Geschiedenis, Multicultuur

Castro’s methodes: de affaire Padilla is de affaire Mulisch

Deel 2 van het in memoriam

Twee weken na Castro’s overlijden willen we de Lider Maximo waardig herdenken. Maar waardigheid gaat niet zonder waarheid. Van de vele ‘gevallen’ die in de fideliaanse molen vermalen geraakten haal ik er eentje uit dat eens niet op een executie eindigde: de affaire Padilla, die rechtstreeks tot het intellectuele isolement van Castro en van heel Cuba leidde.

De bespotting van de dichter Heberto Padilla (1933-2000)

Hij werd gemarteld op het ritme van zijn eigen verzen.

Toen hij als gevangene de turnzaal werd binnengeleid zag hij tientallen atleten bezig met allerlei boks- en karate-oefeningen. Muilen trekkend en acterend wendden ze zich tot hem, terwijl ze zijn eigen verzen reciteerden: ‘een goed paar handen’ heb je daar, en ze begonnen eraan te trekken. En ‘een goed paar ogen’ heb je ook al, en ze namen zijn bril af. Zie je wel, zei de kapitein, onze revolutionairen zijn cultureler dan je denkt: ze kennen uw verzen uit het hoofd. Toen begon er een macabere ritus: ze gooiden hem in de lucht, vingen hem op terwijl ze hem sloegen en stampten waar ze konden, almaar meer gedichten citerend. Een stortvloed van slagen begeleidde hun stortvloed van woorden, tot een vuistslag op zijn slaap en een tussen de ogen een einde maakte aan de poëtische oefening.

Het ging slechts om een van de vele stadia in de behandeling, soms met hallucinerende middelen, die de Cubaanse dichter Heberto Padilla ten deel viel tijdens zijn onrechtmatige gevangenschap in het jaar 1971. Dit stadium zou ertoe leiden dat hij zou overgaan tot zijn berucht geworden openbare autokritiek: een soort showproces zonder proces, een systeem dat bekend was uit de Oost-Europese communistische dictaturen, maar dat overal courant is geweest van het ogenblik af dat deze ideologie ergens aan de macht kwam. Het geval Padilla zou verstrekkende gevolgen hebben.

Buitenspelval

‘De affaire Padilla’ (zoals Harry Mulisch ze noemde) werd uitgelokt door een simpele, geweldloze daad van verzet. De dichter stond al jaren buitenspel. Publiceren zat er niet meer in sinds 1959, toen Fidel Castro de macht overnam en zijn vorm van Gleichschaltung doorvoerde. In het geheim legde Padilla het manuscript van zijn nieuwe dichtbundel ergens in de stapel tussen de andere inzendingen voor een grote Cubaanse literaire prijs. Onder een schuilnaam, zoals het hoort. Dat was de hele verzetsdaad. De rest ging vanzelf: de bundel werd bekroond door een competente jury die dus onwetend was over de identiteit van de dichter. De bundel werd zelfs gepubliceerd, maar met de kritiek van het regime erin opgenomen, dat het hier om een contrarevolutionaire bundel ging die ze een volgende keer zeker niet meer zouden uitgeven. Van dan af aan zou namelijk ‘het volk’ de auteur van zijn eigen literatuur worden. Padilla’s bundel heette ook echt Buitenspel (Fuera del Juego 1968, Hors-jeu bij Le Seuil 1969). Aan deze titel werden ook alle verwijten opgehangen: deze bourgeois-dichter plaatste zich buitenspel en ook nog eens aan de zijlijn van de maatschappij om van daaruit zijn vuige kritiek op de Revolutie te spuien.

Castro aan Padilla’s bed

Het resultaat van dit alles speelt zich af in de gevangenis. Geregeld bevindt Padilla zich in het gevangenishospitaal om na een ‘speciaal verhoor’ opgelapt te worden. Daar krijgt hij met zijn bebloede kop bezoek van Castro zelf, die de oorzaak van deze mishandeling volledig bij Padilla zelf legt, terwijl hij hem ijsberend de culturele theorie van de revolutie uitlegt. Gustavo Arcos Bergnes, een vroege medestander van Castro bij de bestorming van de Moncada-kazerne en dus later ook in de 26 juli-beweging, en die voor hij in ongenade viel nog enkele jaren ambassadeur in Brussel is geweest, getuigt van het grote verschil tussen de Fidel Castro eertijds als gevangene, en de latere Fidel Castro als gevangennemer en cipier; tussen enerzijds de gevangen Castro die zichzelf vier uur lang mocht verdedigen, en anderzijds zijn latere gevangenen die nooit een aanklacht hebben mogen inkijken en vaak ook gewoon verdwenen.

De maskerade van de zelfbeschuldiging

Padilla wist dat hij tegenover deze methodes geen kans had, maar dat anderzijds het regime onder internationale druk stilaan naar een compromis toe werkte. In zijn autobiografisch geschrift La Mauvaise mémoire schrijft hij dat hierin de oplossing lag om tenminste zijn fysieke integriteit te waarborgen. Het vergelijk bestond erin dat hij de autokritiek die hij na een nachtelijke foltering had opgeschreven, uit het hoofd moest leren en letterlijk moest reproduceren voor een internationale delegatie van schrijvers en journalisten. Dat gebeurde in mei 1971. Op deze bijeenkomst bekende hij alles wat het regime wilde. Hij had de revolutie verraden, hij was een verstokte buitenspelstaander, met zijn bourgeoismentaliteit mocht hij blij zijn dat de revolutie nog enige clementie voor hem opbracht, hij was (in marxistisch jargon) zowel een ‘subjectieve’ als een ‘objectieve’ vijand van de zegeningen die de revolutie had gebracht.

