fbpx


Cultuur

Belgische dagen

Dagboekaantekeningen (60)


België

Zondag 28 november Bezoek aan het vaderland der vaderlandlozen. Voor het eerst in lange tijd weer aan boord van een ferry, een kolossale hoeveelheid ijzer die The Pride of Burgundy heet en zich losmaakt van de kalkrotsen om de eenentwintig mijl naar het cartesiaanse Frankrijk af te leggen; de boeg doorklieft de grijze klotsende oersubstantie van mijn oudste herinneringen, die ik meer voel dan me werkelijk herinner: de Noordzee draagt me, ik herhaal de mythische oversteek, ergens zijn mijn ouders,…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Zondag 28 november

Bezoek aan het vaderland der vaderlandlozen.
Voor het eerst in lange tijd weer aan boord van een ferry, een kolossale hoeveelheid ijzer die The Pride of Burgundy heet en zich losmaakt van de kalkrotsen om de eenentwintig mijl naar het cartesiaanse Frankrijk af te leggen; de boeg doorklieft de grijze klotsende oersubstantie van mijn oudste herinneringen, die ik meer voel dan me werkelijk herinner: de Noordzee draagt me, ik herhaal de mythische oversteek, ergens zijn mijn ouders, alles is opwindend; ik ben veilig in deze stalen baarmoeder. Ik kijk naar de grisaille die het continent onzichtbaar maakt. Daarin zijn onlangs een stuk of dertig misleide medeschepselen verdronken.
Daarna snelwegen in de regen: de kletsnatte overvolle leegte tussen Calais en Brussel.
We logeren in het ruime appartement van onze vriendin Anna en onze Franse vriend Daniel Cunin, die geregeld in een luid gelach uitbarst, zijn hand door zijn  filmsterrenkuif kamt en met zijn lichtgevende blauwe ogen Joy onder het hoge plafond richting haar jeugd laat zweven; als vertaler is hij de postillon d’amour tussen onze letteren en Frankrijk.  Kamermuziek overstemt het plakkerige gonzen van het verkeer in de Brugmannlaan. We heffen het glas. We zijn thuis.

Maandag

Joy is voor het eerst in vele maanden op kantoor; ik rijd naar Leuven, waar Luuk Gruwez op me zit te wachten in de Gambrinus. Tussen mijn parkeerplaats en het café zie ik tientallen neerslachtig stemmende Engelse opschriften: het is alsof een infectieziekte zich op de weerloze stad heeft gestort, een fungus zijn schimmeldraden over de gevels heeft gedrapeerd. Ik voel weerzin tegen dit Vlaanderen, dat zichzelf veracht en zijn verachting vervolgens overschreeuwt.
Luuk zit trouwhartig te wachten, meermaals weerspiegeld boven de lambriseringen. We omhelzen elkaar. Het toekomstige omhelzen van zoveel vrienden deze week verschijnt voor mijn geestesoog en is alweer voorbij – zo verstrijkt de tijd soms: vooraf.
Koffie. Een toast kannibaal. Een glas bier. De literatuur wordt gefileerd. Hij en ik genieten van het kaartspel der volzinnen: beurtelings gooien we een diepzinnigheid, citaat, kwinkslag op tafel.

Etenstijd

Gevieren eten we moules frites in een Brussels restaurant. Dit dineren is een vorm van oorlogsvoeren: met een schelp als tang trek je de volgende tegenstribbelende mossel los, het elastiek knapt, het vlees moet zijn postume verzet opgeven. Dan, verzadigd, overschouw je het slagveld, de berg lege harnassen, het toneelbloed van de ketchup, de hele opdringerige metaforiek…
Tegen de consumptie van deze weekdieren zou een gevoelige ziel een pamflet moeten schrijven.

