Geen categorie

Bondgenoot van de Rede

Bij het overlijden van de Amerikaanse historicus Fritz Stern (1926-2016)


Van de Franse auteur François Mauriac stamt het gevleugelde woord: ‘J’aime tellement l’Allemagne que je suis heureux qu’il y en a deux’. Van de hand van de Amerikaanse historicus Fritz Stern, die op 18 mei 2016 op 90-jarige leeftijd overleed, is dan weer het boek ‘Five Germanys I have known’ (2006). Zou de liefde van Stern voor Duitsland dan zoveel groter geweest zijn dan die van Mauriac? Zo eenvoudig werkt het optelsommetje niet. Het Duitsland dat Fritz Stern het best kende in zijn hoedanigheid als historicus, was dat van zijn grootouders en ouders, Duitse joden die de maatschappelijke ladder opgeklommen en geassimileerd waren tijdens het keizerrijk. Zijn vader was professor in de geneeskunde en zijn moeder was gepromoveerd in de fysica. Bij zijn geboorte op 2 februari 1926 in Breslau (thans het Poolse Wrocław) in Silezië werd hij protestants gedoopt. Voor de nationaalsocialisten die in 1933 aan de macht kwamen, maakte het niet uit dat de familie Stern geassimileerd en vaderlandslievend was. Er bleef haar niets anders over dan in 1938 te vluchten naar Amerika vooraleer de val dicht zou klappen. Fritz Stern studeerde geschiedenis aan de University of Columbia in New York, doctoreerde er in 1953 met een proefschrift over radicaal-nationalistische stromingen in het Duitsland van de 19de eeuw en onderwees later aan diezelfde universiteit en als gastprofessor nog aan vele andere (zoals Princeton, Yale, Konstanz en West-Berlijn).

Stempel

Als kind groeide Fritz Stern dus op in de Republiek van Weimar (zijn ‘eerste’ Duitsland) en in het Derde Rijk (zijn ‘tweede’). Na de oorlog bezocht Fritz Stern, die intussen tot Amerikaan genaturaliseerd was, in het kader van zijn wetenschappelijk onderzoek de twee Duitse staten, ‘West-Duitsland’ en de DDR, ‘the fourth and forgotten Germany’ zoals hij die laatste noemde. Hij mocht oud genoeg worden om nog de eenmaking, het ontstaan van het ‘vijfde’ Duitsland, te beleven. De ‘Wende’ van 1989-’90 noemde hij de ‘tweede kans’ van de Duitsers om de eenheid in vrijheid op democratische wijze te verwerkelijken. Hij had in 1990 de toenmalige Britse premier Margaret Thatcher ervan weten te overtuigen dat de Duitse eenheid geen gevaar betekende. Stern bewoog heen en weer tussen nadenken en schrijven over de Duitse geschiedenis en publicistisch tussenbei komen in de actuele politiek, vooral de Amerikaanse. Dat kwam naar eigen zeggen omdat Amerika een stempel had gedrukt op zijn jeugd, maar Duitsland op zijn leven.

Geweten

Zijn liefde voor Duitsland had hij pas in de jaren ’50 van de vorige eeuw herwonnen. Een sleutelbelevenis was de herdenking in 1954 in (West-) Berlijn van de aanslag die Duitse officieren tien jaar eerder, op de ’20. Juli’, hadden gepleegd tegen Adolf Hitler. Wat die ‘Aufstand des Gewissens’, die ‘opstand van het geweten’, werkelijk betekende, werd hem toen duidelijk, daar op het binnenhof van het Bendler-Block, waar graaf von Stauffenberg op de avond van de 20ste juli 1944 gefusilleerd was op last van een hooggeplaatste medesamenzweerder die zijn eigen rol in de mislukte opstand wilde verdoezelen. De herdenking van 1954 was voor Stern een ‘Erweckungserlebnis’, het besef dat er een ander, een beter Duitsland had bestaan, ook in de donkere dagen van de nationaalsocialistische dictatuur.

