JavaScript is required for this website to work.

Luc Devoldere begraaft tandeloze Taalunie

Frank Hellemans20/10/2021Leestijd 5 minuten

foto © Van Dale

Hoe relevant is de gul gesubsidieerde Taalunie na 40 jaar nog voor ons taal- en letterenbeleid? Luc Devoldere waarschuwt voor haar ingeslapen status.

‘Vandaag zou ze niet meer worden opgericht.’ In een dubbelzinnige lofrede op 40 jaar Taalunie prijst essayist Luc Devoldere*, ex-hoofdredacteur van Ons Erfdeel-De Lage Landen, de verworvenheden van de Nederlandse Taalunie. Maar tegelijk waarschuwt hij dat ze haar ingeslapen status dringend moet reanimeren, in het belang van het Nederlands en de Nederlandstalige cultuur en letteren.

Het kwaad van verdragen

De kunst van de welsprekendheid is aan Devoldere wel besteed. Als hij dus begin oktober op uitnodiging van onder andere de Vlaamse Volksbeweging in Brugge de Taalunie begroef, was dat retorisch bedoeld: ‘Ik ben naar hier gekomen om een verdrag te begraven, niet om het te eren. Het kwaad dat verdragen veroorzaken, leeft na hen door.’ Gelukkig maar, aldus Devoldere, want vandaag staan de sterren in Nederland en België allesbehalve gunstig voor de oorspronkelijke culturele integratie waarvoor de Taalunie bij haar oprichting in 1980 oorspronkelijk pleitte. Occasionele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen waar het kan, is nu het ordewoord.

Cultureel ambtenaar én Groot-Nederlander Johan Fleerackers die de Taalunie in 1980 meehielp bij de geboorte, nam geen blad voor de mond over het bestaansrecht van dit cultureel-taalkundige verdrag tussen Noord en Zuid: ‘De Taalunie heeft slechts zin in zoverre de Nederlandssprekende er in zijn dagelijks bestaan iets aan zal hebben.’ En laat dat nu net vandaag het probleem zijn.

Geen handje voor Roemer

Als de Taalunie tegenwoordig al eens in het nieuws komt, is het omdat er iets niet gebeurt. De driejaarlijkse toekenning van de door de Taalunie gepatroneerde Prijs der Nederlandse Letteren aan de Nederlands-Surinaamse schrijfster Astrid Roemer ging deze maand ten paleize niet door. Bleek immers dat Roemer de omstreden Surinaamse dictator Désire Bouterse een warm hart toedroeg. Dat kon je Koning Filip niet aandoen: een handje geven aan mevrouw Roemer. Het prijzengeld van 40.000 euro kreeg ze dan maar overgemaakt zonder meer.

En wie herinnert zich nog de trammelant toen de Algemeen Secretaris van de Taalunie – zeg maar de CEO dus – Hans Bennis enkele jaren terug ‘anything goes’ in het Nederlandstalige taalbeleid bepleitte: van ‘hun hebben gelijk’ tot ‘elk nadeel heb zijn voordeel’. En dan maar lamenteren dat de jeugd haar moedertaal niet meer beheerst.

Eenheid benadrukken

Devoldere roept dan ook op om naast alle taalvariatie in spreken en schrijven de norm van het Standaardnederlands alstublieft opnieuw in ere te herstellen: ‘Het blijft belangrijk om, als het over het Nederlands gaat, en zeker over het Nederlands in de wereld, altijd eerder de eenheid te benadrukken dan het verschil, de variatie.’ Dat hier voor het onderwijs een belangrijke taak is weggelegd, is zonneklaar. Maar dat uitgerekend daar het schoentje knelt, is ook overduidelijk. Lesuren Nederlands worden afgebouwd, om over het doorgeven van een literatuurhistorische canon van de Nederlandstalige literatuur nog maar te zwijgen.

Nochtans is dat uitgerekend een van de verdiensten geweest van deze gul gesubsidieerde Taalunie. Ooit was zij immers de bezieler van een ingrijpende spellingrevolutie in Nederland en Vlaanderen. Toen de Nederlandse en Vlaamse spelling meer en meer uit elkaar aan het driften waren, nam de Taalunie in 1995 het initiatief om opnieuw de puntjes op de i te plaatsen. Gedaan met conservatieve Nederlandse versus progressieve Vlaamse woordbeelden, genre ‘eau de cologne en odekolonje’. Of minder ingrijpend: ‘cultuur en kultuur’.

Vlaamse ‘apoteker’ op kosten gejaagd

Met veel bombarie en een nieuw Groen Boekje decreteerde men dat elke Nederlandse taalgebruiker voortaan de etymologische spelling diende te gebruiken. De Vlaamse apoteker jaagden ze op kosten om een ‘h’ aan zijn lichtreclame toe te voegen. Vlaamse scholieren en studenten drilden ze om voortaan pannenkoek (niet pannekoek van vóór 1995), groentewinkel, en dus eau de cologne, kultuur en apotheek te spellen.

De paarde(n)bloem in de m(M)iddeleeuwen

Tot zover het goede nieuws want het triomfalisme van de taalbewakers kende toen jammer genoeg geen grenzen. Om de nieuwe eenheidsspelling voor Nederlanders én Vlamingen te bewaken, lanceerden ze het onzalige idee om elke tien jaar een update te doen, lees een reparatie om anomalieën van 1995 uit de weg te ruimen. In 2005 verscheen een nieuw Groen Boekje. Of men voortaan de hoofdletters uit de historische tijdsperiodes wou schrappen?

Dus geen Middeleeuwen meer maar middeleeuwen. En ja: ook paardebloem zou sindsdien – analoog de pannenkoekenregel – als paardenbloem door het leven gaan. Resultaat: de honkvaste Nederlanders vertikten het deze nieuwe spitsvondigheden toe te passen en kozen voortaan voor een Wit in plaats van een Groen Boekje. In de Nederlandse media en boeken heeft men het sinds dit nieuwe schisma dus nog steeds over de Middeleeuwen en de paardebloem, terwijl de gezagsgetrouwe Vlamingen zich uitsloven om de paardenbloem in de middeleeuwen te situeren.

Bé- in plaats van vóórschrijven

Een iets te ver doorgedreven regelneverij zorgde dus vanaf 2005 voor een taalkundige kater die nog altijd niet is doorgespoeld. De Taalunie liet betijen. Sterker: ze pleitte voor verregaand laksisme. De taalgebruiker heeft immers altijd gelijk: laat duizend bloemen bloeien. Tja, welke leraar gaat er dan nog wakker liggen van d/t-fouten? Kristien Hemmerechts alleszins niet.

Ook in academische milieus werden de teugels gevierd. Taalkundigen wilden niet langer regels voorschrijven maar louter het taalgedrag beschrijven. En in de literatuurbeschouwing heette het dat op literatuurhistorische basis trancheren tussen goede en slechte literatuur voortaan uit den boze was. Literatuurkritiek, die naam waardig, kon inpakken. Resultaat: interviews, columns en verkooppraatjes overspoelen nu de letterenbijlagen. Als die er tenminste nog zijn.

Conserverende taalacademies

Wat een verschil met de taalpolitiek in grote buurlanden als Frankrijk en Duitsland. Hun conservatieve want conserverende taalacademies waken er over dat de spellingnormen en literaire canons nauwelijks worden herzien maar adequaat bewaakt én doorgegeven worden aan nieuwe generaties.

Devoldere merkt trouwens op dat ook onze kleinere Europese partners hun taalpolitiek via buitenlandse cultuurinstituten veel sterker ondersteunen dan wij: ‘Nederland en Vlaanderen besteden namelijk fors minder dan andere Europese landen (Zweden, Portugal, Duitsland, Polen en Hongarije) aan het buitenlands onderwijs van hun taal. Terwijl toch uit onderzoek, van de Taalunie zelf, bleek dat Nederland en Vlaanderen wel veel baat hebben bij een sterk internationaal onderwijs van de taal en cultuur.

Tweede adem

Dat het ondertussen met de leesvaardigheid van onze jongeren bergaf gaat, is ook oud-leraar Devoldere opgevallen. En laat die nu net nodig zijn om complexe teksten te kunnen verstaan en om zelf genuanceerd te kunnen debatteren: ‘Een democratische samenleving heeft mondige en kritische burgers nodig die boodschappen kunnen duiden en ontrafelen.’

Rest de vraag of de Taalunie, die momenteel wordt geleid door de Vlaamse Kris Van de Poel, nog een tweede adem gaat vinden. Devoldere heeft er een hard hoofd in. En niet alleen hij.


*Reactie van Luc Devoldere:

Luc Devoldere begraaft de Taalunie niet

Voor een goed begrip: ik heb geen “dubbelzinnige” lofrede geschreven, zoals Frank Hellemans beweert. Wie mijn tekst goed leest, en het betreft hier een lofrede op het “Verdrag inzake de Nederlandse Taalunie” (en dus de tekst van dat Verdrag uit 1980), ziet dat ik  de lijkrede van Antonius uit Julius Caesar van Shakespeare pasticheer. Imitatio en aemulatio.

In die lijkrede slaagt Antonius erin de sympathie van de toehoorders voor de moordenaars van Caesar (“honourable men”) om te doen slaan in sympathie voor de vermoorde Caesar. Ik heb hetzelfde gedaan.

Het begraven Verdrag blijkt en blijft uiteindelijk in zijn ambities en idealen prijzenswaardig, en de “eerbare heerschappen”, zeg maar de sociolinguïsten, moeten het verduren. Ik zeg inderdaad dat we blij mogen zijn dat de Taalunie bestaat. Want dat ze vandaag niet meer zou worden opgericht. Dat is, denk ik, niet dubbelzinnig.

Heb ik er een hard hoofd in of de Taalunie een tweede adem zal vinden, zoals Hellemans beweert? Ik heb alvast de overheden die de Taalunie moeten aansturen een fikse opdracht meegegeven.

Luc Devoldere

Frank Hellemans doceerde journalistiek aan de Thomas More hogeschool in Mechelen. Hij is literatuurcriticus en auteur van onder andere ‘Mediatisering en literatuur’ en ‘Echte mediaprimeurs. Een communicatiegeschiedenis’. Levenslang supporter van Malinwa én Paul van Ostaijen.

Commentaren en reacties