Mijmering
Paralipomena
Paralipomena

Chagrijn en weemoed

weemoed

dagboekaantekeningen

Dinsdag (of een andere dag, wat u wilt)

Op een internetveiling van Nederlandse literatuur kom ik een bundel van mijn vader tegen. Jaren vijftig. Eerste druk. In goede staat. Er is één euro op geboden. Ik staar naar de foto van het object. Guillaume van der Graft. Woorden van brood. 1956. De flappen ontvouwen zich en het boekje maakt zich los van de foto, van het internet, van de immateriële wereld… het landt met fladderende bladzijden op mijn tafel, waar het tussen de Engelse bureaulamp en mijn opengeslagen agenda gaat liggen.
Eén euro.
In 1956 begon mijn taal, die van meet af aan vermengd was met een andere taal, Engels. We woonden in Engeland — dit heb ik al vele malen verteld — en Plato sprak zijn vloek over mijn leven uit: ‘Gij zult heimwee hebben! Heimwee naar uw Engelse kiezelstrand, naar uw lilliputterhuis in Clifton Street, naar uw koorzang en uw poëzie en uw cuppa  en uw pinta  en uw irrationele shilling en uw grap in de pub… van dit alles zullen u slechts de schaduwen resten!’
Op dat strand zit ik, beschut door witte kartelranden, in het grijze zonlicht dat door het boxje van mijn vader is vereeuwigd, of nee, het tegendeel van vereeuwigd: historisch gemaakt. Mijn moeder zit op de kiezels en nooit zijn diezelfde kiezels, die nog altijd moeten bestaan, ooit weer in precies hetzelfde patroon neer te leggen. Ze straalt. Mijn vader werkt in Londen en op zaterdag neemt hij de trein naar ons, naar huis, naar Barry, mijn vader die zo verliefd was op mijn moeder.
Dat alles is voor de wereld één euro waard.

Twee weken later (vakantie in de klamme hitte van Indiana)
De ouders van Joy wonen in een lieftallig, erg slaperig stadje (iepen, witte kerk), aan een meer dat in de ijstijd is ontstaan (sommige inwoners loochenen de ijstijd). Naast huize Lehman, een traditionele woning van het welvarende type, bekleed met witgeschilderde planken — in werkelijkheid is het weerbestendig plastic — ligt een parkje, waar ik graag vertoef. Zit, bedoel ik. Te lezen. Vandaag een dik boek: de Collected Poems  van Yeats. Ik houd wel van die archaïsche man, die de Ieren steunde maar de actie verafschuwde: hij lijkt een bange kat in het pakhuis van de twintigste eeuw.
Ik zit onder de schaduw van een eik. Als ik opkijk, zie ik een strandje, waar Christopher volleybalt met zijn neven en nichten. Er komt een groepje Amish voorbij: jongens en mannen in iets wambuisachtigs, hoekige broek, bretels, bovenop een bloempotkapsel; meisjes en vrouwen in een vormloze jurk, bovenop een wit mutsje. Het Amish-badpak bestaat erin dat ze niet zwemmen:  ze picnicken en spelen onschuldige balspelen. Helemaal achteraan sjokt een man zo oud als een anatomisch preparaat, de baard klaaswit (deze pacifisten dragen nooit een snor: dat was een ordeteken van Pruisische officieren).
Wanneer hij mijn bank passeert, zegt hij: ‘What you reading, son?’
…‘Poetry, sir,’ zeg ik.
Hij wandelt verder.
Hoe verfrissend voorbij de zestig nog eens ‘son’ te worden genoemd.

Junidag
Op bezoek bij een oude tante in Holland.
Joy en ik zitten op een terras aan een hoogst Hollands water. Nieuw-Beijerland: nooit eerder geweest en niet voor het eerst kijk ik naar het landschap als een vreemdeling, die zich verbaast over het feit dat hij de inheemse bevolking verstaat. Los van dit Pinkstermirakel: het oranje, lila, indigo en paars van de zonsondergang, de polychrome schilfers van het blikkerende water, de sensueel wiegende biezen, de antieke houten zeilboot, dobberend als een grote klomp: al deze gemeenplaatsen, smaakvol uitgestald en vanachter een tafel op de wal gadegeslagen, zijn ontroerend mooi en verzoenen me tijdelijk met mijn vaderland.
‘Kijk,’ zeg ik tegen mijn Amerikaanse vrouw. ‘Die pont is bezig om van twee overzijden weer buren te maken.’
‘Goh, wat ben je toch poëtisch.’ Bekoorlijk lachje, een klokje onder het purperen baldakijn van de hemel — ach, schat, hoe je mij inspireert tot kitsch! Ik beken dat ik vandaag graag met haar getrouwd ben.
‘Eerlijk gepikt van Nijhoff, een dichter die mijn vader nog gekend heeft.’

Begin juli (zweterig weer)
Gisteren kreeg ik een uitnodiging om ergens in Nederland mee te debatteren over ‘de Europese droom’; het debat was gebaseerd op de premisse dat Europa een cultuur van ‘zachtmoedigheid’ had.
Dat is ook zo, als we Alva en Mengele even vergeten. Maar, schreef ik terug, die zachtmoedigheid is ook onze achilleshiel, we zouden Europa nog in naam van de Europese humanistische waarden afschaffen. En dat ik liever niet mee kwam debatteren.

De zoveelste zonnige ochtend
Tegen elven meld ik me aan, zenuwachtig, ongeïnspireerd.
‘Waarom ben je toch altijd te laat?’ snauwt Ueber-Ich, zelf chronisch uit zijn humeur.
‘Ik zat hier gisteravond anders wel overuren te maken,’ zeg ik moe.
‘En waar is Es?’
‘Die was niet uit bed te krijgen.’
Maar zonder Es kunnen we niet beginnen, dus het heeft nog heel wat voeten in de aarde voor we mijn eerste zin van de dag aan het papier kunnen toevertrouwen.

’s Avonds
Ik lees ergens dat het in Frankrijk bij wet verboden is je varken Napoleon te noemen. Als dat waar is, moet er ooit iemand een klacht tegen een boer hebben ingediend, want wie komt anders op zo’n mesjoche idee?
Zou dat verbod dateren van na de publicatie van Orwells Animal Farm  in 1945? U weet toch dat het dictatoriale varken in die allegorie Napoleon heet? Onze Leider, Kameraad Napoleon, Vader van Alle Dieren, Schrik van de Mensheid, Beschermer van de Schaapsstal, Vriend der Eendenkuikens — maar eerst en vooral Napoleon.
De Galliërs zijn nogal lichtgeraakt wanneer de nationale eer in het geding is. In de oorspronkelijke vertaling heet de tirannieke hoop reuzel en spek César…
Zou je in Duitsland, om de tegenovergestelde reden…?

10 juli
Over de domheid van moraalfilosofen.
De krant bericht over een vreemde en omstreden Duitse band, Rammstein geheten, die controverse heeft gebaard met een clip voor een Deutschland  geheten nummer. In de clip zijn beelden van kannibalisme en concentratiekampen te zien. De moraalfilosoof Ignaas Devisch beweert in de andere krant dat Rammstein het kwaad esthetiseert en dat de band cryptonazistische sympathieën heeft, maar dan niet zo crypto…
Ja was! Clip maar eens bekijken.
Een fantastisch schouwspel in een genre waarmee ik niet vertrouwd ben. Bange Romeinen banen zich een weg door de Teutoonse wouden. Ridders uit de Nibelungensage doemen op uit de eeuwige wagneriaanse nevelen. Bandleden met een ster op hun gestreepte hemd en een strop rond hun nek staan op een schavot. Aan het slot lijkt een zwarte koningin te triomferen.
Het is bijzonder knap gemaakt. Maar dat waren de films van Leni Riefenstahl ook.
En door dat alles heen zingt een Duitse stem… wat voor een Duitse stem is dat? De stem van een degenslikker wanneer hij de degen doorslikt?
Die Devisch kent geen Duits of anders is hij niet op het idee gekomen eerst eens de tekst van het lied te beluisteren. Het zijn harde rijmen, het is een tot op het bot, nee, tot op het zenuwstelsel versimpelde versie van Paul Celans dichtregel ‘Der Tod ist ein Meister aus Deutschland’. De woorden krioelen van Duitse zelfhaat, als een lijk van de maden. En tegelijk bedelt  diezelfde stem, sotto voce, of het misschien toch mag, van Duitsland houden, een klein beetje maar, ondanks alles…
Ignace, jongen, luister nu toch eens alvorens je te laten verrukken door je eigen trendy gemoraliseer!

Deutschland, deine Liebe
Ist Fluch und Segen
Deutschland, meine Liebe
Kann ich dir nicht geben
Deutschland!

11 juli
Ik zit me in mijn bloeiende tuin met het Al te verzoenen. Gisteravond had ik het erg te kwaad bij de Gedachte — de Gedachte die aan mijn haar trok, die om mijn hoofd fladderde als een van schaduw gemaakte vleermuis. Verdriet dat een kramp in mijn schouders werd en autonoom begon te schokken.
Anna, dochtertje Anna zou vandaag eenentwintig zijn geworden, of wordt eenentwintig, afhankelijk van mijn denkrichting.
Muziek (geen Rammstein), een paar gedichten, een blonde vrouw, een sterke zoon, een uit zonlicht geweven schoondochter — ja, verzoening, soms.

dagboekaantekeningen Dinsdag (of een andere dag, wat u wilt) Op een internetveiling van Nederlandse literatuur kom ik een bundel van mijn vader tegen. Jaren vijftig. Eerste druk. In goede staat. Er is één euro op geboden. Ik staar naar de foto van het object. Guillaume van der Graft. Woorden van brood. 1956. De flappen ontvouwen zich en het boekje maakt zich los van de foto, van het internet, van de immateriële wereld… het landt met fladderende bladzijden op mijn tafel,…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.


Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be



Geen inlogaccount of wachtwoord vergeten?

Met het onderstaande formulier maakt u een account of kan u uw wachtwoord herzetten.


Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Benno Barnard?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans