JavaScript is required for this website to work.
post

Belgische cultuurtempels verkommeren

Peter De Roover19/5/2012Leestijd 6 minuten

Cultuurbeleid in ons land lijkt op een Asterix-album. Alles werd gesplitst, maar enkele federale culturele instellingen boden weerstand. Gaat het er ook goed mee? We vroegen het aan Johan Swinnen, lid van de Gravensteengroep en cultuurvolger.

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

Het begon allemaal met de cultuurautonomie. De gemeenschappen werden bevoegd voor kunst, cultuur, onderwijs en media. De Vlaamse regering telt een minister van Cultuur en die voert een eigen cultuurbeleid. Toch bestaan er nog federale, dus Belgische musea en culturele instellingen. Johan Swinnen schreef er een bijdrage over in het pas verschenen boek van de Gravensteengroep. Wat moeten we ons voorstellen bij dat Belgische restant in de cultuursector? Doorbraak vroeg het hem.

Johan Swinnen: ‘Het gaat over enkele belangrijke kunst- en cultuurinstellingen, voornamelijk in Brussel gelegen. We kunnen spreken van het erfgoed van België. Meestal betreft het grote, waardevolle collecties, gehuisvest in mooie gebouwen. De eenheid van de collecties is kenmerkend. Die werden decennialang opgebouwd, soms al sedert het ontstaan van dit land.’

Het Instituut voor Ruimte-aeronomie zegt weinigen iets. Maar bij namen als Koninklijk Metereologisch Instituut, Koninklijke Sterrenwacht of Museum voor Midden-Afrika kunnen we ons wel wat voorstellen. De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis vormen een geval apart. Onder die naam gaan het Jubelparkmuseum, het Muziekinstrumentenmuseum, de Musea van het Verre Oosten en de Hallepoort schuil.

Erg jaren vijftig

Die culturele kroonjuwelen van het vaderland zijn moeilijk toewijsbaar aan één gemeenschap en bleven in Belgische handen. De federale regering telt geen minister van Cultuur. De meeste van die instellingen vallen onder de bevoegdheid van de minister van Wetenschapsbeleid, nu PS’er Paul Magnette.

Swinnen is erg te spreken over het patrimonium van deze musea. ‘De mensen die er werken, zijn heel hoog opgeleid en stuk voor stuk specialisten in hun materie. Maar het management groeide niet mee met de tijd. De ontsluiting van de stukken laat erg te wensen over. Het lijken wel musea zoals we ze kennen uit de voorbije jaren 1950, met mooie stukken tentoongesteld achter glas. Wat bewaring betreft, bestaat er geen visie. De toestand van het materiaal is soms erbarmelijk. Ook politiek zijn ze absoluut niet mee geëvolueerd. Ze moeten voortdurend oppassen voor politieke gevoeligheden en taalevenwichten. Dat werkt zeer verlammend.’

Swinnen vergelijkt met de evolutie van het museumlandschap in Vlaanderen. ‘Wij mogen daar internationaal mee uitpakken. Musea als Mu.ZEE, Muhka, Museum M, SMAK en andere leveren uitzonderlijk knap werk. Maar voor de federale culturele instellingen brengt Vlaanderen geen belangstelling op. We laten ze maar wat aanmodderen.’

Die werken in een vage zone zonder raad van bestuur, transparantie of toezicht. Swinnen noemt Michel Draguet, directeur van de genoemde Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. ‘Welke weg wil die man uit? We weten alleen dat hij zijn personeel zwijgplicht oplegt en eigenmachtig beslissingen neemt. Hij moet maar aan één man verantwoording afleggen.’

Dat is aan Philippe Mettens. Deze gewezen kabinetschef voor verscheidene PS-ministers is nu plaatsvervangend burgemeester in Vloesberg, waar hij de sjerp warm houdt voor de Waalse minister-president Rudy Demotte. Sedert 2002 zit Mettens de Federale Raad voor Wetenschapsbeleid voor. Met Draguet-Mettens-Magnette heeft de PS deze instellingen stevig in handen. Swinnen daarover: ‘Er wordt wel eens geklaagd over de grote macht van de PS. Als die partij veel stemmen haalt, mag ze van mij macht hebben. Maar dat ze er ook iets mee doet dat artistiek, cultureel en maatschappelijk relevant is. Dat gebeurt in deze sector absoluut niet.’

Electrabel/Magrittemuseum

Johan Swinnen deed recent de ronde van deze instellingen en sprak met vele betrokkenen. ‘Die trokken dikwijls de wenkbrauwen op als ik hen vroeg naar de toestand van hun museum, verbaasd als ze waren dat iemand daar überhaupt belangstelling voor opbrengt. Dat leek haast verdacht. Vlamingen beklaagden zich over de stilstand en het feit dat zowat ieder initiatief wordt gefnuikt. Laat ik het Filmarchief met de CINEMATEK als voorbeeld noemen. Elk voorstel van de ene taalgroep wordt maar uitgevoerd als er een tegenproject van de andere tegenover staat.’

Draguet is toch de man van het succesrijke Musée Magritte Museum? ‘Een toevalstreffer’, zegt Swinnen. ‘Alle Magrittestukken werden uit de diverse collecties samengebracht. Met Magritte heb je uiteraard een gemakkelijke publiekstrekker. Maar vergeet niet dat Electrabel in de middelen voor dit initiatief voorziet, in een poging om via de cultuur de politiek wat te paaien. Een echte museologische visie zit daar niet achter.’

In 2014 zal het een eeuw geleden zijn dat de Groote Oorlog losbarstte. ‘Vlaanderen werkt al jaren aan diverse projecten om die gebeurtenis groots en breed onder de aandacht te brengen. Het Legermuseum zit wat doelloos rond te kijken. Wat gaat het daar mee doen? Niemand die het echt weet. Ik ben benieuwd!’

De boel opsplitsen dan maar? Swinnen is daar geen voorstander van. ‘De collecties lenen zich daar niet voor en zouden verbrokkelen. Een bi-communautair beheer is ook geen waarborg voor succes, zoals het kunstencentrum Flagey in Brussel leert. Dat kostte een hoop geld, maar niemand moet tot heden verantwoording afleggen voor wat er mee gebeurde.’

Onderzoekscommissie

Vooraleer orde op zaken kan worden gezet, zou het niet mis zijn om enige kijk op de zaak te krijgen. ‘Welke budgetten worden ingezet, wat gebeurt er momenteel, wat omvat het patrimonium, welke plannen bestaan er? Op al die vragen moeten antwoorden worden’geëist, vindt Swinnen, die bij betrokkenen meermaals de verzuchting hoorde dat een heuse onderzoekscommissie erg op haar plaats zou zijn. ‘Als wij in een Vlaams museum enkele duizenden euro’s buiten ons budget gaan, krijgen we een regeringscommissaris op de nek. In de federale culturele instellingen weet niemand bij benadering wat er gebeurt en hoeveel het kost.’

Swinnen suggereert deze musea te beschouwen als de erfenis van België, van wat ooit is geweest. ‘Maar moeten die musea nog bijkopen? Nu heb ik de indruk dat vooral Brusselse kringen die Belgische musea als de hunne beschouwen en daarin de kern zien van een later eigen Brussels cultureel patrimonium.’ Het culturele luik van het groeiend Brussels separatisme als het ware.

Toch even peilen bij Johan Swinnen naar het cliché dat kunstenaars per definitie anti-Vlaamse Belgicisten zijn. ‘Laat ik eerst zeggen dat kunsten en cultuur echt floreren in Vlaanderen. De Vlaamse overheid biedt kunstenaars veel mogelijkheden en die maken er ook dankbaar gebruik van. Toch merk je inderdaad bij veel artiesten een soort nostalgie naar de Belgische tijden. Kunstenaars als schrijver Erwin Mortier die het cultuurbeleid weer naar het Belgische niveau willen brengen, vormen toch een minderheid. Er kan zeker kritiek worden uitgebracht op de cultuurpolitiek in Vlaanderen, maar de meeste kunstenaars erkennen dat er in grote lijnen zeer goed werk wordt geleverd en dat ze vooral veel te verliezen hebben als alles weer Belgisch zou worden.’

