Buitenland, Europa
brexit

Brexit: hoe is artikel 50 ontstaan?

Geen veto? Dan uitstaprecht

De brexit-regels zijn te zoeken bij de oostelijke uitbreiding van de Europese Unie uit 2004 en de Europese Conventie die kort ervoor plaatsvond (2002- 2003). Dat stelt KU Leuven-onderzoeker Martijn Huysmans in een nieuwe VIVES-briefing, die gebaseerd is op zijn doctoraatsonderzoek.

‘Binnen de Europese Unie is de Oostelijke uitbreiding van 2003-2004 het eerste moment waarop toekomstige lidstaten zouden toetreden met zeer sterk afwijkende voorkeuren, en zonder vetorecht tegen beleidswijzigingen’, stelt Huysmans. Niet toevallig stamt de directe voorloper van Artikel 50 ook uit de Europese Conventie van 2002-2003, waar de Oostelijke uitbreidingslanden reeds vertegenwoordigd waren.

Volgens Huysmans bestaat hier een eenvoudige verklaring voor. ‘In federaties die worden gevormd door vrijwillige toetreding zullen entiteiten met zeer sterk afwijkende voorkeuren enkel toetreden als ze een veto krijgen tegen beleidswijzigingen of een uitstaprecht’, argumenteert Huysmans. ‘Zonder vetorecht kunnen ze nadelige beleidswijzigingen niet blokkeren, en zonder uitstaprecht is hun enige alternatief een onwenselijke en dure eenzijdige uitstap.’

Nadelen bij schaalvoordelen

Om zijn redenering te staven, belicht Huysmans de nadelen van schaalvoordelen van grote landen. ‘Grotere landen kunnen van schaalvoordelen genieten, maar centraal beleid kan ook in het nadeel zijn van regio’s met afwijkende voorkeuren, met mogelijke instabiliteit en afscheuringen tot gevolg’, legt Huysmans uit. ‘Maar een eenzijdige afscheuring is niet zomaar mogelijk. Onafhankelijkheid vereist namelijk erkenning door de internationale gemeenschap. Zo bewijst Catalonië dat dergelijke erkenning onwaarschijnlijk is wanneer er geen akkoord is over een uitstap en er geen grondwettelijke procedure voorzien is die een uitstaprecht garandeert.’

Uitstaprecht

Deze inzichten zijn volgens Huysmans ook toepasbaar op de EU. ‘Voor de lidstaten zijn er grotere schaalvoordelen voor iedereen, zoals de interne markt, maar wordt het ook moeilijker om een beleid te voeren dat alle lidstaten tevreden stelt. En net zoals de eenzijdige afscheuring van een regio uit een federaal land erg moeilijk en duur is, was het voor lidstaten van de EU vóór de komst van Artikel 50 in 2009 ook niet mogelijk om zonder slag of stoot uit de EU te stappen.’

Als een federatie zoals de EU niet voorziet in een veto voor de lidstaten om hun afwijkende voorkeuren te beschermen, bestaat er nog een andere manier: het uitstaprecht’, vervolgt Huysmans. ‘Als het oorspronkelijke beleid te sterk zou veranderen in de richting van de gemiddelde voorkeuren in de federatie, kunnen ze zo eenvoudigweg uitstappen. Maar omdat de rest van de federatie dit wil vermijden vanwege de schaalvoordelen, zal het centrale beleid nooit zo ver opschuiven.’

Oostelijke uitbreiding EU en Europese conventie

Het uitstaprechtscenario deed zich dan ook in werkelijkheid voor. In 2003 tekenden tien landen een toetredingsverdrag tot de EU, dat ze in 2004 zouden ratificeren. Die tien landen, ook bekend als de A-10, zijn: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovakije, Slovenië, en Tsjechië. Buiten Cyprus en Malta betreft het Centraal- en Oost-Europese landen, vandaar dat men het ook vaak heeft over de Oostelijke uitbreiding. De A-10 waren vertegenwoordigd op de Europese Conventie, die in de periode 2002- 2003 belast was met het ontwerpen van een Europese Grondwet. Het huidige Artikel 50, hoewel het pas in werking trad met het verdrag van Lissabon in 2009, stamt uit deze Europese Conventie. Op de Conventie benadrukten de vertegenwoordigers van de uitbreidingslanden dat ze de Europese Grondwet niet zouden aanvaarden zonder een uitstaprecht. ‘Dit was bijzonder het geval voor de Baltische staten, die nog geen twee decennia eerder tegen hun wil deel uitmaakten van de Sovjet-Unie’, legt Huysmans uit.

Onderhandelingsmacht

Het is logisch dat de uitbreidingslanden vroegen om een uitstaprecht en het ook kregen’, meent Huysmans. ‘Ze waren namelijk erg verschillend van de bestaande 15 lidstaten, de zogenaamde EU-15. Het gemiddeld bbp per capita in de EU-15 bedroeg € 29.124, tegenover € 8.517 in de A-10. Dit ging gepaard met heel andere beleidsvoorkeuren. De landen van de A-10 waren bijvoorbeeld veel meer afhankelijk van landbouw, en hoopten dus op hoge subsidies onder het gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid. Ze waren er zich echter ook van bewust dat die subsidies niet gegarandeerd waren. Eenmaal ze toetraden, kon het niveau van de subsidies verlaagd worden. Op het moment dat de A-10 zouden toetreden, hadden lidstaten van de EU immers geen vetorecht meer.’

‘Gegeven dat de bestaande lidstaten wilden genieten van bijkomende schaalvoordelen zouden ze toestemmen met uitstaprecht’, meent Huysmans. ‘Landen als het VK en Denemarken waren trouwns ook sterke voorstanders waren van een uitstaprecht, maar waren er toch niet in geslaagd  om zo’n recht te verkrijgen vóór de Oostelijke uitbreiding. Logisch, want aangezien het VK en Denemarken al lid waren, konden ze niet dreigen dat ze niet zouden toetreden als ze geen uitstaprecht kregen, en dus hadden ze minder onderhandelingsmacht.’

 

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans