Buitenland, Cultuur

Benno’s Boekenkast

Gesprek met Benno Barnard, 23 juli bij hem thuis in Sint-Agatha-Rode.

Poesjkin bekende eens: ‘ik schijt verzen’. Hij moest uitkijken om niet in gewone dagelijkse conversaties in rijmen te spreken. En van Yourcenar zei men: ‘elle parle comme un livre’. Dat eerste doet Barnard niet, maar dat tweede wel. Als hij spreekt – il parle en prose – dan is dat proza klaar om gedrukt te worden. Wat volgt is dus niet een samenvatting, maar een transcriptie van ons gesprek over zijn bibliotheek. Ik zou niet weten wat eraan veranderd moet worden. Alleen heb ik het gesprek in twee stukken geknipt. Hij begint:

DEEL I.

Mijn bibliotheek is dus een beetje zoals het Gallië van Julius Caesar, verdeeld in drie delen. Hier in mijn werkkamer de werkbibliotheek, en dan heb je de kinderbibliotheek, en wat dan boven is, zijn de overige dingen inclusief de Nederlandse poëzie. Hier dus Italiaans en Spaans en de klassieken die ik ooit heb kunnen lezen, dus Grieks en Latijn, maar dat kan ik niet meer. Hongaren, erg goeie literatuur, zeker van de eerste helft van de twintigste eeuw. En dan hier het belangrijkste Duits, het belangrijkste Frans, en dan Engels, maar uitsluitend poëzie. Boven in de kamer staat Nederlandse poëzie, en nog allerlei andere boeken die ik minder dringend nodig heb, of denk te hebben.
En dan is er ook nog een Kolonie, een Engelse bibliotheek die ik van mijn vader heb geërfd en die ik hoop uit te stallen in het nieuwe huis, ik zocht dus een huis om die bibliotheek in… maar die staat nu nog bij mijn zus in Utrecht. Dat is een schitterende Engelse bibliotheek van twee- of drieduizend boeken. Dit stelt allemaal niks voor hoor [wijst op zijn werkbibliotheek, waarin ik toch bijvoorbeeld anderhalve meter boeken zag staan van het prachtige Privédomein], dit is maar een piepklein bibliotheekje.
Het bijzonderste aan mijn bibliotheek is mijn kinderboekencollectie. Dit hier is niet bijzonder. Dit is nuttig, praktisch… ik heb een redelijk grote bibliotheek Nederlandse poëzie, redelijk wat Engels ook, maar die bibliotheek van mijn vader is literair de interessantste. Ik ken ze natuurlijk van mijn kindertijd, om te beginnen de ruggen. Maar het bijzonderste wat ik heb, en wat niemand anders heeft, is die collectie Engelse kinderboeken.
Uitsluitend Engelse kinderboeken?
Ja, en daar heb ik dus een huis omheen gekocht, dat overigens uit 1680 dateert, dat vond ik gepast bij een wat serieuze Engelse bibliotheek. [Barnard verhuist binnenkort naar zijn geliefde Engeland]
Dus nog van voor Dr Johnson?
Nee… heu ja. Sorry, van voor Dr Johnson, de tijd van Samuel Pepys en Dryden en Purcell en dat soort mannen. Een mooie periode, net na de Restauratie, na de verschrikkelijke aartsvijand Cromwell. Toen ik met vader eens in Ely was, waar Cromwell vandaan komt, je zit daar dus midden in de Fens, niet zo ver van Cambridge, en toen kwamen we langs het museum van Cromwell, zijn oude woonhuis. Ik zei, kom daar gaan we kijken, maar mijn vader zei in gemeende woede: ik weiger één voet te zetten in het huis van die man. En vervolgens kwamen we in het museum van de stad Ely, en daar raakten wij aan de praat met de conservator. Maar in zijn familie, dat bleken volgelingen van Cromwell te zijn, dat waren Roundheads. Waarna er net geen handgemeen ontstond tussen hem en mijn vader, want wij steunen koning Charles!
Enkele jaren toch na de echte gebeurtenissen.
De schoonheid van Engeland is: alles gebeurt altijd nu. Vandaar dat er zoveel tijdreizen zijn in Engelse kinderboeken. Dus dat huis dat ik heb gekocht dateert van vlak voor de mooiste revolutie uit de geschiedenis…
De Glorious Revolution, waar Burke in lovende termen over spreekt.
Uiteraard. Ja, de Glorious Revolution, 1689. Dus dat is allemaal heel goed geregeld nu, en je weet, ik ben een Burkiaan. Je hebt echte revoluties, met bloedvergieten en alles, maar de Glorious Revolution is een conservatieve revolutie, voor het behoud van de Anglicaanse kerk, tegen de macht van Rome én tegelijkertijd tegen de puriteinen. Dus het hield prachtig het midden, dat ik zeer bemin.
Maar die Engelse kinderboeken, mijn vader gaf ons die boeken altijd, maar hij las ze wel altijd eerst zelf. Hij kocht die als we in Engeland waren, of toen we er woonden uiteraard, dus ik heb bijvoorbeeld veel van die eerste drukken van de Narnia Chronicles, C.S. Lewis. Die heeft hij indertijd gekocht, niet bevroedende dat die zoveel jaar later per stuk minstens duizend pond waard zijn. Dat is een krankzinnige business. Ik ken nogal wat verzamelaars in Engeland en Amerika, en veel van die verzamelaars worden op een gegeven moment ook boekhandelaar, want er gaat ook zo veel geld om, en die kinderboekensectie is misschien wel de allergrootste. Zoals iemand me uitlegde: het is heel simpel, op een gegeven moment word je vijftig en nostalgisch, en als je bent opgevoed met Engelse kinderliteratuur, dan ga je dát verzamelen, althans dat gebeurt veel. Bij mij liep het iets anders. Ik erfde die bibliotheek en heb die hier gezet en begon uit nostalgie dingen te herlezen en ben pas dan gaan verzamelen. Dus dat begint in de zeventiende eeuw bij Isaac Watts, met The moral and divine songs, tot Harry Potter in mijn geval. Watts, dat zijn vreselijk stichtelijke versjes hoor, voor kinderen, alhoewel die een heel goede hymn writer was, prachtige hymns geschreven die nog altijd gezongen worden. En daar staat een prachtig gedichtje tussen …wacht ik zoek het even.
Hier, kijk het is een exhortatie tegen Idleness and Mischief, met hoofdletters natuurlijk.