Castro’s pseudo-linksen

Het probleem was dat niemand geloofde dat hier een vrij man aan het woord was. Alle toenmalige sympathisanten van het Fidelisme vielen Fidel af: Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, Susan Sontag en Marguerite Duras, Octavio Paz en Hans-Magnus Enzensberger. Hun probleem was vooral dat ze, om de mogelijkheid van een realisatie van het communisme/marxisme te vrijwaren, tegen beter weten in op het ‘humanere’ communisme van Castro hadden gewed. Dat moesten ze wel doen nadat gebleken was dat geen enkele Oost-Europese communistische regering vrijuit ging. Maar nu overduidelijk bleek dat Castro dezelfde weg opging, bestookten ze hem met open brieven die de bevrijding van Padilla eisten. Waarop de Lider Maximo al die ‘pseudo-linksen’ kort en goed buitensmeet. Ze moesten Cuba niet meer met hun hypocriete bezoekjes komen vereren. Hij had ze niet meer nodig.

Allemaal? Neen. Van alle Cuba-bestuderende zonnekloppers mochten er twee blijven, Gabriel Garcia Marquez en Harry Mulisch. Marquez mocht zich in Fidels vriendschap verheugen (of omgekeerd). Marquez toonde zich tien jaar later zelfs verveeld met Padilla’s verzoek om persoonlijke voorspraak bij Fidel om het land uit te mogen. ‘Er is een grens aan mijn invloed’ antwoordde Marquez, en inderdaad: de vriendschap tussen de dictator en de auteur van Honderd jaar eenzaamheid zou pas eindigen toen Fidel een van Marquez’ Cubaanse vrienden liet executeren.

De affaire Mulisch

De affaire Harry Mulisch is beschamender. Op basis van enkele langere reizen in Cuba (1968-1969) had de Nederlandse romancier al zijn ‘getuigenis van de revolutie op Cuba’ neergeschreven in Het woord bij de daad. Zozeer moet Padilla’s zelfbeschuldiging hem gestoken hebben dat hij in een aparte publicatie aan dat boek een ‘nawoord’ toevoegde dat hij dan ook eenvoudigweg De affaire Padilla noemde (De Bezige Bij, 1971). Het stak hem zozeer dat hij op de 35 bladzijden tekst er pas op bladzijde 28 aan kon beginnen. En dan was het om Padilla als een antirevolutionaire leugenaar verdacht te maken. Mulisch lijkt het echt te menen als hij suggereert dat Padilla na zijn ‘behandeling’ de echte verhoudingen nu beter begrepen had. Padilla’s publieke zelfbeschuldiging, schrijft Mulisch, zal wel niet aan marteling te wijten geweest zijn, dat was een te zware beschuldiging aan het adres van Castro. Padilla zal, schrijft Mulisch, ‘zijn tragische situatie [van bourgeois] hebben ingezien’.

Koestlers voorbeeld

Heberto Padilla had inderdaad een tragische situatie ingezien, alleen niet de dialectisch-materialistische situatie die de pseudo-marxist Mulisch bedoelde. In La Mauvaise mémoire schrijft de dichter immers zijn ware, niet gedicteerde zelfbeschuldiging neer. Hij beschuldigt zichzelf ervan dat hij überhaupt ooit aan deze revolutie geloof had kunnen hechten, dat hij er een hele tijd in was meegegaan, en dat ook hij tijdens die geloofsperiode de ogen had gesloten voor wat er echt gaande was: folteringen en executies. Dat hij dus een ‘medeplichtige uit verzuim’ (un complice par omission) was geweest. Deze term ontleent hij aan de gewezen communist Arthur Koestler, die als een van de eersten over de Moskouse showprocessen en zelfbeschuldigingen van 1938 had geschreven in het ontzettend invloedrijke Darkness at Noon (1940).

Van muilkorvers en mondsnoerders

Het is Padilla’s nederige bekentenis dat hij tijdens zijn eigen revolutiefase een ‘koppige poesjenel’ en een ‘wanhopig en zelfvernietigend wezen’ was geweest, die van Harry Mulisch zo’n beschamend geval maakt. In De affaire Padilla schrijft Mulisch dat hij als stelregel alleen het eigen Nederlandse systeem wil bekritiseren, niet dat van een ander (bijvoorbeeld het Cubaanse systeem). Dit sofisme getuigt gewoon van Mulisch’ abdicatie als criticus en intellectueel. Het toont zijn verwikkeling in deze zuiveringsmanie aan, en hoezeer hij ze goedkeurde. De laatste woorden van zijn pamflet gaan over ‘bourgeois-intellectuelen’ en hun ‘zetbazen’, termen die zo geplukt waren uit het stalen vocabulaire van het correcte links van die dagen. Dit waren niet de woorden van een discours-scheppend auteur, van iemand die letterlijk spraakmakend had moeten zijn: slaafs volgde hij de taal en de spraak van de voorkauwende ideologen.

De muilkorver Castro van toen heeft veel gemeenschappelijks met de Castro-vererende mondsnoerders van vandaag. Allemaal taaltemmers.

 

Lees ook deel 1 van Rondas’ Castro-herdenking

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]