fbpx


Buitenland, Cultuur

De goedgekeurde wereld

Dagboekaantekeningen (45)


The Red Lion

Maandag 12 april De Red Lion is voor de tweede keer heropend en terwijl het voorjaar zich in beperkte hoeveelheden door wolken gezeefd zonlicht over onze hoofden uitgiet, vieren wij aan een van de lange tafels in de tuin de terugkeer van het dorpsleven. Onze bubbel – wijzelf, Gary, Duncan, John Crook, Darryl – baart als een zeepbel in bad nieuwe belletjes, kleine aneurysma’s, gevuld met Irina, Tony en Lizzie Dyson, en daar iriseert Sue Lee, daar Mary… ik zie…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Maandag 12 april

De Red Lion is voor de tweede keer heropend en terwijl het voorjaar zich in beperkte hoeveelheden door wolken gezeefd zonlicht over onze hoofden uitgiet, vieren wij aan een van de lange tafels in de tuin de terugkeer van het dorpsleven. Onze bubbel – wijzelf, Gary, Duncan, John Crook, Darryl – baart als een zeepbel in bad nieuwe belletjes, kleine aneurysma’s, gevuld met Irina, Tony en Lizzie Dyson, en daar iriseert Sue Lee, daar Mary… ik zie het als een tafereel uit een kinderboek, maar dan met bierpullen en wijnglazen. We klinken op het leven, de vrijheid, het immer herrijzende Brede, de pasbenoemde vicar, de nagedachtenis van Prins Philip, de zon, de lente, die zich openbaart in het gezeefde zonlicht, de appelboom, Sussex, mijn hormonen… Is het leven geen komisch drama?
Nu moet ik pissen.
Niets is veranderd in de voorbije maanden. De gesigneerde foto van de Beatles hangt op haar vaste plaats, de urinoirs staan onbewogen in hun porseleinen gelid, de geursteentjes prikkelen mijn neus; ik open mijn gulp, leun met mijn voorhoofd tegen de tegelmuur, en terwijl overbodige stoffen uit mij stromen, vult mijn hoofd zich met een voor ons toneelstuk onmisbare substantie: mijn goedkeuring. Zonder mijn hoofdknik vond het eenvoudig niet plaats, was er geen Brede, geen theater, geen kosmos… Wat een vermakelijke gedachte: ik, poppenmeester!

‘s Avonds

Misschien hebt het bovenstaande niet begrepen of – waarschijnlijker – als arrogant uitgelegd. Maar het is eenvoudig de wet van de literatuur. Wetenschappers scheppen geen wereld. Ze spreken geen enkele taal. De taal spreekt hen – hun formules formuleren zichzelf, ze zitten opgesloten in het gebied van het abracadabra. De ware menselijke taal wordt door schrijvers gesproken, zij het dan ook niet door negentig procent van mijn geachte collega’s.

Dinsdag

Dat gedicht ‘Schrijvenderwijs’: ik weet dat mijn vader het in tien minuten heeft opgeschreven, nu alweer een jaar of zeventig geleden. Je kunt het dus vergelijken met de schepping in zes dagen: had God een perfecte wereld gemaakt, en daar jaren op gezwoegd, dan zou die minder goed zijn geweest.

De literatuur waar ik van houd is trouwens een naar het absurde neigende mengeling van zinvolle anekdotes – mag ik het zo uitdrukken? Alles in het leven is anekdotisch, alleen professoren denken in abstracta.

Donderdag

Irina heeft ons op haar terras uitgenodigd, dat zich als een proscenium boven de glooiende schapenwei van Hare Farm verheft: de gelegenheid is haar verjaardag. Andere vrienden vormen al beschaafde groepjes, waar formuleringen als floretten tegen elkaar ketsen en de vonken in het rond vliegen; een butler die Prosper heet (en in zijn vrije tijd Irina’s zoon is) serveert thee, sandwiches met komkommer en zalm, scones met room en aardbeienjam – ik kijk naar zijn gezicht, zo uitgestreken alsof hij een strijkijzer heeft gebruikt. Hij wordt bijgestaan door een livreiknecht die in zijn vrije tijd een Schotse vriend van hem is. We zingen de jarige toe. De dialogen sprankelen in de late zon. Het theewater ondergaat een transsubstantiatie. We drinken de jarige toe.

‘Ik wist niet dat de televisie in Hastings was uitgevonden,’ zegt Irina. ‘Dat staat op een bord als je Hastings binnenrijdt.’
‘Er is hier wel meer uitgevonden,’ zegt Darryl. ‘De liberale democratie bijvoorbeeld.’
‘Laten we het bij Sussex houden,’ zeg ik. ‘Cricket komt uit Newenden.’
‘Newenden ligt in Kent, schat,’ zegt Mary.