How doth the little busy bee,
Improve each shining hour,
And gather honey all the day,
From every op’ning flow’r! enzovoort.

En de grap daarvan is dat Lewis Caroll, die heeft dat gedicht geparodieerd en hoe ging dat alweer… How doth the little crocodile, in The Hunting of the Snark. Dus dat loopt allemaal door, en in de kinderliteratuur wordt er net als in de volwassenliteratuur geciteerd, en verwezen naar, en geparodieerd enzovoort, enzovoort.
Wat is dit voor een boek?
Ja, dat is een handboek, written for children, van John Rowe Townsend. Een van mijn krankzinnige plannen is een geschiedenis van Engeland schrijven aan de hand van de kinderboekenliteratuur. En dan de fenomenen van de tijdreis bijvoorbeeld, of de soms cryptische humor die voor kinderen niet toegankelijk is, zoals Winnie-the-Pooh. Winnie-the-Pooh is voor kinderen niet grappig. Ik bedoel niet de Walt Disney-versie, de echte Winnie-the-Pooh. Weemoedig, na de Eerste Wereldoorlog geschreven, veel dingen dateren ook uit de loopgraven. Enfin. Ik bezit dus een aantal van die eerste drukken, met je weet wel, de versjes van When We Were Very Young en Now We Are Six, overigens een gesigneerd exemplaar. Dat is helemaal zeldzaam. Maar er zit ook een soort filatelie in hoor, in dat verzamelen. Het verschil met postzegels is dat de inhoud interessanter is.
Ik zag eens in Londen, bij een ‘bouquiniste’ als ik dat zo mag zeggen, een vergeelde Wodehouse liggen, met een gescheurd schutblad, maar ik had die Wodehouse nog niet, en ik las £4.95. Goed, dat was verkocht dacht ik en ik gaf aan de man achter de kassa een briefje van vijf pond. ‘Sorry sir, I am afraid there is a mistake. It is 495 pounds.’ Ik verontschuldigde me, maar ‘Oh, no problem at all, sir.’ Daar stond ik dan als stomme continentaal.
Oh, een eerste druk waar jij je klamme hand op had gelegd! Jaja. Nu, het grappige is dat in de zogenaamde lichte literatuur, ik heb het nu over de Engelse literatuur, dat ik die vaak het briljantste Engels vind. Wodehouse is een prachtig voorbeeld. Die verhaaltjes zijn poepsimpel en grappig en luchtig, maar dat Engels is uitermate complex. Nou heb ik gelukkig een Engelstalige vrouw en dan vraag ik: wat betekent dit? en dan weet zij het ook niet en dan voel ik me niet gefrustreerd.
Ja heel moeilijk, en gecodeerd in een idioom van een tijd die in zijn eigen tijd al voorbij was.
Voorbij en goeddeels fictief, want hij verzon een soort Engeland dat als dusdanig nooit bestaan heeft. Maar je hebt die schitterende dialogen tussen Bertie Wooster en Jeeves waarbij Jeeves uiteraard de grotere woordenschat heeft.
Ja, de woordenschat van Bertie is niet echt uitgebreid.
Die is nogal beperkt, dat wordt een soort running gag in die boeken.
Ik las hem eerst in het Nederlands, Prismaboekjes, zelfs een keer in het Frans want ik was gek op die verhalen, en dan in het Engels, maar er zijn heel veel schrijvers die gemakkelijker zijn dan Wodehouse.
Absoluut, absoluut. Nee hij schept een soort behagen, die Wodehouse in het gebruik van …het exhaustief gebruik van de Engelse taal. Zoals Auden dat ook deed, maar natuurlijk vooral Joyce. En nu vind ik Joyce overigens …ik ben niet dol op Joyce. De Dubliners en Portrait of the Artist misschien, maar niet Ulysses en dat soort naar mijn smaak onleesbare…
Voor mij ook, ik vond het maakwerk…
Ja, nee daar houd ik niet van.
Niet zeggen aan Rondas want die is daar gek op!
Ja, het staat heel chic om daar gek op te zijn.
Bij hem is dat niet om chic te doen hoor.
Goed, maar ik mis de cryptogram-lob in mijn brein daarvoor.
Ja, ik ook.
Terwijl ik wel altijd ieder woord zal opzoeken dat ik niet ken. Waar je dus knettergek van wordt, want daardoor gebruik ik regelmatig woorden waarbij Engelstaligen mij glazig aankijken.
Ja, de betekenis van woorden verschuift natuurlijk, ik merkte dat goed toen ik Burke vertaalde en dan soms een zin niet verstond, terwijl het toch allemaal gewone woorden waren die ik wel verstond. Hoe kan dat dan?
Jaja, je zegt dat nu wel maar een van mijn …wacht ik zal het even pakken. … Een van mijn meer bibliofiele edities is de eerste druk, in twee delen, in kalfsleder gebonden van Charles en Mary Lamb, Tales From Shakespeare, naverteld voor kinderen en gepubliceerd in 1807. 