Dinsdag

Naar Gent in het krankzinnige verkeer. Afspraken in die stad met Yves, Bart, Simon, Carl, Marc en Geraard. Ik ben nog geen drie dagen onderweg en ik heb nu al het gevoel dat ik op tournee ben – maar alle gesprekken zijn hartverwarmende demonstraties van vriendschap en betrokkenheid bij elkaars persoon en werk. Plannen worden gesmeed; overtochten naar Sussex beloofd; reizen gefantaseerd. Intimiteit komt ter tafel: huwelijken vallen in gruzelementen en worden onmiddellijk weer gelijmd; kinderen slaan de jaren van onze scheiding over en poseren voor papa’s telefoon.
Barts dochtertje was een en al vijfjarige aanbiddelijkheid, die in liefde voor Roffel ontbrandde – ‘Er staat nog altijd een foto van haar op de schouw, met haar armen om zijn nek’ – en is nu een negenjarige voorafschaduwing van de Lolita die haar chromosomen in petto hebben.
‘Ik zou me maar vast bezorgd maken,’ zeg ik half schertsend, maar die scherts is als de  paarsblauwe schelp die vergeefs tracht haar mossel te beschermen tegen mijn honger.
De vertederde glimlach van de vader maskeert de erfelijke angst van de verwekker. Hoeveel ongewenste pretendenten zijn mij bespaard gebleven, in welke stikdonkere nachten had ik mij voorstellingen liggen maken van datgene waarbij ik per definitie ongewenst was? Een jongeman vergreep zich aan haar, hoewel ze dat zelf wilde, maar ze had niets te willen, want ze was mijn dochter; ook zijn tederheid was aanranding – en zo, in de vortex van mijn atavistische mannelijke bezitsdrift was ik erger dan mijn gefantaseerde vijand… Het is allemaal niet gebeurd. Een veel grotere werkelijke vijand heeft mijn kind verkracht.

Etenstijd  

In de schaduw van het Gravensteen (ik ben nog steeds in Gent) moet ik wachten op Marc en Geraard om het menu te kunnen lezen, want dat verbergt zich in de doolhof van een QR-code, waar ik als telefoonloze niet binnen kan. ‘We hebben geen papieren menu, meneer,’ zegt de serveerster. ‘Hebt u echt geen telefoon?’
‘Nee. U moet weten dat ik in Cro-Magnon woon.’
Op haar aardige jonge gezicht spelen hulpeloosheid en achterdocht tikkertje. ‘Is dat in België?’ De vraag valt op de kale tafel, waaraan ik me ogenblikkelijk zit te schamen voor mijn inferieure superioriteit.
Marc komt, Geraard komt, we bestellen, de wijn vloeit enthousiast naar binnen. Onze belangrijkste gespreksonderwerpen zijn de vraag of je Zemmour als een Joodse fascist kunt omschrijven en in hoeverre Orwells proza genietbaar is. Het oxymoron ontglipt ons, we verdwalen in een definitie van fascisme als in een QR-code; over Orwell lopen de meningen uiteen: ‘Heren, die Orwell is een pretentieuze schoolmeester,’ zegt Marc.
‘Heb je hem wel gelezen?’ zegt Geraard.
‘Nee. Ik lees geen schoolmeesters. Schrijvers die je niet gelezen hebt, kun je over het algemeen het beste beoordelen.’ Gelach van twee baritons en een tenor. Met een uiterste wilsinspanning strek ik mijn hand boven mijn wijnglas uit.
‘Aan het slot van Nineteen Eighty-Four voorspelt hij toch maar het knevelen van de verbeelding,’ zeg ik.
Heb medelijden met dat kostbare creatuur, opgesloten in een kooi van toegestane woorden! Net als bepaalde wilde dieren zal ook de verbeelding zich in gevangenschap niet voortplanten, lezer.

Woensdag

Joy en ik zitten bij de notaris als een bedremmeld boerenechtpaar uit de dagen van de meer dan levensgrote Corsicaan, wiens wetboek veronderstelt dat wij niet kunnen lezen of schrijven, zodat meneer de notaris alles – het is een bekende rituele kwelling – moet voordragen, wat op het duistere proza trouwens geen enkel licht werpt. Hij is Franstalig, maar spreekt goed, wat zeg ik, accentloos Nederlands. Voor zijn collega op het computerscherm geldt hetzelfde. (Je kunt dus beter een huis verkopen dan ziek worden in de hoofdstad, want in Brusselse ziekenhuizen heb je twee mogelijkheden: je spreekt Frans of je wordt behandeld als een koe door een veearts.)
Radicale verandering van decor: het notariaat verandert in de Theologische Faculteit, waar ik meer dan veertig jaar geleden een blauwe maandag heb rondgehangen, na mijn studie Engels en Engelse meisjes. Er zitten tien studenten in het zaaltje, maar dankzij een zoomverbinding luisteren er nog dertig mee.
Ik steek een paar vuurpijlen af. Je moet, zo betoog ik, in de religie allereerst doen alsof – het hogere veinzen schept het goddelijke, dat daarna pas echt wordt, in het geval van de gevorderde gelovige althans. Kijk uit voor mensen bij wie het omgekeerd werkt. Enig rumoer, geschuifel van stoelen. Je moet ook, vervolg ik, doen alsof je een goed mens bent; daar word je een minder slecht mens van. Het is niet anders met kunst, die een methode is om de werkelijkheid te verbeteren. Muziek doet alsof je de herrie van de wereld – die niet aflatende sequentie van min of meer irritante geluiden – kunt opheffen. Et cetera.
Handen als wapperende vlaggen. Ik stoei met de orthodoxie…
Maar intussen is daar de jonge vrouw van de techniek. Ik kijk naar haar terwijl ik over de godsdienst klets. Ze glimlacht net lang genoeg om haar na afloop mee te vragen naar het café om de hoek. We praten over haar mislukte huwelijk, een onderwerp dat me verveelt, maar ik laat me welbewust bedwelmen door de nectar van haar Vlaamse stem – ontsnapt uit mijn groene Engelse graafschap doe ik (tegenover mezelf) alsof ik verliefd op haar word; dan staan we op, wandelen naar mijn auto, ik geef haar een kusje op haar wang, wens haar een betere man toe, rijd naar de Brugmannlaan… dit alles terwijl ik doe alsof ik een goed mens ben.

Donderdag

Meer vrienden, een dichter, een schilder, een criticus.
Frank Hellemans trakteert me in Mechelen op een lunch voor mijn verjaardag – de kritiek verwent de literatuur zowaar! We voeren een gesprek van generatiegenoten, waarin onze zoons elkaar tegenkomen, onze boeken in elkaars kast staan, het soort gesprek dat geen voetnoten nodig heeft.
Bij Vanriet is de tafel volgeladen met mediterrane subtiliteiten: de roze ham (van een anorectisch Italiaans varken) laat licht door, dof glanst de lamp in het zwart van de olijven – ik eet het stilleven van een fijnschilder. Op de knapperige korst van het brood breekt een hoekje van een kies af, dat ik op de rand van mijn bord leg in afwachting van de juiste tint ivoor.
We praten over de autobiografische elementen in zijn voortreffelijke roman Rovers, die onbegrijpelijk genoeg amper is besproken. Daarna laat Jan me zijn nieuwe atelier zien, waar meer dan tweehonderd voortreffelijke schilderijen over het beleg van Leningrad staan te wachten op het einde van de pandemie, die nog altijd minder erg is dan het beleg van Leningrad.
En nu rep ik me al naar een kroeg op het pleintje om de hoek: daar wacht Max Temmerman, die me zijn nieuwe dichtbundel overhandigt, Koninklijk Circus getiteld, een voortreffelijk werkstuk, kan ik u verzekeren…
Stop, stop… ik heb te veel vrienden, die voortreffelijk werk maken en voortreffelijke mensen zijn – is het denkbaar dat ik te veel voortreffelijke vrienden heb? Wat een onzinnige gedachte.

Vrijdag

Na een dag in Antwerpen en een nacht in Brussel ga ik in Sint-Joris-Weert bij Geert langs. Hij is niet thuis. Ik drink thee met zijn vrouw. Vertrek dan – ik moet terug naar Antwerpen, waar ik opnieuw in een restaurant heb afgesproken. Maar langs de spoorweg komt de verwaaide gestalte van mijn vriend me tegemoet: hij gaat zijn koffer pakken, vervolgens een sleutel halen bij zijn zwager in Bierbeek; daarna neemt hij de trein naar Oostende. Ik stel voor samen die sleutel te halen, ik kan hem in Antwerpen op het station afzetten, zodat we nog wat tijd hebben om in de auto te praten.
Dan geschiedt het verbazingwekkende: hij kan het huis van zijn zwager niet vinden, die toch al vijftig jaar op dezelfde plek woont, op een ademtocht van zijn eigen huis. We rijden heen en weer, langs een Delhaize, punt van oriëntatie – geen zwager; er zou een tweede Delhaize moeten zijn, volgens een inboorling; ik draai opnieuw om – geen tweede Delhaize.
Ik breng hem terug. Onderweg ontleedt hij de Reden an die deutsche Nation van Fichte, zijn lectuur deze week. Van Istendael blijft ook in zijn verwarring Van Istendael, zoals God overal God blijft, in een kribbe of in een kerk, en de koningin van Engeland de koningin van Engeland, in Buckingham Palace, het volkslied of de fantasie van de massa.  
Mijn dolle rit eindigt aan een tafel op het Conscienceplein. Hartelijk weerzien met Rolly en Bart. Ieder weerzien deze week is hartelijk – de pandemie heeft alle vriendschappen uitvergroot, tot in hun buitenlandse vertakkingen. Tussen wijn en fazant overhandigt Bart me een exemplaar van The Burgundians, bestemd voor John Crook, met wie hij een paar jaar geleden in Brede over zijn toen nog onvoltooide boek sprak, de ene geniale onderwijzer tegen de andere. Het is alsof hij een fabeldier bij een Bourgondisch banket opdient, een geroosterde pauw die weer in zijn verenkleed is gehuld, met vergulde poten en een brandend vuur in zijn snavel. Barts geestdrift maakt het onmogelijk jaloers op hem te zijn wanneer hij vertelt over de juichende pagina’s in Britse kranten – in mijn kranten!

