fbpx


Cultuur

De groene Volvo

Dagboekaantekeningen (34)


Volvo Amazone

Remembrance Sunday Op de Village Green komt de Last Post uit een ouderwetse bandopnemer en wikkelt zich rond de laatste slierten ochtendmist. Een padvinder begint aan ‘They shall not grow old’, maar zwijgt bedremmeld als hij in de rede wordt gevallen door een dove veteraan van de Falklandoorlog, die de dichtregels als zijn opdracht beschouwt en ze met krakend stemgeluid afvuurt, alsof hij vijandige trommelvliezen wil raken. We zingen ‘I Vow to Thee, My Country’, op de smeltende melodie van…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Remembrance Sunday

Op de Village Green komt de Last Post uit een ouderwetse bandopnemer en wikkelt zich rond de laatste slierten ochtendmist. Een padvinder begint aan ‘They shall not grow old’, maar zwijgt bedremmeld als hij in de rede wordt gevallen door een dove veteraan van de Falklandoorlog, die de dichtregels als zijn opdracht beschouwt en ze met krakend stemgeluid afvuurt, alsof hij vijandige trommelvliezen wil raken. We zingen ‘I Vow to Thee, My Country’, op de smeltende melodie van Gustav Holst, waar de herfstbladeren in de grote eik plechtstatiger van gaan ruisen.

Nu komt er een politiewagen de heuvel afrijden. Hij vertraagt en stopt voor de pub aan de overkant. We zingen verder. De agent (hij is alleen) ziet veertig wetsovertreders staan, zij het op gepaste afstand van elkaar: een potentiële boete van 400.000 pond. In hem worstelen plichtsbetrachting met vaderlandsliefde, bureaucratie met respect voor het ritueel en de gemiddelde leeftijd. Hij pakt zijn telefoon, kijkt ernaar, legt hem neer, zet zijn zwaailicht aan en vervolgt zijn weg naar een denkbeeldig handgemeen in Westfield.
Onze Vader x 40.
God Behoede de Koningin x 40, tamelijk luidkeels. De klaproos wiegt in mijn lapel. Ook Joy en ik zingen het volkslied van onze 38 dorpsgenoten mee. We maken zelf wel uit tot welk volk we behoren.

Zondagavond

Ik kijk naar de overwinningsspeech van Joe Biden: Amerikaanse politieke retoriek is een genre dat met de rap verwant is, je wil de tekst niet lezen. Maar deze oom zegt precies wat Amerika vandaag moet horen.

Kristallnacht

Krantje. Julie Cafmeyer. Dit stuk pluimvee citeert een communistische website: het kapitalistisch systeem stinkt en ‘beschermt het leven niet’.

Kapitalisme… een duistere meesteres. Helaas beschermt het communisme het leven door middel van censuur en het massaal opsluiten en executeren van zijn onderworpenen. Maar gek genoeg worden er altijd weer geletterde mensen door die sirenenzang bedwelmd en beginnen dan te neuriën alsof ze smachten naar verlossing uit de ketenen van de vrijheid. De reisgenoten van Odysseus stopten was in hun oren, maar in literaire salons is dat een schaars artikel. Word arm! zingt het koor op de rotsen. Wij wachten op de zoveelste wederkomst van Marx op aarde. Pompompom. Word onvrij!

Julie Cafmeyer… voor deze kipwording van het denken volstaan een paar honderd miljoen dode wormen niet.

Zonder datum

‘Als zich bij een gezelschap iemand voegt die veel afweet van het onderwerp waarover gesproken wordt, leidt dit niet tot een conversatie. De anderen zwijgen, laten hem praten, er ontstaat een zekere vijandigheid omdat ze zijn superioriteit voelen. Komt er daarentegen iemand binnen die al voor hij zijn mond opendoet verraadt dat hij niet meer weet dan de anderen, dan volgt wel een levendige conversatie.