Ressentiment

Stern schreef een aantal standaardwerken waarbij hij via de biografie van bepaalde personen een bepaald tijdperk probeerde te doorgronden, en vooral dan het nationalistische Duitsland. Het boek ‘Gold and Iron’ (1977) behandelt de relaties tussen rijkskanselier Otto von Bismarck (1815-1898) en zijn Duits-joodse bankier Gerson Bleichröder (1822-1893) die de oorlogen meefinancierde waarmee de eerstgenoemde het pad effende voor de oprichting van het Duitse keizerrijk. Het ging Stern daarbij om de wisselwerking tussen politieke en psychologische factoren. Ook in een vroeger verschenen werk, ‘The Politics of Cultural Despair’ (1961) trok hij de ideologische invloed na van drie publicisten – Paul de Lagarde, Julius Langbehn und Arthur Moeller van den Bruck – op een nationalistisch gezinde burgerij vanaf het begin van het keizerrijk, in 1871, tot de ‘Machtergreifung’ van Hitler in 1933. Stern zocht naar een verklaring voor de opkomst van het nationaalsocialisme. Verhelderend was voor hem de uitspraak van de fysicus Carl Friedrich von Weizsäcker dat deze weliswaar nooit in de nazi-ideologie had geloofd, maar er zich door had laten verleiden omdat ze hem voorgekomen was als ‘eine Ausgießung des Heiligen Geistes’. Vele Duitsers voor 1933 leden aan de anonimiteit en vervreemding die de kapitalistische maatschappij voortbracht, leden aan de ‘Entzauberung’ zoals de socioloog Max Weber (1864-1920) de ‘onttovering’ van de wereld door het kapitalisme noemde. Ze verlangden naar de vermeende warmte van de ‘Gemeinschaft’ als alternatief voor de kille ‘Gesellschaft’ (maatschappij), een dichotomie waarnaar ook het werk ‘Gemeinschaft und Gesellschaft’ van de socioloog Ferdinand Tönnies (1855-1936) verwees. Zo groeide over de jaren heen in het keizerrijk en na het door velen betreurde verdwijnen van de keizer in 1918 het verlangen naar een ‘Volksgemeinschaft’ die een messianistische ‘Führer’ zou tot stand brengen. Fritz Stern beschouwde de nationaalsocialisten daarom als ‘Teil eines historischen Prozesses […], in dem das Ressentiment gegen die Entzauberung der Welt Zuflucht in Ekstasen der Unvernunft fand’ (deel van een historisch proces […] waarin het ressentiment tegen de onttovering van de wereld zijn toevlucht vond in extases van On-Rede’). Dat was volgens hem de geest die naar het Derde Rijk leidde, maar praktisch speelde ook het ‘Versagen’, het falen, van de Duitse elites een grote rol in dat proces. Symbolisch veelbetekenend was ‘der Tag von Potsdam’, die 21ste maart 1933 toen de kersverse rijkskanselier Adolf Hitler in burgerpak nederig het hoofd boog voor de grijze rijkspresident, veldmaarschalk Paul von Hindenburg (1847-1934) en zo de burgerij en de militaire kaste wilde aantonen dat het nationaalsocialisme niet zo ‘plebejisch’ zou zijn als gevreesd en zich best liet ‘verzoenen’ met de Pruisische deugden en waarden. Dat historisch inzicht maakte Stern tot iemand die waarschuwde voor elke vorm van ‘politieke religiositeit’, tot iemand die geleid door de ‘Vernunft’ (de Rede) opkomt voor de democratie, de vrijheid, het liberale denken. Patrick Bahners noemde hem daarom een ‘Alliierter der Vernunft’, een ‘bondgenoot van de Rede’ (Frankfurter Allgemeine Zeitung, 19 mei 2016).

Verlies

Fritz Stern was een van de grote Duitslandkenners van Amerika. De Bondsrepubliek Duitsland eerde hem daarom ook zowel met het Bundesverdienstkreuz als met de ‘Friedenspreis des Deutschen Buchhandels’ (in 1999). In zijn dankrede bij het aanvaarden van de prestigieuze vredesprijs sprak Stern zijn geloof in het democratische Duitsland uit dat voor hem ook belichaamd werd door zijn vrienden, de gewezen bondskanselier Helmut Schmidt en de bekende publiciste Marion Dönhoff. Wat hij met haar, de beroemde gravin, deelde, was de ervaring van het verlies. Stern had in 1938 zijn Duitse heimat Silezië moeten verlaten, Dönhoff was in 1945 moeten gaan vluchten uit Oost-Pruisen. Net die ervaring dreef beide aan in hun geloof in en hun engagement voor de democratie en de vrijheid.

© Isolde Ohlbaum

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Dirk Rochtus

Dirk Rochtus is hoofddocent internationale politiek en Duitse geschiedenis.