Buitenland, Geschiedenis
Hongarije
P

Slachtoffers?

Boedapest en de herinnering aan het communisme (2)



In het eerste deel van dit relaas bezocht ik Terror Haza, het Huis van de Terreur en het ondergronds memoriaal voor 1956 bij het parlement. Het verhaal dat ik daar hoorde is stof voor mythe. Het steunt op een scherpe tegenstelling tussen een onderdrukkend machtsapparaat en een heldhaftig volk dat het bijna met blote handen opneemt tegen tanks – dat intimiderende wapen bij uitstek. Hongarije fundeert de legitimiteit van haar democratie nadrukkelijk op de strijd tegen het totalitarisme. Wellicht wil…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

In het eerste deel van dit relaas bezocht ik Terror Haza, het Huis van de Terreur en het ondergronds memoriaal voor 1956 bij het parlement. Het verhaal dat ik daar hoorde is stof voor mythe. Het steunt op een scherpe tegenstelling tussen een onderdrukkend machtsapparaat en een heldhaftig volk dat het bijna met blote handen opneemt tegen tanks – dat intimiderende wapen bij uitstek.

Hongarije fundeert de legitimiteit van haar democratie nadrukkelijk op de strijd tegen het totalitarisme. Wellicht wil premier Viktor Orbán, die nauw betrokken was bij de oprichting van Terror Haza, zich op die manier een imago van goede democraat aanmeten, op het ogenblik dat vanuit de Europese Unie kritiek komt op zijn beleid.

Maar wie een beetje vertrouwd is met geschiedenis weet dat zaken zelden zo eenvoudig in elkaar zitten als men achteraf denkt – of zoals een herinneringspolitiek ze reconstrueert. Feiten uit het verleden worden geselecteerd of laat men links liggen, historische figuren in de bloemetjes gezet of genegeerd, altijd in functie van hedendaagse politieke bekommernissen.

Het snelle doden

Op 4 november, verjaardag van het neerslaan van de opstand, neem ik de metro naar het plein van de Republiek. Dat is vandaag herdoopt tot plein Johannes Paulus II. Daar bevond zich, tegenover het Erkeltheater, het hoofdkwartier van de communistische afdeling van de hoofdstad. Het gebouw is vandaag in verval. Een dakloze slaapt met zijn have en goed in de ingang van het voormalige partijhuis.

Op 30 oktober 1956 hadden een vijftigtal agenten van de ÁVH – de politieke politie van het regime –  zich hier verschanst, onder leiding van trouwe partijman Imre Mezö, een veteraan van de Spaanse burgeroorlog. Een menigte wilde het gebouw innemen en het kwam tot een vuurgevecht dat drie uur duurde. De belegerde agenten gaven zich over. Mezö liep buiten met een witte zakdoek en werd prompt in de borst en in de benen geschoten. Ook wanneer zijn collega’s buitenkwamen, werden ze neergemaaid. De Amerikaanse journalist John Sadovy schreef in Life: ‘It was the fastest killing I ever saw’[1].

23 leden van de ÁVH kwamen om het leven, ondanks het feit dat ze met de witte vlag buiten liepen. Sommige lijken werden aan de voeten opgehangen. Wanneer ik op het plein rondloop, zie ik voor deze slachtoffers geen gedenkborden. Dit is een episode van de opstand die niet past in de huidige herinneringscultuur. Wie wel geëerd wordt is de Frans-Zwitserse journalist Jean-Pierre Pedrazzini van Paris-Match, die tijdens de schermutselingen werd getroffen door een kogel. Hij werd naar Parijs overgevlogen en stierf een paar dagen later. Zijn borstbeeld staat naast het theater, tegenover het partijgebouw.

Memento Park

hongarijeLuc Rasson/Doorbraak

Tijdens het regime vond elk jaar op 4 november een plechtigheid plaats voor de martelaren van de strijd tegen de ‘contrarevolutie’. In 1960 werd op het plein van de Republiek een standbeeld ingehuldigd: een vallende man strekt wanhopig zijn linkerarm uit terwijl hij naar de hemel kijkt – maar van daar komt geen redding. In 1983 kwam er ook een herdenkingsmuur met de namen van de slachtoffers.

Beide gedenktekens zijn ondertussen verdwenen, maar ik zie ze de dag erna in het ‘Memento Park’, buiten de stad. Daar zijn sinds 1993 beelden en gedenktekens van de communistische tijd samengebracht. Op het plein zelf herinnert niets meer aan de lynchpartij, behalve het borstbeeld van de Franse journalist. De 23 ÁVH-agenten zijn – definitief? – in de vergeetput van de geschiedenis terecht gekomen.

Dialoog in steen

Toch heeft de regering het monopolie niet op het historisch geheugen. Dat merk ik bij uitstek op Szabadsag Tér, het Vrijheidsplein, waar verschillende lagen van de herinnering via gedenktekens met elkaar in dialoog gaan. Om te beginnen zie je er het monument voor de bevrijding van de stad door het Rode Leger. Het werd gebouwd in 1945 en is een bescheiden versie van het reusachtige gedenkteken voor de bevrijding van Wenen door de Sovjettroepen, op de Schwarzenbergplatz. Een obelisk getooid met een gouden ster en een wapenschild met hamer en sikkel brengt in het Russisch en het Hongaars hulde aan ‘de Sovjethelden die de stad bevrijdden’.

Langs beide kanten van de obelisk lees ik op een muur de namen van Russische officieren die sneuvelden tijdens het beleg van de stad. Het monument steekt af tegen de dominante herinneringscultuur in de stad. Dat het Rode Leger als bevrijder wordt geëerd op het Vrijheidsplein is uiteraard een doorn in het oog van velen en verklaart waarom het gedenkteken vaak het voorwerp is van vandalisme en waarom actiegroepen zijn verwijdering eisen.

Waarheid en herinnering

Maar de politiek van het historisch geheugen spoort niet altijd met de ruimere politieke agenda: Viktor Orbán is ondertussen goede maatjes met Vladimir Poetin. Het monument voor de bevrijding van de stad door het Rode Leger opblazen zou een kaakslag zijn voor de Russen.

Voorlopig blijft het dus staan, maar het heeft gezelschap gekregen. In een hoek van het plein staat sinds 2013, op initiatief van de extreemrechtse partij Jobbik, een buste voor admiraal Horthy. Horthy was de regent van het Interbellum die in de oorlog stapte aan de kant van nazi-Duitsland. En Fidesz, de partij van Viktor Orbán, heeft ervoor gezorgd dat er een beeld van Ronald Reagan kwam. Hij lijkt dynamisch naar het Sovjetgedenkteken te lopen – om dat symbool van het evil empire te slopen?

Aan de overkant van hetzelfde plein valt mijn oog op een monument van recente makelij. Enkele zuilen, waarvan sommige gebroken, ondersteunen een timpaan waarop een vervaarlijk uitziende adelaar met gestrekte vleugels klaar staat om zijn prooi aan te vallen. Op een van de poten staat ‘1944’ – in maart van dat jaar bezetten Duitse troepen het land. De prooi staat vlak onder hem: een gevleugelde figuur die in de rechterhand een rijksappel met een Lotharings kruis vasthoudt. De nazi-adelaar werpt zich op het onschuldige Hongarije.

Subversief gedenken in Hongarije

Op een steen staat in het Hongaars, Engels, Duits, Hebreeuws en Russisch: ‘Ter herinnering aan de slachtoffers’. Maar zelden zag ik een monument dat zo duidelijk voor controverse zorgt. De paaltjes voor het gedenkteken zijn met elkaar verbonden door prikkeldraad waaraan teksten en foto’s hangen. Een tekst die het monument aanklaagt is te lezen in het Frans, Spaans, Duits, Engels, Hebreeuws en Nederlands.

De kritiek slaat op het feit dat het gedenkteken, dat in 2014 werd gebouwd, de indruk wekt dat Hongarije enkel slachtoffer was van de nazi’s. Maar admiraal Horthy collaboreerde al vóór de bezetting met nazi-Duitsland, in de hoop de gebieden die Hongarije had verloren sinds het verdrag van Trianon te recupereren.

Bovendien had Horthy al voor de komst van de nazi’s antisemitische maatregelen genomen. De tekst vraagt de verwijdering van ‘dit leugenachtige monument dat een symbool is ‘van de arrogantie van de regering’. Niet iedereen waardeert een herinneringspolitiek die aan het land uitsluitend een slachtofferstatuut toekent.

Helden, beulen of slachtoffers?

Het Kerepesi-kerkhof, iets buiten het centrum, is een symbolisch geladen plek in Budapest. Je vindt er het mausoleum van Lájos Kossuth en andere helden van de revolutie van 1848. Ook de communisten probeerden het zich toe te eigenen, door een mausoleum voor de arbeidersbeweging te bouwen. Op een steenworp van dat mausoleum liggen János Kádár en Lászlo Rájk begraven. Waren zij helden, beulen of slachtoffers?

János Kádár was een Judasfiguur. Hij verraadde Imre Nagy, de leider van de revolutie van 1956, nam de macht over met de hulp van het Kremlin en organiseerde de repressie. Maar hij was ook slachtoffer: hij zat drie jaar gevangen onder de stalinistische dictatuur van Mathyas Rákosi. En na de neergeslagen opstand bleef hij aan de macht tot 1989. Hij maakte dankzij een soepele economische politiek van Hongarije een relatief welvarend land. ‘De vrolijkste barak van het Oostblok’, zoals het in de jaren 1980 luidde.

Lászlo Rajk was op het einde van de jaren 1940 minister van binnenlandse zaken en dus verantwoordelijk voor de ÁVH, de politieke politie. Maar Rajk werd zelf verbrijzeld door het apparaat dat hij mee had helpen opbouwen. In september 1949 werd hij slachtoffer van het eerste stalinistische showproces in Oost-Europa. Op 3 oktober 1956 was zijn druk bijgewoonde herbegrafenis het startsein voor de opstand een paar weken later.

De schoorvoetende leider

HongarijeLuc Rasson/Doorbraak

Het graf van Jonas Kadar.

János Kádár en Lászlo Rajk waren slachtoffer, beul en held tegelijkertijd, net als Imre Nagy trouwens, de man die schoorvoetend leider werd van de opstand, maar van wie vaststaat dat hij onder de schuilnaam Volodya in de jaren 1930 in Moskou voor de NKVD werkte[2].

Terwijl ik bij het graf van Lászlo Rajk mijmer over menselijke dubbelzinnigheid en grijze zones, komt een oudere vrouw naast me staan. We slagen erin een praatje te maken in ons gebrekkig Russisch. ‘Vroeger geloofde ik in het communisme, maar nu niet meer’, vertrouwt ze me toe, terwijl ze een melancholische blik werpt op het graf van Lászlo Rajk, zijn vrouw en zijn zoon.

 

Dit is deel 2 van een tweedelig artikel. Lees hier deel één.


[1] Over deze episode, zie onder meer : István Rév, Retroactive Justice. Prehistory of Post-Communism, Stanford, Stanford UP, 2005, p. 240-249.

[2] Zie hierover Viktor Sebestyen, Twelve Days. Revolution 1956, London, Phoenix, 2007 (2006), p. 70-71.

Luc Rasson

Luc Rasson is emeritus hoogleraar Franse literatuurgeschiedenis aan de UA en publiceert o.a. over 'zwart toerisme'.