Zo gaat het ook toe in wijder verband, in de literatuur: over een echte prestatie wordt nooit gesproken, er verschijnen geen recensies, maar stijgt iets niet uit boven de middelmaat dan wordt er in alle kranten heisa over gemaakt; de echte prestatie blijft alleen maar voorwerp van stille jaloezie.’
(Kierkegaard over Julie Cafmeyer en mij.)

Maandagavond

Het is om halfvijf al aardedonker: de zonnige herfstdag is uitgemond in de veilige burcht van Das, waar het vuur brandt in de grote haard; of nee, ik schakel over naar Downton Abbey, waar het spook van de butler milord een glas whisky op een zilveren dienblad brengt, maar milady blieft geen alcohol… en terwijl de vlammen trouwhartig knetteren, verzucht ik zoals wel vaker in de voorbije maanden dat ik nu zo zielsgraag in gesprek zou zijn, nee, niet met mijzelf, in hemelsnaam, verlos mij van mijzelf, o God van de antropomorfe dieren, laat mij toch de pientere Mol zijn, laat mij toch kletsen met mijn vriend, de goedhartige Rat!

Donderdag

Gilberte, de dochter van Swann, zegt (in mijn vertaling) tegen de ik – ze knikkeren, gooien sneeuwballen, lezen Racine en vousvoyeren elkaar: hoe oud zijn deze vreemde wezens? – dat ze het ‘rot’ vindt dat ze morgen niet kan komen spelen.

Uitgesproken in het Parijs van de belle époque, resoneerde dat ‘rot’ in de armoede van een bepaald Rotterdam rond 1930; en daarvan ving ik weer de echo op omstreeks 1965, toen mijn vader vertelde hoe hij aan tafel bij zijn ouders thuis ‘rot-Rotterdam’ had gezegd, wat hem op een berisping was komen te staan: ga je mond spoelen, Wim. Maar Wim was slim en zei: ‘Het spijt me, ik stotterde.’
De woorden weerklonken achter de kapperszaak van mijn grootouders, die net zo’n beetje op faillietgaan stond, in een donker interieur zonder het minste beetje Swann en Odette. Mijn grootmoeder, vroegoud, draagt haar grijze haar in een knotje; mijn grootvader, schuin voor haar op een omgekeerde eettafelstoel gezeten, met zijn onderarmen rustend op de leuning, klemt een sigaar tussen zijn kaken (‘vanwege de centen rookte hij alleen op zondag’), waaromheen een zweem van een glimlach, meer een krachtsinspanning (‘mijn vader was een sombere man’); en achter de echtelieden Hendrik en Jannetje is de kamer gevuld met een schemering die op haar beurt is gevuld met onscherp meubilair, spiegel, buffet, fotolijstjes, Statenbijbel, eettafel, tafelkleed (het klampt zich moeizaam aan de tafel vast), zware gordijnen met kwasten (ze kwijnen weg in de schemering)…
Het is alsof de fotograaf de as van die sigaar over zijn foto heeft gewreven, om zo de inborst van Hendrik tot uitdrukking te brengen.

Vrijdag de 13de

Enkele jaren voor de Oorlog van de Klaprozen, rond 1910, zijn de blikken die de volwassen Marcel Proust in het Bois de Boulonge op de vrouwen werpt – de toiletten, de moestuin op hun hoofdje – anachronistisch van karakter, omdat deze tijd niet de ware tijd is en bijgevolg ook kleding, voorwerpen, voertuigen ‘onwaar’ zijn geworden.
Horreur van de automobiel! Hij is fetisjistisch aan de rijtuigjes van vroeger gehecht.

