Binnenland, Commentaar, Communautair

Belgische armoedecijfers zeggen niets

Hoe arm is Vlaanderen? Onder die titel organiseerde Doorbraak een debat. Het antwoord op die vraag kwam er een paar keer: 10% van de Vlamingen is arm, 15% van de Belgen, in Wallonië is het namelijk 20% en in Brussel zelfs 30%. Alhoewel: veel hangt ook af van je definitie van armoede.

Armoederisico

10% van de Vlamingen: dat zijn zo’n 600.000 mensen die in ons land in armoede leven. Maar wat is dat, ‘armoede’? Moderator Jean-Pierre Rondas gooide vrij vroeg in het debat de vraag op tafel: ‘Hoe definieer je armoede?’ Even bleef het stil aan de debattafel waaraan Isabelle Pannecoucke, Sarah Smeyers, Johan Velghe en Matthias Somers zaten. Niet omdat er geen antwoord was, zo bleek, wel omdat er te veel antwoorden zijn. Eigenlijk zeggen we niet 10% is arm, wel: 10% leeft met een armoederisico. 10% van de Vlamingen heeft een loon dat minder is dan 60% van het mediaaninkomen van de Vlamingen. (Eigenlijk is dan ook de vraag of je met die definitie de armoede ooit kan uitroeien). Die 60% is niet zomaar gekozen; die 60%-grens is namelijk de grens om ‘mee te kunnen met de levensstandaard. Onder die 60% merk je vrij snel dat je niet meer mee kan en neemt de gezondheidsongelijkheid snel toe’ zei Matthias Somers.

Financiële armoede heet dat. Maar daarnaast is er ook nog subjectieve armoede: het gevoel dat je arm bent. Daarbovenop is er generatie-armoede, waar kinderarmoede een onderdeel van is. Er is ook woonarmoede en niet te vergeten etnische armoede. En die staan allemaal niet op zichzelf, ze zijn met elkaar verbonden. Voor onderzoekers is de financiële armoede natuurlijk het makkelijkst vast te stellen en te vergelijken tussen de verschillende landen. Isabelle Pannecoucke wees erop dat er ook een Europese armoede-indicator ‘risico op armoede of sociale uitsluiting’ (AROPE) wordt gebruikt. Europa schuift drie indicatoren naar voren om armoede te meten: armoederisico op basis van inkomen, ernstige materiële deprivatie en huishoudens met zeer lage werkintensiteit. Deze indicator wil de definitie van armoede voorbij het puur financiële tillen. Wie te maken krijgt met minstens één van de drie risico’s, heeft volgens de Europese armoede-indicator een risico op armoede of sociale uitsluiting. Volgens deze indicator loopt in België 21,1 % een risico op armoede of sociale uitsluiting.

Communautair

Even weg van het debat. Donderdag 18 mei 2017 kopt De Morgen: ‘Eén op de vijf Belgen loopt het risico op armoede of uitsluiting. Terwijl het algemene risico stagneert, gaan werklozen en vrouwen erop achteruit. De krant spreekt enkel over ‘Belgische cijfers’: 20,7%. De berekening komt van Eurostat, dat de bovenvermelde AROPE gebruikt. Merk op dat de armoede dan gedaald is: volgens dezelfde methode gemeten namelijk van 21,1% naar 20,7%.

Naast die gegevens van Eurostat zijn er in ons land twee armoedejaarboeken: Vlaamse en Belgische. Het Vlaamse Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting wordt gemaakt door OASeS (Ongelijkheid, Armoede, Sociale uitsluiting en de Stad), een onderzoekscentrum binnen het Departement Sociologie aan de Universiteit Antwerpen. Het Vlaamse Jaarboek wordt sinds 1991 opgesteld. De Belgische jaarboeken worden gemaakt door de ‘Programmatorische federale overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie. Het Federaal Jaarboek is ‘een instrument om de toestand van en beleidsmaatregelen inzake armoede en sociale uitsluiting, voor zover zij tot de federale bevoegdheden behoren, te beschrijven, te analyseren en te evalueren.’ Het Federale jaarboek bestaat sinds 2010.

Het veelvoud aan cijfers zorgt voor mist en verwarring in de discussie over armoede in Vlaanderen/België. Opzettelijke verwarring? Zo zijn de cijfers in DM zijn geen Vlaamse cijfers, het zijn Belgische. De hoge percentages zijn op rekening van Brussel en Wallonië, die als regio’s aan de Europese staart hangen, terwijl Vlaanderen niet in de middenmoot zit, maar in de kopgroep. Een discussiepunt op de debatavond, Isabelle Pannecoucke en Matthias Somers hadden het zichtbaar moeilijk om dat toe te geven.

‘Belgische cijfers’

De vraag moet gesteld worden hoe relevant die ‘Belgische cijfers’ zijn. De ware cijfers liggen qua regio zo ver uiteen dat ze zelfs het bewijs vormen dat België niet eens een land is. Belgische armoedecijfers zijn irrelevant. Irrelevanter nog dan de andere Belgische statistieken. Het gaat er niet alleen om dat ze niets meten, het gaat er vooral om dat ze ons niets leren over wat er nu waar en met wie gedaan moet worden. Op basis van zulke cijfers kan je met de beste wil van de wereld geen beleid voorstellen. Belgische statistische oefeningen zijn nutteloze oefeningen. Jammer dat de huidige federale regering geen werk wil maken van het systematisch opsplitsen van de Belgische statistieken volgens gewest en/of gemeenschap.

De uiteenlopende resultaten ten opzichte van de armoederisicodrempel tonen vooral aan dat Wallonië en het armlastige Brussel langs geen kanten gebaat zijn met een Belgische eenheidsworstbenadering. Het is het eeuwige Belgische verhaal van de preferentie van de één waaraan je niet tegemoet kan komen met de preferenties van de andere. De arme Waal en de allochtone Brusselaar zijn de slachtoffers, omdat er geen specifiek op hen toepasbare maatregelen kunnen getroffen worden.

Dit is het eerste deel van een tweeluik. Lees zeker ook deel 2 (Armoede tussen activering en leefloon)

 

Dit artikel kadert in het project ‘Armoede in Vlaanderen’ dat tot stand komt met de steun van de Vlaamse overheid. 


Foto (c) Doorbraak

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]