En toch anti-Vlaams? ‘Kunstenaars zijn bang voor bekrompenheid, vrezen grenzen en afsluiting. Een kunstenaar moet weerbarstig zijn en trekt tussen A en B nooit de kortste, rechte lijn. Iemand als fotograaf Carl De Keyzer trekt de hele wereld rond op zoek naar locaties voor zijn foto’s en toont die dan in primeur op het strand van Oostende. Wat wil je meer? Kunstenaars die Vlaanderen vereenzelvigen met geslotenheid worden uiteraard anti-Vlaams.’

Slim en toch Vlaams?

Daarom werd Swinnen actief in de Gravensteengroep. ‘Het is mijn missie om te getuigen van een open Vlaanderen dat gericht is op de wereld , inclusief op het Zuiden. Vlaanderen moet zijn kunstenaars de hele wereld rond sturen en kunstenaars uit de hele wereld naar hier lokken.’

Wordt hij wel eens aangesproken op zijn inzet binnen die Gravensteengroep? ‘Ja, zeker ook op de VUB. “Maar Johan toch, zo’n slimme mens als gij, wat doet gij in zo’n groep?”, klinkt het verbaasd. Zeker aan zo’n instelling als de VUB krijg ik steevast de vraag wat wij van plan zijn met Brussel. De bezorgdheid leeft dat Vlaanderen Brussel opgeeft en niet meer naar instellingen als de VUB zal omkijken in de toekomst.’ Anderzijds, merkt ook Swinnen, keren vele Brusselaars, ook Nederlandstalige, zich graag naar een soort mythische visie op Brussel als apart gewest.

‘Toen ik directeur was van het Hoger Instituut van Schone Kunsten (HISK), op een zucht van Berchem-station, maakte ik een afspraak met Frie Leysen van het Kunstenfestivaldesarts. Onze studenten kregen een treinticket en een inkomkaart voor een kunstactiviteit in Brussel aangeboden. Het budget is nooit aangeraakt. Zelfs hoogopgeleide jonge kunstenaars kwamen niet in beweging om naar “het verre” Brussel te gaan vanuit Antwerpen.’

Swinnen ziet de feitelijke scheiding tussen Vlaanderen en zijn hoofdstad met lede ogen aan. ‘De meeste personeelsleden van de VUB wonen niet in Brussel. In de pers komt Brussel meestal negatief aan bod. Onze eigen hoofdstad lijkt in het buitenland te liggen.’

KADER

Erasmus op 100 meter

Johan Swinnen studeerde fotografie en film aan de Hogeschool Sint-Lukas in Brussel, cultuurwetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel en promoveerde in de kunstgeschiedenis aan de Universidad de La Laguna. Deze professor hedendaagse geschiedenis aan de VUB was en is betrokken bij vele culturele initiatieven. Aan de Sorbonne geeft hij op regelmatige basis gastcolleges. Hij blijft ook actief als fotograaf en publiceert onder meer over fotografiegeschiedenis. Voor de VRT verzorgt hij een blog.

Op de VUB geeft hij ook les aan Franstalige studenten van de ULB in het kader van Erasmus, het Europese uitwisselingsproject voor studenten. Vreemd toch, als je weet dat de ULB-gebouwen honderd meter verder liggen. Swinnen: ‘Toch zijn zij even buitenlands als mijn Spaanse of Finse studenten. Zij kijken naar andere films, luisteren naar andere muziek. Mijn college beeldcultuur staat even ver van wat zij leerden aan de ULB als wat een Duitse student in Heidelberg ziet. Het eigen karakter van het Vlaamse onderwijs bestaat echt, wat uiteraard geen waardeoordeel inhoudt. Ik streef met velen naar excellentie.’

Peter De Roover was achtereenvolgens algemeen voorzitter en politiek secreteris van de Vlaamse Volksbeweging , chef politiek van Doorbraak en nu fractievoorzitter voor de N-VA in de Kamer.

Meer van Peter De Roover
Commentaren en reacties