En of ik met dat verschijnsel vertrouwd ben… Maar toen het nog niet zover was, drong ik er bij mijn moeder op aan een roman van een generatiegenoot van me te lezen. Dat was een slecht idee. Ze was ontredderd door het boek: het speelde in een kapotte wereld, in een moderniteit die ze niet herkende en die haar beangstigde, en niet (zoals ze het uitdrukte) in de echte wereld, de veilig afgebakende werkelijkheid van haar gelukkige vooroorlogse herinneringen, waarin dienstmeisjes uit de Weimarrepubliek rondliepen, meisjesboeken een keurig stapeltje vormden, een tennisleraar in een bobbelloze witte flanellen broek naar haar lachte en de permanente zonnigheid zich gewillig liet vereeuwigen op kiekjes geheten vakantiefoto’s, genomen aan de kust van een land dat maar zeven miljoen inwoners telde. (De kindertijd van mijn vader verliep synchroon, en in dezelfde stad, maar je hebt slijk der aarde nodig om nostalgie te telen.)

Er is altijd een nieuwere, modernere moderniteit waarachter een later vroeger zijn hand naar ons opsteekt. Mijn eigen Marcel-zijn is tot de rand toe gevuld met heimwee naar de Volvo Amazone, een pilsje voor een gulden, het glanzende woord gulden zelf…
Maar onze nostalgie is als de kater die zijn dikke poot in het muizenhol probeert te steken.

Zaterdag

De schemerige dag heeft een boek van de Hongaarse schrijver Sándor Márai op mijn deurmat gedeponeerd, De opstandigen, oorspronkelijk uitgegeven in 1930. De hoofdpersonen behoren tot de vergulde jeugd van Boedapest, hun vaders vechten in de schokkerige, zwart-witte, met de laatste paarden, pluimen, lansen en sabels van het roemrijke verleden versierde grote vernietigingsoorlog, die Hongarije van Oostenrijk losscheurt. Het verdrag van Trianon maakt dat het mythische Magyarendom in 1920 twee derde van zijn grondgebied moet teruggeven aan het Avondland; sindsdien staat dat in zijn imperialisme gefnuikte ruitervolk verongelijkt op de mesthoop van zijn veel te kleine erf te kraaien.
Voorin is een geel briefje geplakt met de tekst: ‘Van Peter de Boer te Lausanne’. Dat laat ik erin zitten, als een saluut…

Zevenenzeventig jaar na Trianon verscheen de Hongaarse vertaling van Het gat in de wereld, en daarom mocht ik vijf weken in het oker- en mokkakleurige Boedapest aan de faculteit neerlandistiek doceren. Begin april overhandigde mijn vertaalster, Judit Gera, tevens professor en weldra vriendin, mij de sleutels van een driekamerflat in de Cjestei útca. Mijn leeropdracht bleek een zachtgroen ligbad te impliceren, een ottomane, biedermeierstoeltjes, zoet-romantische olieverfschilderijtjes met geruststellende afbeeldingen van de poesta en het Vissersbastion, planken vol onleesbare boeken, waarboven de endemische melancholie van haar volk zweefde… dit alles geïncrusteerd in socialistisch beton en toebehorend aan een academicus die een sabbatsjaar in het buitenland doorbracht.

Vanaf het balkon zag ik de stroom van Johan Strauss junior, die zich naar twee zijden uitstrekte en meestal groen of wit was, maar nooit blauw. Aan mijn voeten bloeiden uitbundig de appelbomen.

‘s Avonds (1997)

Op dinsdagavond kwam altijd een clubje van tien of twaalf schrijvers bijeen in hotel Astoria, een pronkstuk uit de nadagen van de Dubbelmonarchie, in het hart van Pest: een en al mahonie, glimmend koper, tapijten die nog de viriele tred van Kaiserliche-und-Königliche officieren hadden geduld; helemaal zoals het hoort dus.

Maar naar de duivel met mijn nostalgie! Ik was uitgenodigd om een glas te drinken met mijn levende collega’s en ik had me naar de hoek van de Károly körút en de Rákóczi út gehaast, waar het personeel in de lobby van het eerbiedwaardige etablissement zijn uit de belle époque stammende omgangsvormen juist aan een luidruchtig zootje nieuwe rijken stond te verkwisten, Russen of Oekraïners. Ik werd naar de bar verwezen.

Daar zat de crème van de hoofdstedelijke intelligentsia te debatteren met een vuur alsof de hele literatuur opnieuw moest worden uitgevonden (wat in zekere zin ook zo was). Men was bezig een nieuwe schrijversbond op te richten, legde de dichter Adám Tábor mij uit. Klein, nerveus, Joods, een intellect als een opgeschrikte vleermuis, knipperend met zijn ogen en struikelend over zulke details als de Duitse en Engelse zinsbouw. Hij schetste zijn visie op de oude schrijversbond: een rechtse, klerikale, nationalistische, censuristische, exclusivistische, restauratieve, fascistoïde, intolerante bende. Onder de kroonluchters van Astoria woekerden de adjectieven als zwammen.

‘Was die bond dan niet communistisch?’ vroeg ik onschuldig.
‘Op papier, ja. Maar hun ware aard bleef die van onze vooroorlogse fascisten. Ik verlang’ – hij verhief zijn schrille stem – ‘naar een beschaafd centrum, dat van mij geen Jood meer maakt! Want dat doen ze allemaal, fascisten en communisten…’

Mijn clubfauteuil veranderde in een grote oorschelp.

De essayist László Földényi – een chic grijzende veertiger, gewapend met een rond metalen brilletje en een fenomenale kennis van de Duitstalige cultuur – plaatste de situatie in historisch perspectief. ‘Het zit namelijk zo,’ zei hij in zijn weke Duits, ‘dat er hier een aloude vete tussen de zogenaamde urbanisten en de zogenaamde populisten bestaat, anders gezegd tussen de kosmopolieten en de nationalisten. Tijdens het interbellum was dat ook al zo. Het is in dit land moeilijk om tussen die twee een fatsoenlijk evenwicht te bewaren. De eersten onderschatten altijd dat je nu eenmaal ergens bent opgegroeid, en de nationalisten hebben een kielzog vol antisemieten en idioten.’
‘Populisten, zegt u? Voor het eerst dat ik dat woord hoor.’
‘Ja, zo noemen wij dat hier. Ongetwijfeld heeft de kwestie te maken met onze chronische identiteitscrisis. We voelen ons tegelijkertijd superieur en mislukt.’
Zijn analyse herinnerde me aan Emil Cioran, die ergens vertelt dat zijn oudste kinderherinneringen met een traumatische angst voor de Hongaarse politie zijn verbonden.

Een derde literator, wiens naam ik niet verstond, vulde aan: ‘U moet begrijpen dat wij Hongaren aan een hevige existentiële twijfel ten prooi zijn. Waar horen wij, afstammelingen van een woeste Aziatische horde, nu precies thuis? Wat is onze plaats in de kosmos? We zijn niet eens naar behoren thuis in Europa.’

‘En geen hond verstaat onze taal,’ zei Adám droefgeestig. ‘Maar diep in ons hart vinden we het onzin om vreemde talen te leren.’

‘s Nachts

De kogelgaten uit het jaar zesenvijftig waren grotendeels dichtgesmeerd, waarschijnlijk tot tevredenheid van het spiedende Brussel (Hongarije zat in 1997 nog in de zogeheten ‘wachtkamer’, een ruim vertrek vol Turkse functionarissen). Ik huiver bij de gedachte… maar ik betreurde de ijver van de bouwvakkers! Het dichtsmeren maakte nieuwe gaten, dit keer in het geheugen – bovendien memoreerden de schaarse nog pokdalige gevels voor mij privé dat ik toen al bestond; ik was immers twee geworden in Londen, waar mijn ouders uit angst voor een nieuwe oorlog een hotelkamer hadden genomen: mijn geschiedenis als zoön politikon was in zekere zin hier in Boedapest begonnen.

Woensdag 18 november

Christopher en Hayley hebben toch een vlucht naar Heathrow weten te vinden en zijn dus in Brede voor mijn verjaardag en Thanksgiving. Een gemaskerde Joy omhelst haar gemaskerde broedsel en zijn Zeppora… dan ben ik aan de beurt. Vlak voor vertrek hebben ze negatief getest en er waren maar vijftig passagiers aan boord. Nu nog de naald van Oxford of Pfizer.

Middernacht

Het gebruikelijke telefoongesprek met Peter. Ik bedank hem voor het boek van Márai, de madeleine die Hongarije weer voor mij ontsloten heeft.

En zo zwerven wij achterwaarts door onze geschiedenis, helemaal terug naar de dagen dat ‘meneer De Boer’ (in onze conversation fleuve ‘de ouwe Siebe’ genoemd) ons in zijn welgevormde donkergroene Volvo Amazone naar de oprit van de snelweg reed, vijf kilometer buiten Rozendaal. Bij die betonnen curve begon de toekomst, de stad, de volwassenheid. We hadden een liftplankje uit een schoolbord gezaagd, waarop we met krijt Utrecht of Gent schreven – daarmee bedoelden we de toekomst.

Ik ben een langharige scholier met een ziekenfondsbrilletje, kenner van Griekse stamtijden en het absurdisme van Beckett, een ‘poëtische efebe’ (zoals mijn vader liefdevol spot) – maar in deze wereldvreemde jongen, die haast een halve eeuw later zijn eigen licht-komische gedenkzuil is geworden, borrelen en gisten de hormonen: hij is in de onafzienbare wereld op zoek naar zijn Vogeltje, dat Joy zal heten…

Ze logeerde bij vrienden van haar ouders in Brussel, dit Amerikaanse meisje, en op een zomerdag in 1984 betrad ze de Grote Markt, waar ik vanaf de tegenovergestelde kant naderde: de schikgodinnen spinnen en giebelen en verwarren haar levensdraad en de mijne precies in het midden van dat plein, waar ik haar in tegenlicht op mij af zie komen. Duizelingen. Zonnevlekken. Goud. Ik, verblinde Mol, ben in jouw gezelschap, schrandere Rat. En ook zij is niet alleen: Laurie, dochter van de vrienden van haar ouders, laat haar uitgerekend vandaag het vergulde marktplein zien. En de draden zijn zo gesponnen, verwikkeld, gedraaid, verhaspeld, dat jij, Rat, haar, Laurie, kent. En dat ik aan mijn lotsbestemming word voorgesteld – het is 23 juli 1984.

‘Joy heet ze. Jammer genoeg Amerikaans, maar regelrecht uit de Italiaanse renaissance, voorzien van golvend blond haar en verbaasde blauwe ogen (omdat ze niet weet wat ze ziet, nl. Europa), waarin de verdrinkingsdood wel iets aanlokkelijks heeft. Beetje mollig, net genoeg. En die tieten! Als zacht marmer…’

Levensechte flauwekul, ‘s avonds genoteerd en helaas bewaard gebleven. Slechte dichtkunst. Vuur van mijn lendenen.
We trouwen een jaar later.
Rat! Hoor je me? Jij bent mijn getuige!

Zaterdag 21 november

Vandaag zesenzestig geworden. Monter breken wij de wet: vanmiddag picknickt het gezinnetje bij Bodiam Castle, in gezelschap van John en Darryl. Een zonovergoten herfstdag en we zijn een taai ras en zullen niiiimmer slaven zijn, re do ti sol do la ti do ti la sol… En vanavond sluipen Gary en Duncan, met het duister om zich heen geslagen, naar onze keukendeur om hier te eten.

Mijn moeder werd zesenzestig in 1985, mijn vader in 1986, Peter 315 dagen geleden, Herman zou zesenzestig zijn geworden in 2010, Anna in 2064.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.