Deze charmante kastijding dwingt me tot haastig geschmier: ‘Het geluk! Het geluk is uitgevonden in Brede!’
Stormachtige bijval. We heffen het glas. Tevreden knabbel ik op een nootje.

De Schotse vriend maakt een grap over Engelse onafhankelijkheid. Ik vraag hem of hij een voorstander van een Schotse staat is. Dat is hij. Waarom dan wel. Om van Boris af te komen
‘Beetje drastisch. Ga je dan elke keer als de premier je niet bevalt een referendum organiseren? Je weet toch dat Schotland economisch wordt onderhouden door de rest van de Unie? Hoeveel heb je voor je universiteit betaald?’
‘Die is gratis.’
‘Niet in Engeland. Maar Engeland betaalt wel voor de cadeautjes die de nationalisten uitdelen.’
‘Dat ontken ik niet.’
Hij trekt een verlegen gezicht, maar we leveren slag bij Culloden en deze Pict moet over de kling:
‘Bovendien zorgt Spanje er wel voor dat Schotland de komende twintig jaar geen lid kan worden van de EU. Ik denk dat Boris tegen die tijd wel weg is.’
‘U weet er meer van dan ik.’ Ontwapenende Schotse koorknaap! Hij is acteur, natuurlijk weet ik meer. Ik laat mijn zwaard zakken.
‘Jullie hebben toch geen taalproblemen met ons?’ (Ons… opmerkelijk genoeg meen ik dat persoonlijk voornaamwoord.) ‘Weet je, ik heb jaren in België gewoond en daar…’

‘Laten we zingen,’ zegt Irina. Ze wijst op haar buffetpiano. Ik volg haar gebiedende hand, in het verlengde waarvan troepen zangers en acteurs beginnen te beven. En dus begeven we ons van Culloden naar de Scala: we vormen een halve cirkel rond de piano, waarachter Duncan plaatsneemt, en zingen zo’n beetje alles wat we uit ons hoofd kennen, terwijl Gary als dirigent de toonhoogte in de lucht tekent. De zangstonde culmineert in het zoete nationalisme van ‘Jerusalem’ – mijn zwaard zal niet slapen in mijn vuist voordat we Jeruzalem hebben gebouwd, al ben ik met Brede ook best tevreden. In mijn huid prikt de zwakstroom van het sentiment. Uit de rivier stijgt een avondlijk fluïdum op dat de vallei betovert. Op het voortoneel plengt mijn oude vadertje een traan.

Alles in de dampkring rond Irina gebeurt maar gebeurt niet echt.
Ziehier een zinvolle anekdote.

Zaterdag 17 april

De honden rennen langs de heuvelflank aan de zuidkant van Brede Place. Een schot knalt; dan een tweede, een derde… Zijn dat saluutschoten, afgevuurd ter ere van de Hertog van Edinburgh, die vandaag begraven wordt? Meer knallen. Het atavistische wolvenverstand van Roffel maakt dat hij bij een onweersbui in de grot achter de sofa schuilt, hijgend van angst – dat hebben vijfduizend generaties van domesticatie hem niet afgeleerd, zijn tong hangt uit zijn bek, hij kwijlt en ik voel altijd medelijden. Maar deze schoten schijnen hem niet te deren. Sammie daarentegen legt haar oren plat tegen haar kop en jankt. Opnieuw knallen er schoten, die onder de blauwe koepel van de lentehemel weerkaatsen; ze zijn te onregelmatig om plechtstatig te zijn – het jachtseizoen voor fazanten is voorbij, misschien hoor ik een gaskanon in een boomgaard?

Ik bereik de oprijlaan van Brede Place, een halve mijl waarlangs eiken met het ritme van telefoonpalen verrijzen, alvorens de toegangsweg bij de poort van het landhuis splitst en de oostelijke arm in een wirwar van rododendrons uitmondt. Hier schouw ik altijd de troepen. Beng. Daar hebben we Roffel, die gaat liggen bij het hek van het weiland dat naar het huis van de vier zusjes leidt. Sammie ontbreekt op het appel en reageert ook niet wanneer ik op mijn vingers fluit. Gewoonlijk volstaat een gefluisterd ‘Sammie…’ om ervoor te zorgen dat ze aan komt snellen en op haar rug rolt, waarbij ze van loutere ongeëmancipeerde onderworpenheid een klein fonteintje in haar onderbuik activeert. Nu: niets. Beng, beng. Ik voel een vlaag van paniek, afvalproduct van haar hondenangst. Roffel en ik dalen de helling weer af, terwijl ik roep en fluit.

