fbpx


Literatuur, Satire

‘De boer zal ’t al betalen’: Cyriel Buysse en Hugo Claus

Socrates et cetera 46


Plus-Que-Parfait

Honderd jaar geleden verscheen bij de Antwerpse uitgeverij S.V. Lectura in Antwerpen de korte roman Plus-Que-Parfait van Cyriel Buysse. Ruim vijftig jaar geleden las Socrates etc. het. Hij had zowat alles verslonden wat aan werk van Vlaamse auteurs verscheen. Helaas, geen enkel boek bleef na lezing in zijn hoofd plakken. Dat was wel het geval met Plus-que-parfait en leverde een intense liefde op voor de schrijver van ‘t Bolleken en Het recht van de sterkste en de auteur van het beste toneelstuk dat ooit in Vlaanderen is geschreven, Het gezin van Paemel.

Een rasverteller

Enkele weken geleden vond Socrates etc. Buysse’s werkje tussen een stapel boeken die hem aangeboden was na het overlijden van de eigenaar. Het bleef enkele dagen liggen, maar aan de weerleiding kon hij niet ontstaan; hij las het nogmaals en was opnieuw zwaar onder de indruk. Inderdaad, Cyriel Buysse was een rasverteller en zijn werk bleef overeind staan, in tegenstelling tot dat van heel wat tijdgenoten.

Oorspronkelijk schreef Buysse zijn verhalen in het Frans, maar op aanraden van Maurice Maeterlinck schakelde hij over op het ‘Vlaams’. Die Franse aard was begrijpelijk. Niet alleen huisde Buysse in de kringen van de Gentse Franstalige bourgeoisie, maar alle slimmerds van Vlaanderen spraken Frans. Tot en met de sociale voorvechters van een Vlaamse universiteit, wat de uitvalsbasis zou betekenen van een Vlaanderen dat nationaal én internationaal politiek gewicht in de economische schaal kon werpen en daar baat bij hebben.

De invloed van zijn vriend Maeterlinck

Opgevoed in het Frans was hij bovendien vertrouwd met de Franse literatuur. Dat is ook te zien aan zijn romans, verhalen en toneelstukken. Ze ruiken naar Guy de Maupassant en Emile Zola. Die twee Franse rakkers staan literair een trapje hoger dan Cyriel Buysse. De schrijver van Plus-Que-Parfait mocht dan een verhaal kunnen schrijven met een mooie evolutielijn en een groeiende spanning, zijn karakters zijn minder uitgespit dan die van zijn Franse collega’s. Dat enkele van zijn romans en zijn bekendste toneelstuk al tijdens zijn leven in het Frans werden vertaald, is niet te danken aan de kwaliteit ervan, maar aan de invloed van zijn vriend Maeterlinck in Parijse literaire middens.

Laten we echter terugkeren naar het verhaal dat zulke indruk heeft gemaakt op de sociale aard van Socrates et cetera, de man waarvan ondergetekende spreekbuis is, zoals Plato dat was voor de eerst bekende ambetante kerel van onze cultuur. De korte roman vertelt het verhaal van een dorpsnotabele met één paard, die zijn bijnaam Plus-Que-Parfait te danken heeft aan zijn verzorgde uiterlijk. Zijn directe vrienden hebben meer paarden, met op kop ’t Barontje, tevens de burgervader, die er drie heeft, én een kasteeltje met een lange oprit. Met de komst van de auto overweegt de baron een auto te kopen. Bij rotweer dreigt de auto echter vast te lopen in de modderweg met zijn diepe geulen.

‘De boer zal ’t al betalen.’

Op aansporen van zijn vrouw besluit de baron daarom de weg te laten verharden. Maar wie gaat dat betalen? De gemeente uiteraard. Om dat te bereiken komt het onderwerp ter sprake tijdens het jaarlijks diner, aangeboden door de baron en de barones aan de gemeenteraadsleden, waarvan de belangrijkste boeren en Plus-Que-Parfait deel uitmaken. Op hun klompen voelden de boeren aankomen welke kost de gemeente — dus alle dorpsbewoners — na overgoten te zijn met spijs en drank, in de maag zou worden gesplitst. Ze waren er tegen maar niemand durfde bezwaar maken, mede door de aanwezigheid van de pastoor.

Enkel een kleine boer maakte een opmerking. Hij mag dan doorgaan voor de dorpsgek, hij is wel verantwoordelijk voor de sleutelzin van het verhaal. Vooral het tweede deel van de zin is doorslaggevend: ‘Bestel moar de zoavel en de stienen, mevreiwe; de boer zal ’t al betalen.’ Alle aanwezigen lachen, uitgezonderd Plus-Que-Parfait. Als het onderwerp een paar weken later op de agenda van de gemeenteraad staat, is iedereen van plan tegen te stemmen. Helaas, net voor het zover is, passeert onder het open raam de barones in haar koets en begint een luid gesprek met de pastoor, die daar ook, ogenschijnlijk toevallig, langskomt. Allen stemmen met gesloten mond en het hoofd gebogen voor de aanleg van de weg op kosten van de gemeente, uitgezonderd Plus-Que-Parfait.

Teloorgang van het dorpsleven

Het resultaat is dat hij de eenzaat van het dorp wordt. De dorpsnotabelen mijden hem, net als de boeren, bang als ze zijn van de pastoor en de baron. En zich blijvend schamen. Plus-Que-Parfait verarmt, zijn paard wordt kreupel en als hij sterft, sterft Plus-Que-Parfait ‘als slachtoffer van de automobiel’, zoals Buysse het uitdrukt, waarmee hij de teloorgang van het dorpsleven bedoelt. En in een bredere context: de vooruitgang heeft zijn voordelen, maar ook zijn nadelen.

Hoewel Buysse er financieel goed voorzat, en zich een auto aanschafte, was hij wel begaan met het lot van de mens met nauwelijks woorden in de mond. Hij was in zekere zin hun spreekbuis. Hugo Claus heeft dat zeer goed begrepen. Hij was een grote fan van de werken van Cyriel Buysse. Hij schaamde er zich zelfs niet voor zich vaak een onderwerp van Buysse toe te eigenen. Het mooiste voorbeeld is Claus’ beroemdste toneelstuk, Vrijdag, geschreven en voor het eerst opgevoerd in 1969.

Literaire dief

Hij ontleende het gegeven aan het eerste succesverhaal van Buysse, De biezenstekker. Het gaat over een man, Cloet, die vervroegd wordt vrijgelaten uit de gevangenis van Gent en thuisgekomen in zijn dorp geconfronteerd wordt met zijn vrouw die een boreling heeft die niet van hem is. Zelfs hij, verlost van God en pastoor, vindt het een doodzonde. De rest van het verhaal is de verwerking door de man en de vrouw door het kind als het hunne te erkennen

Hetzelfde gegeven vinden we terug in Vrijdag. Het meest merkwaardige is dat Vrijdag zich afspeelt op Driekoningendag. De dag dat drie koningen op zoek zijn naar een kind. Ja, Claus was een ketter, maar geen letter of hij ruikt naar Rome.

Toen Socrates et cetera Hugo Claus confronteerde met het feit van de grote gelijkenis tussen De biezenstekker en Vrijdag, haalde hij de schouders op en zei: ‘Iedereen steelt. Shakespeare deed het en de grootste literaire dief was Bertolt Brecht.’

Verder verhaal zit in de rand van de geschiedenis. A vous de décider.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Guido Lauwaert

Guido Lauwaert is regisseur, acteur, auteur, columnist en recensent voor o.a. Het Laatste Nieuws, NRC Handelsblad, Knack en Doorbraak.