Zaterdag

Van Mark Coenen verneem ik dat hij zijn huis in Le Marche te koop heeft gezet, het boerenhuis met de hagedissen, de druiven, de Puccini, de Crivelli en het uitzicht op de conische heuvels van Le Marche, waar ik een week lang volmaakt gelukkig ben geweest. Als Sussex niet de mooiste plek op aarde was, was Le Marche de mooiste plek op aarde. Vraagprijs 390.000 euro. Ik moet gewoon nog twee appartementen in Brussel verkopen. Zelf heeft hij een hoop oude stenen in het dorp gekocht, waaruit hij een nieuw huis wil construeren, de Belg.

Zondagavond

Daniel en Anna hebben een dozijn vrienden uitgenodigd om Daniels verjaardag te vieren. Het is het ideale Brussel van provincialen die elkaars provincie bezoeken. Ik spreek Nederlands met een Franstalige die ook Afrikaans kent. We zingen in diverse talen. We eten sushi met kosmopolitische stokjes. Nog smakkend raak ik in een gesprek met een Hollandse zangeres, een mezzosopraan. Ze heeft zwarte krullen en rode lippen en heet Lotte, of liever gezegd, ze is uitgedost met de naam Lotte, ze draagt dat Lotte als een veren boa; en het vibreren van haar keel brengt een reeks associaties op gang die beginnen met Goethe en eindigen met de dochter van Peter…
‘Tu aimes trop la littérature! Elle te tuera.’

Maandag

Op de thuisweg van Dover stop ik bij McDonalds. Het eethuis accordeert niet met mijn opvoeding, eruditie, goede smaak, belezenheid, blauwe theologische maandag, zoals u terecht opmerkt, maar ik heb honger.
Aan het belendende tafeltje zit een klein meisje met pijpenkrullen en een porseleinen huid, een vriendinnetje van Little Lord Fauntleroy – ze glimlacht, ik knipoog en wanneer mijn oog weer helemaal open is draagt ze een kanten jurkje met ruches en een strik rond haar middel en aan haar voetjes zijn rijglaarsjes gegroeid; ze zit zich lief te vervelen, we spelen samen het spelletje van glimlachen en knipogen… Onverdroten duimt de moeder door haar schriftrol: het Boek der Stompzinnigheid.

Dinsdag tot en met vrijdag

Quarantaine. Gedoe met mijn verplichte test, waarvan de uitslag verstoppertje speelt in het wereldwijde labyrint. Thuis heb ik al twee keer negatief getest. Ik denk dat ik mezelf maar ontsla, Boris.

Zondag 12 december

Ik zoom met mijn oude vriend Terry, die ik vorig jaar voor het laatst heb gesproken. Hij heeft inmiddels een herseninfarct gehad, is blind in één oog, zijn kop is opgezwollen van de cortisone, die zijn diabetes weer verergert – over deze anamnese babbelt hij opgewekt.
‘Hoe voelt zo’n infarct?’
‘Je zit achter je computer en opeens ontploft die in je ogen. Dan lig je op de grond en bent gelukkig getrouwd. Ik bedoel: je hebt geluk dat je dan getrouwd bent, zodat ze een ambulance kan bellen.’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.