t manage anything’). Een solide veiligheidscultuur, en bij uitbreiding een degelijke welzijnscultuur, wordt in die optiek een betrouwbare indicator voor company performance in het algemeen. Het aanvatten van verbeteringsacties wordt hier gestoeld op risicoanalyses die gebeuren aan de hand van metingen en observaties, en niet op basis van de resultaten van medische onderzoeken.

Een overheid dient zich, in het Angelsaksische model, logischerwijze te beperken tot het verstrekken van een kader. Het behoort niet tot de verantwoordelijkheid van ministeriële ambtenaren om verplichtingen inzake de veiligheid en de gezondheid uit te werken tot in het miniemste detail: het formuleren van normen en afspraken is daarentegen een verantwoordelijk van het bedrijfsleven, evenals het erop toezien dat deze nageleefd worden – want de aansprakelijkheid ligt dààr. De consequentie hiervan is dat in de Verenigde Staten, wanneer een onderneming het bruin bakt op het vlak van arbeidsongevallen of intoxicaties, stevige boetes en zelfs effectieve gevangenisstraffen schering en inslag zijn – de ‘tarieven’ liggen een pak hoger dan in België. Wanneer een werknemer van mening is dat zijn kwetsuur of zijn ziektegeschiedenis te wijten is aan een nalatigheid vanwege de werkgever, kan hij/zij bovendien deze dagvaarden en een soms stevige bijkomende schadevergoeding in de wacht slepen (dat kan niet in ons land).

En als er dan toch nieuwe reglementeringen nodig zijn, komen die tot stand in een overlegorgaan dat uitsluitend wordt bemand door experten die zich exclusief baseren op bewezen goede praktijken; zo zetelen in de Amerikaanse National Safety Council geen vertegenwoordigers van de werkgevers of van de vakbonden – een schril contrast met onze Hoge Raad PBW waar experten met ervaring op de werkvloer principieel niet worden gehoord.

De arbeidsgeneeskunde zoals wij die hier kennen bestaat in dit model niet, evenmin als een algemene verplichting om een paritair overlegorgaan of een interne preventiedienst op te richten in grotere ondernemingen. Een logisch gevolg van dit laatste is dat in Angelsaksische bedrijven de rechtstreekse communicatie met werknemers gemeengoed is. Het bestaan van quality circles, tool box meetings en last minute risk assessments, niet toevallig allemaal Engelse termen, zijn daar de typische consequenties van. In een dergelijke bedrijfscultuur is een bottom-up werkwijze de norm, en het behoeft geen verduidelijking dat deze praktijken tegenwoordig algemeen worden beschouwd als dè te bewandelen piste bij uitstek om de arbeidsomstandigheden in een onderneming op een hoger niveau te brengen. Het is dan ook logisch dat de frequentie van de arbeidsongevallen in het Verenigd Koninkrijk, de Scandinavische landen en Nederland een stuk lager ligt dan bij ons.

België ligt nièt op het snijpunt der wegen

Het is voor iedereen die met een onbevangen blik om zich heen kijkt, duidelijk dat het Zuid-Europese model van preventiebeleid niet meer van deze tijd is, wegens volledig voorbijgestreefd door de feiten. Maar dat leidt niet tot een bijsturing. De gevolgen zijn onmiskenbaar: in 2017 hebben we voor het eerst sinds lang terug een stijging gezien van het aantal arbeidsongevallen, het aantal beroepsziekten neemt terug toe, we naderen de kaap van de 400 000 arbeidsongeschikten, en het ziekteverzuim (lang- èn kortdurend) in onze ondernemingen blijft maar de pan uitrijzen. Dit laatste wordt stilaan alarmerend: een brandnieuwe studie uitgevoerd door Securex die op 19 oktober ll. in de pers kwam gaf als conclusie voor het jaar 2017: ‘In bedrijven tot 1000 werknemers was op een gemiddelde dag 7% afwezig door ziekte of privéongeval. Ook kmo’s krijgen de laatste jaren met steeds meer lange afwezigheden te maken. Hoe groter de kmo, hoe frequenter de ziektemelding. Het gevaar voor een absenteïsmecultuur dreigt.’

Bij wijze van slotsom: ook op het vlak van het welzijn op de arbeidsplaats verliest ons land terrein. Zoals Albert Einstein zou gezegd hebben: ‘Waanzin is steeds opnieuw hetzelfde doen, en dan een verschillende uitkomst verwachten’.

[1] M. Heselmans, J. Van Peteghem (2007): “Meer welzijn op het werk. Een eigen visie”, uitg. Garant (Antwerpen/Apeldoorn) , ISBN 978-90-441-2210-7, D/2007/5779/140

Jan Van Peteghem

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Jan Van Peteghem?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans