fbpx


Literatuur

Cholera in Parijs, deel I

Eerste van vier delen


Carnavalsmasker

In 1832 brak in Parijs een cholera-epidemie uit die in enkele dagen tijd duizenden doden maakte. Heinrich Heine, de dichter van de Loreley, schreef daar een reportage over, een ooggetuigenverslag voor de Augsburger Allgemeine Zeitung. Die krant stond toen bekend als de beste ter wereld.
Heine beschrijft hoe heel de stad Parijs in een verlammende schrik geraakt. Bij mijn weten werd zijn verslag nooit eerder vertaald naar het Nederlands.

Ik heb zijn tekst in vier stukken opgedeeld, en voorafgaand aan deel één gaf Heine enige uitleg aan de uitgever. Morgen deel twee enzovoort.

Halfvasten

Het is geen tijd meer voor bespiegelingen over het verleden. Het heden is op dit moment belangrijker en het thema dat dit heden mij nu ter bespreking aanreikt, is van die aard dat zelfs de vraag of ik kan verder schrijven ervan afhangt. Ik geef u een fragment van een artikel, en in een later boek kan het dan volledig verschijnen. Ik werd bij mijn schrijfwerk vaak gestoord, het meest door het verschrikkelijke kermen van mijn buurman die aan de cholera stierf. Ik moet u ook verwittigen dat de omstandigheden van die dagen een bedenkelijke invloed hadden op mijn volgende bladzijden; weliswaar had ikzelf voor zover ik wist geen enkel ongemak, maar als de geluiden van de Dood die zijn sikkel aan het wetten is, een mens zo duidelijk in de oren klinken dan stoort dat toch. Van zo’n geestelijk onbehagen kan je je niet ontdoen, nog minder dan van lichamelijke pijn. Was ook die er nog bijgekomen, dan was ik op de loop moeten gaan, zoals de andere buitenlanders hier; maar — hier lag ook mijn beste vriend ziek te bed. Ik vermeld dat, omdat men anders mijn achterblijven in Parijs voor een stukje bravoure zou kunnen aanzien. Alleen een gek zou er plezier in vinden om de cholera te willen trotseren.

Het was opnieuw een tijd van TERREUR,* veel verschrikkelijker dan die vorige, want deze keer hadden de terechtstellingen zo snel en zo heimelijk plaats. Een gemaskerde beul was het die met een onzichtbare GUILLOTINE AMBULANTE door Parijs trok. “De één na de ander worden we in de zak gestoken!” zei elke morgen mijn bediende al zuchtend, als hij me het aantal doden kwam melden, of ook de dood van een bekende. De uitdrukking “in de zak steken” was helemaal geen beeldspraak; er waren al vlug kisten tekort, en het merendeel van de doden werd in zakken begraven. Toen ik nu vorige week voorbij een openbare markt kwam, en in de grote hallen al dat lustige volk zag, die springlevende montere Fransmannetjes, en die lieflijke kletskousen van FRANÇAISES die lachend en schaterend hun inkopen deden, toen herinnerde ik mij weer dat er in de choleratijd op die plek, hoog gestapeld, vele honderden witte zakken lagen waar allemaal lijken inzaten, en dat je hier maar weinig stemmen hoorde toen, maar ze klonken des te pijnlijker; het waren namelijk de stemmen van de lijkwachters die met een griezelige gelijkmoedigheid elk hun aantal zakken toebedeelden aan de doodgravers, of het waren die van de doodgravers die bij het stapelen op de karren met gedempte stem dat getal herhaalden, of zich juist schril en luid beklaagden dat men hen een zak te weinig had geleverd, waarbij het niet zelden tot een bevreemdende ruzie kwam. Ik weet nog dat er naast mij twee knaapjes stonden met bedroefde gezichtjes, en één ervan vroeg mij: of ik niet wist in welke zak zijn vader zat?

De nu volgende mededelingen hebben wellicht de verdienste dat ze tegelijk ook een bulletin zijn dat op het slagveld zelf is geschreven, en nog wel tijdens de slag zelf, zodat zij de onvervalste kleur van het moment tonen. Toegegeven, in het genre hebben Thucydides, de geschiedschrijver, en Bocaccio, de novellist ons gavere voorbeelden nagelaten; maar ik betwijfel of zij, op het moment zelf dat de cholera van hún tijd allerhardst om hen heen woedde, of zij dan de koelbloedigheid zouden hebben gehad om zulks meteen in de ALLGEMEINE ZEITUNG van Korinthe, of in die van Pisa even mooi en meesterlijk te beschrijven.

Ik zal bij de volgende bladzijden aan één grondgedachte trouw blijven, en ook in de rest van het boek, namelijk: dat ik niets aan deze artikelen verander, dat ik alles laat afdrukken zoals ik het oorspronkelijk geschreven heb. Dat ik alleen hier en daar een enkel woord toevoeg of weglaat, als dat in mijn herinnering met het oorspronkelijke manuscript overeenkomt. Zulke kleine rechtzettingen hoef ik niet af te wijzen, maar ze zijn schaars en onbeduidend en nooit gaat het over feitelijke vergissingen, of valse profetieën of scheve perspectieven. Immers, juist die mogen hier niet ontbreken: zij behoren tot de geschiedenis van de tijd. De gebeurtenissen zelf zijn altijd de beste berichtgeving.

oOo

Ik spreek over de cholera die hier heerst, en ongebreideld heerst, en die zonder onderscheid van stand of gezindheid in duizendvoud haar slachtoffers velt.

Men had die pestilentie nogal onbekommerd tegemoet gezien, temeer daar vanuit Londen het bericht was gekomen dat er naar verhouding maar weinigen waren weggerukt. Aanvankelijk stond het zelfs goed om met de ziekte de spot te drijven. Men ging ervan uit dat de cholera zich hier in Parijs geen aanzien zou weten te verwerven, evenmin als zovele andere grote reputaties hier… en men kon toch die goeie ouwe cholera er niet van verdenken dat ze, uit schrik om belachelijk te worden gemaakt, naar een middel zou grijpen dat tenslotte al door Robespierre en Napoleon was uitgeprobeerd: namelijk dat zij het volk zou decimeren louter en alleen om respect af te dwingen.

Maar, met alle ellende die hier heerst, met het kolossaal gebrek aan hygiëne — en dat niet alleen bij de armste klassen — gezien de kwetsbaarheid van het ganse volk in zijn grenzeloze lichtzinnigheid, en bijgevolg een totaal gebrek aan voorzorgsmaatregelen, of zelfs maar aan voorzichtigheid, met dat alles dus moést de cholera wel snel en hard om zich heen grijpen, en hier meer dan elders.

Haar aankomst werd de 29ste maart officieel bekendgemaakt. Dat was de dag van halfvasten, MI-CARÊME. Het weer was zonnig en aangenaam, en dus wandelden de Parijzenaars vrolijk op de BOULEVARDS. Daar waren zelfs gemaskerden te zien die in overdreven kleuren en vormen de spot dreven met de angst voor de cholera, en met de ziekte zelf. Er was die avond nog meer volk op de REDOUTES** dan anders; overmoedig geschater overstemde de luidste muziek, de mensen raakten verhit van de CHAHÛT — het CANCAN-dansen: dubbelzinnig is die dans dan ook nauwelijks. En ze aten daarbij ijs en dronken allerhande koude dranken: tot plots een van de lustigste Harlekijns een al te grote koelte in zijn benen gewaarwerd en zijn masker aflegde, waarbij er tot grote verwondering van iedereen een viooltjes-blauw gezicht tevoorschijn kwam.

Men zag al snel dat dit geen grap was, en het gelach verstomde. Vele wagens vol met mensen werden gelijk van de REDOUTE naar het HÔTEL-DIEU afgevoerd, het centrale ziekenhuis waar zij, met hun avontuurlijke schertskledij nog aan hun lijf, terstond stierven.

Omdat men in een eerste paniek nog geloofde aan besmetting, en omdat de oudere gasten van het HÔTEL-DIEU een vreselijk angstgeroep aanhieven, heeft men die eerste doden naar men zegt zó snel begraven dat men niet eens de tijd nam om ze hun narrenkledij uit te trekken, en vrolijk als ze hebben geleefd liggen ze nu vrolijk in hun graf.

_______

* Woorden die Heine zelf niet naar het Duits vertaalt laat ik in de oorspronkelijke taal staan, en met de typografie die hij gebruikt.
** In de verouderde betekenis van openbare dansplaats of bal:  redoute masquée bv.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Marc Vanfraechem

Marc Vanfraechem (1946) werkte voor Klara (VRT-radio); vertaler, blogger sinds 2003.