Ik vind haar terug in de beek die aan de voet van de heuvel tussen hoge oevers stroomt: in die holle waterweg baadt ze meestal tien of twintig tellen aan het begin van onze wandeling; nu ligt ze met haar buik tegen de bedding aan gedrukt, terwijl alles langs haar vacht voortkabbelt en niets blijft.

Maandag

Christopher en Hayley zijn op huizenjacht in Washington en bellen vanaf een steiger, blakend van de zon op het telefoonschermpje van Joy. De waterkant is een jachthaven; achter hun rug dobbert de nodige welgesteldheid. Ze lachen. Ze zijn gelukkig. Naarmate zij ons minder nodig hebben, hebben wij hen harder nodig. Ik kijk naar de toekomstige vrouw van mijn zoon – in het venstertje rekt de dag zich telescopisch uit naar het midden van de jaren tachtig en uit het niets van een willekeurige Brusselse straat verschijnt Joy… en terwijl alles weer van de vierde naar de derde dimensie krimpt, begrijp ik dat de vrouw van mijn zoon een noodzakelijke anamorfose van de moeder van mijn zoon is, zonder dat te kunnen verklaren.

Na afloop van het gesprek

Het bovenstaande is mythisch en niet psychologisch, wat verklaart waarom ik het niet kan verklaren.

Woensdag 21 april

Ons Amerikaanse nichtje Sydney heeft de gebruikelijke puberonzekerheid over haar eigen lichaam vertaald in het verlangen haar borsten te laten wegopereren. Ze is nu achttien en negeert de smeekbeden van haar ouders en zus. Wacht toch, kind, tot je voldoende ver in het leven bent gevorderd om zeker te weten dat de storm van je adolescentie is uitgewoed.

‘Wees jezelf,’ beveelt de psychiater.
‘De slijpsteen draait al voor mijn scalpel,’ neuriet de chirurg.

Vrijdag 23 april

We rijden naar Tenterden, een marktstadje in Kent, op het ondraaglijke af bekoorlijk. Een stafkaart van het Britse leger leidt ons, een thermosfles met thee houdt ons gaande. Ik krijg de indruk dat ik van het vele wandelen scherper ga denken; hopelijk vermijd ik het soort larmoyante flauwekul dat in de wandelende Rousseau opborrelde – Rousseau is helaas onze tijdgenoot, alles wat ik bestrijd, sentimentaliteit, narcisme, de cultus van het natuurlijke, aangeborene, naïeve, vind je al terug in zijn geschriften. Deze puntige gedachte ontwikkel ik binnen een kwart mijl, bij de aanblik van het eerste koolzaad, dat van een haast theoretisch geel is; het groeit tegen de hellingen rond het stadje, en onder de bomen langs het pad dat tussen de velden over onze kaart voert (waarschijnlijk naar een Britse overwinning) schittert het blauw van de boshyacinten…

Maar nu onderbreekt Joy dit college kunstgeschiedenis in twee kleuren met de kreet: ‘Kijk uit, een paard!’ En waarachtig, vlak voor mijn neus doemt een reusachtig paard op, des te reusachtiger doordat het – komend uit een bosweg die ons pad kruist – al hinnikend steigert en in die houding lijkt te verstenen, terwijl de ruiter met een boog in het struikgewas belandt. Het is een scène uit een stripverhaal. Ook Joy groeit en wordt reusachtig, een heldin die de teugels grijpt en ‘Rustig, jongen’ zegt en het monster inderdaad bedwingt, zodat het geheel gekalmeerd op zijn vier voeten landt en het onmiddellijk op een grazen zet in de berm die ons van de hoofdkleur geel scheidt

Zuster Nightingale buigt zich over de wanordelijke hoop tweed die is afgeworpen en die onbeschadigd blijkt – op een trauma na, maar wie heeft er nu geen trauma – en terwijl ik de blaffende honden aanlijn, dwalen mijn gedachten af naar Boekarest, waar een ruiterstandbeeld van Karol I staat, voor de universiteitsbibliotheek, die bij de revolutie van 1989 deels is afgebrand… Waarom associeert mijn geest nu toch een zenuwachtige ruin in Kent met die koning en zijn dramatische achterdoek, terwijl Europa vol bronzen en stenen paarden staat die hunkeren naar de galop?

De kerel heeft zich verzoend met zijn knol en nu slokt het geel hen beiden op; wij wandelen terug en eten vis en vette frieten met azijn bij het stationnetje van Tenterden, waar je per stoomtrein naartoe kunt reizen vanaf Bodiam, zoals ik ooit met mijn ouders heb gedaan, voor mijn leven met Joy begon.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.