Dus er bestond nauwelijks een kinderboekenliteratuur.
1807? Ja, maar dan was wel al de Bowdlerized version uit, hé?
[thuis keek ik dat na, en zag dat “The Family Shakespeare” van Thomas Bowdler in datzelfde jaar 1807 is verschenen “in which nothing is added to the original text, but those words and expressions are omitted which cannot with propriety be read aloud in a Family.”]
Jawel, maar ik bedoel: er bestond nog geen kinderliteratuur. Daarom werden bijvoorbeeld Gulliver’s Travels en Robinsoe Crusoe kinderboeken, omdat ze niet al te moeilijk waren. En dat fenomeen is lang blijven bestaan. Vaak zegt men: Jane Austen, dat is eigenlijk kinderliteratuur. Veel boeken van Dickens ook, weet je. Dat is heel interessant, maar omgekeerd ook. Harry Potter bijvoorbeeld, daar bestaan volwassenenedities van, waarbij alleen de omslag anders is, dus dat loopt veel door elkaar heen. Maar wat ik wilde vertellen, die Tales From Shakespeare, die voornamelijk door Mary Lamb zijn naverteld op basis van het origineel en met gebruikmaking van de woordenschat van het origineel, in proza, prachtig geïllustreerd met kopergravures en zo [bladert door deel één van het werk], die werden allemaal toegeschreven aan Charles Lamb, omdat het nog een tijd was dat je als vrouw natuurlijk geen boeken behoorde te publiceren. Het interessante daarbij is dat Chris [Benno’s zoon] dit boek op zijn Frans-Engels internationale school gebruikt. Ze hebben daar een stuk of acht stukken van Shakespeare bestudeerd, en iedere keer als er een nieuw stuk was, las hij eerst de navertelling van Mary en Charles Lamb. In weliswaar een pocketeditie, niet in deze editie. Maar dat dus een boek dat tweehonderd jaar bestaat, for the use of young persons, nog vrij recent door een young person door mij verwekt werd gebruikt, nou dát is een grote cultuur.
En dat zal natuurlijk inhoudelijk goed zijn, maar ook nog perfect leesbaar. Ik bedoel, Engels van tweehonderd jaar geleden is perfect leesbaar, Nederlands veel minder. Daar is niets aan te doen.
Ja, ik denk dat we dat zelf in onze handen hadden, onze modieusheid, ons geknoei met de spelling.
De omvang van het taalgebied zal toch ook een rol spelen?
De omvang van een taalgebied heeft niets te maken met de mate waarin een taal conservatief is. IJslands is de meest conservatieve taal ter wereld, en dat zijn maar driehonderdduizend mensen die dat spreken.
Ja, maar die kunnen daar helemaal niet af, van dat eiland!
Ja goed, maar dat die taal vrijwel onveranderd is gebleven, Oudnoors met naamvallen en al, dus dat is voor Denen en Zweden vrijwel onbegrijpelijk, en dat is hún taal maar dan van zeven of achthonderd jaar eerder. Maar waarom het met het Nederlands dan wel zo is, ik schrijf dat toe …ten eerste wij hebben heel lang geen vaste spelling gehad, wat heel slecht is voor een taal, dat zorgt voor een soort corrosie, en ten tweede de modegevoeligheid van vooral de, de Hollanders. Je weet, er is een brief van James Boswell, de biograaf van Dr Johnson, door jou eerder genoemd. Die heeft in Nederland gezeten. Heeft hij onder andere in Boswell in Holland over geschreven, en heeft redelijk goed Nederlands geleerd. We hebben het dus nu over de achttiende eeuw. En er bestaat een… ten eerste bestaat er een aantekening in Boswell in Holland, waarin hij schrijft dat hij het zo raar vindt dat de Nederlanders het soort neiging hebben om voor alles Frans te gebruiken.
Toen wel nog, ja.
Puntje puntje puntje, beletselteken van twee eeuwen, en er is een brief van hem waarin hij schrijft: ‘ik heb zin in dit taal te schrijven.’ Precies het soort fout dat mijn Amerikaanse vrouw zou hebben kunnen maken, indertijd. Heel grappig. Goed, wat moet je nog meer weten?

Dit is het eerste deel van het gesprek, lees zeker ook deel II.

Foto (c) Reporters

Marc Vanfraechem

Marc Vanfraechem (1946) werkte voor Klara (VRT-radio); vertaler, blogger sinds 2003.

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Marc Vanfraechem?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans