fbpx


Cultuur

De laatste dagen van de mensheid

Dagboekaantekeningen (67)



Paaszondag De corpulente bisschop van Lewes celebreert de mis en opmerkelijk genoeg zit de kerk bijna vol. Het door de hoge ramen binnenvallende zonlicht doet de primaat fonkelen: het goudstiksel van zijn gewaad lijkt de voortzetting van de speciaal voor vandaag geschapen zonnestralen. Maar dan gebeurt er iets onverwachts: de acoliet, die voor de bisschop uit naar het middenpad schrijdt, waar de lezing uit het Evangelie zal plaatsvinden, keert zich plotseling naar mijn bank (Joy zit in het koor) en…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Paaszondag

De corpulente bisschop van Lewes celebreert de mis en opmerkelijk genoeg zit de kerk bijna vol. Het door de hoge ramen binnenvallende zonlicht doet de primaat fonkelen: het goudstiksel van zijn gewaad lijkt de voortzetting van de speciaal voor vandaag geschapen zonnestralen.
Maar dan gebeurt er iets onverwachts: de acoliet, die voor de bisschop uit naar het middenpad schrijdt, waar de lezing uit het Evangelie zal plaatsvinden, keert zich plotseling naar mijn bank (Joy zit in het koor) en fluistert dat ik het heilige geschrift moet vasthouden, en voor ik het weet weerklinken de hallellujahs en sta ik vlak voor de brokaten massa met trillende handen een boek zo stil mogelijk in de lucht te houden… en hij leest, waardig, met een nobele dictie, maar nu is het of de tremor zich naar mijn keel verplaatst, de wierook kietelt mijn keel… ik moet hoesten van die ondraaglijke wierook! Hoe slaag ik erin niet te hoesten?
Afgezien daarvan is het een verfijnd ritueel: iemand in een toneelkostuum die voorleest uit een boek dat een burgerman, in zijn zondagse pak gestoken, voor hem omhoog houdt. Wie bedenkt nu zoiets? (De traditie. De traditie bedenkt zoiets.)

Paaszondagmiddag

Meer zon, die een twintigtal gelukzaligen sauteert in de tuin van Judy en Steve: we gaan al snel aan de lange tafel zitten, in de beschutting van een witlinnen hemel. We kletsen erop los. En zoals de tijd zich die ochtend heeft afgespeeld in een evenwijdige tijdrekening (die van het kerkelijk jaar, die van ons geïrriteerde verzet tegen de dood), zo blijft de kalendertijd stilstaan op dit kleine landgoed, waar de schaduwen van de appelbomen en de tuinmuur en de tent versmelten met het licht: het is de hele middag twaalf uur… En we kletsen. We eten en we kletsen, gehuld in makkelijke doch feestelijke kleren, terwijl onze toenemende molligheid onder die kleren kruipt, en we vinden elkaar ‘best te doen’: de kalende schedels symboliseren een zeker intellectualisme, de forse, enigszins rode neus van Ian is als een klein ornament, de vlekkerige huid van Judy heeft iets vaag aristocratisch; de schoonheid van Joy – vandaag straalt ze als de bisschop – contrasteert bevredigend met mijn eigen onaantrekkelijkheid. En we kletsen. En de zon staat stil. En de Mensenzoon… nee, even geen theologie alsjeblieft.

Maandag 18 april

De Russen hebben weer raketten op Lviv gegooid, inclusief een paar in de buurt van het Centraal Station, waar ik ooit met de nachttrein vanuit Krakau ben aangekomen. Onderweg, aan de Pools-Oekraïense grens, monteerden eeltige handen met het honderdvoudig versterkte geluid van klinkende bierpullen een ander onderstel onder de trein (die we daarvoor niet eens hoefden te verlaten): vanaf hier kregen we met de tsaristische spoorbreedte te maken.
Het oude Lemberg was in het eerste ochtendlicht betoverend en was dubbel zo betoverend in het vroege avondlicht – de daartussen verstreken uren kan ik me niet herinneren, misschien zijn ze er ook nooit geweest en schonk de kosmos bij hoge uitzondering die twee vormen van licht aan een geliefde stad. Haar beschrijven, de pleinen, de straten, het glanzende plaveisel, zou zoiets zijn als het uitleggen van de geheimen van een illusionist – onder mijn pen zou alles in een kartonnen decor veranderen. Maar ik slaagde erin het huis van de oom van Joseph Roth te vinden, waar de toekomstige schrijver dikwijls had verbleven: er hing een plaquette tegen de gevel. Een geestdriftige gymnasiast, met een aandoenlijke potloodstreep onder zijn nieuwsgierige neus, leidde me rond: hij was een leerling van het Duitstalige gymnasium, een overlevende, een anachronisme.

Nagekomen herinnering

Ik logeerde in Lviv in een grand hotel bij de opera, tussen de krullerige overblijfselen van een voorbije Europese levensstijl, die ik een eeuw geleden erop na had kunnen houden als ik met mijn eigen Stefan Zweig bevriend was geweest. Nu was dit hotel op het beschamende af goedkoop. Aan de balie jonge meisjes die Engels studeerden aan de plaatselijke universiteit.

Vrijdag 22 april

Met Joy naar België. Hoewel ze al haar werk achter de computer doet, is ze irrationeel genoeg verplicht weer enkele weken fysiek aanwezig zijn in het Europees Parlement, tot vreugdeloze verrukking van het Europese ambtenarenapparaat.
Maar eerst rijden we naar Oostende, waar ik een lezing moet geven. We hebben een kamer gereserveerd in het Leopoldhotel, dat een fatsoenlijke gevel uit de jaren twintig heeft, zowat de enige in deze badplaats, die tot een mijl landinwaarts uit naoorlogse monstruositeiten bestaat. De wanden van de lift zijn bekleed met foto’s van de zeedijk in betere dagen; op het strand, misschien om te accorderen met de overdadige gevels boven haar hoofd, onttrekt de burgerij haar naaktheid aan het gezicht: het is of al die grijze wezens zich koesteren in een uitgedoofde zon. ‘Ze hadden België nooit aan de Belgen mogen geven,’ zeg ik tegen Joy.
‘Jouw betere dagen waren alleen beter voor rijke mensen,’ zegt Joy.
‘Maar ook de arme mensen woonden in een mooiere stad.’ (Het voordeel van een dagboek is dat je jezelf altijd het laatste woord kunt gunnen.)

Zaterdag

Botsen we daar aan zee alsnog op de goeie ouwe tijd! De Brasserie du Parc, een onbeschadigde straathoek art déco, waar – ik volg zijn schim en hij spookt om mij heen – Joseph Roth zich in 1936 geregeld bezatte, al dan niet in gezelschap van Zweig, die hem geduldig op de voordelen van meer vast voedsel en minder drank wees. Groen trijp, onbeschadigd en tegelijk haast vergeestelijkt, bekleedt de stoelen en banken; omgekeerd is de geest van Roth-en-Zweig als een substantie aanwezig, als Jezus in de hostie, zal ik maar zeggen. In een hoek hangt een sobere plaquette die de zuiplap en zijn bank van lening eert.
Maar juist dat gedenkteken verjaagt hen: ze staan op en verlaten misnoegd het etablissement. Ook de ober, die er, gehuld in een vettig glimmend rokkostuum, uitziet als een kamerdienaar in een toneelstuk, stapt misnoegd op. Er wordt geen toneelstuk meer opgevoerd. Er is enkel zuchtende bourgeoisie, koffie slurpend achter Het Laatste Nieuws.

’s Avonds

Ik lees dat Els Snick, die Roth op aarde vertegenwoordigt, een appartement in Oostende heeft gekocht om ‘dichter bij de schrijver’ te zijn. Wat een charmante fundamentaliste!
Ik scherts. Geef mij maar een Els na mijn dood.

Zondag

We rijden naar Sint-Amands aan de Schelde: in het Verhaerenmuseum vindt een debat over kunst en oorlog plaats, zodat de Russen met hun oorlog ook aan de kunst en het gedachteleven in België bijdragen. (In zijn volstrekt voorbije wereld hield Verhaeren lezingen tot in Moskou, waar bewonderaars hem op straat herkenden.)
Aan het debat nemen Piet Chielens, Jeroen Olyslaegers en Koen Broucke deel. Ik begroet deze vrienden op de binnenplaats van het museum, waar het bier al vloeit. Ik denk met heimwee terug aan de dagen dat we Piet en Carmen in Ieper bezochten. Nu is hij als curator van het oorlogsmuseum met pensioen, Carmen is dood en we zien elkaar zelden. Kalender, waarom toch scheurt er zich altijd weer een goeie ouwe tijd van het heden af?
Ik bedank Jeroen nog eens voor de rouwbrief die hij me na Anna’s dood heeft geschreven. We kenden elkaar vluchtig, opgestoken handen die elkaar bij een voorleesavond passeerden, maar de zijne greep een pen en schreef aan mijn gemartelde ziel, en sindsdien zou ik voor hem door het vuur gaan.
En Koen… ach Koen! Weinig tijdgenoten kunnen schilderen als Koen. Toen hij ons in Brede bezocht, schilderde hij het kerkje van Udimore onder een knalblauwe hemel, een figuratief kerkje, maar onmiskenbaar geschilderd in deze gedoemde eeuw. Hij schreef ‘Voor Anna’ op de achterkant en sindsdien hangt het bij ons onmisbaar te wezen. Toen ik het ophing, wist ik nog niet dat die dierbare kerel een zoontje had verloren, dat hij een lotgenoot was – alle lotgenoten zijn figuratief.
Oorlog en kunst. Alweer komen Roth en Zweig aanzweven. ‘De wereld van gisteren is geen mooi boek,’ zegt Jeroen. ‘maar wel een belangrijk boek.’ En hoewel de vrienden een goed gesprek voeren, is dat de enige uitspraak, gewikkeld in mijn eigen overwegingen, die ik mee naar huis neem.
We eten aan de Schelde, waar de veerpont is ingedut, de watervogels snateren, een woeste, knalgele voorjaarszon het grootwarkruid en de bittere veldkers op de oevers wekt… drie kalende mannen (Jeroen wordt elders verwacht), elk met een blonde tafeldame, elk met een zoete relativering aan zijn zijde.

Maandag

Op de autoradio, onderweg naar Leuven, hoor ik dat Henny Vrienten is gestorven. Nog zo’n oude vriend die ik jaren niet heb gezien en nu wel nooit meer zal zien. Hij schreef indertijd de muziek bij mijn door Tom Van Bauwel als theatermonoloog gebrachte gedicht De schipbreukeling. In plaats van een requiem speelt de radio een liedje van zijn popgroep Doe Maar… en nu dwalen mijn gedachten af naar een gesprek in de kroeg met Henny en Herman – in een waas van nostalgie zitten wij te ouwehoeren over een broodnodige herschikking van de kosmos. Wat doe ik in het Zurenborgse café Zeezicht met twee doden? Tot achter het stuur van mijn auto, dertig jaar later, even buiten Leuven, ervaren mijn hersens de vertroebeling van het bier gedeeld door de verheldering van het gesprek.
Daarna verorber ik in De Appel, ook een café van vroeger, een droefgeestige bolognaise, alvorens mij met de christendemocratische studentenvereniging, de conservatieve denker Frank Judo en de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in een  debat te storten. God weet waarom de jonge christendemocraten ook dit schrijvende schepsel van Hem hebben uitgenodigd.
Ik vraag de innemende Sammy Mahdi waarom hij niet als richtsnoer en verkiezingsslogan ‘Ons sociaal programma is dat van de barmhartige Samaritaan’ zou gebruiken, even los van het probleem dat je aan de kiezer onder de veertig jaar zou moeten uitleggen wie de barmhartige Samaritaan is. Hij antwoordt ontwijkend, hij is tenslotte een politicus, maar zijn innemendheid wordt er niet minder op. De studenten zijn scherpzinnig en ik amuseer me. Onze gedachten jagen elkaar over de kling; we sturen onze ideeën voor ons uit en laten hen sterven in plaats van onszelf. Dergelijke soldaten zijn het ware leger van onze dialectische cultuur.

Woensdag

Joy en ik logeren in de Vanderaeylaan in Ukkel. Aan het einde van de straat staat De Bloemenwerf, het eerste door Henry Van de Velde ontworpen huis, de villa waar hij met zijn vrouw tussen 1895 en 1900 woonde, voordat hij in Duitsland carrière maakte. Het is een enorme Engelse cottage, verscholen achter bomen en struiken, waartussen je niet veel meer ziet dan witte stukken muur. Maar achter het gebladerte woonde het genie dus, deze tijdgenoot van Verhaeren, die net als de dichter als attribuut op zijn bovenlip een knevel van Keltische proporties torste.

’s Middags

Ik rijd naar Geert, die gevallen is, gestruikeld over een scheefgezakte stoeptegel. Zijn gezicht is ‘zo paars als een Hollandse regering’ (een kenmerkend vanistendaelisme); hij heeft twee ribben gebroken, hij hoest als een teringlijder en heeft koorts. Hoe je koorts krijgt van een val begrijpt hij evenmin als ik.
Allerwegen vervallen de lichamen, talloze kwalen bespringen als struikrovers mijn vrienden. Ik zou mijn eigen verval minder erg vinden als ik geen zoon had, maar ik vind het minder erg omdat ik een zoon heb.

Vrijdag

Naar Antwerpen om mijn oude vriend Marcel van den Boogert te spreken. Hij heeft als vriendschapsgeschenk Zeer Fijne Boy meegebracht, nagelaten brieven van Gerard Reve, door hem geredigeerd, waarmee ik me ongetwijfeld zal vermaken. Dan rijd ik door het krankzinnige verkeer samen met andere krankzinnigen terug naar Brussel, waar ik met Joy in het centrum heb afgesproken – tijd om gehuwd neer te zijgen op een stoel in een fatsoenlijk Belgisch restaurant.
Ik race maar door België en kom tot stilstand in de Cirio. O monument van de belle époque! O grafkelder van het westen! Die mummie is dezelfde ober van vorig jaar en twintig jaar geleden, in zijn rokkostuum waarop de zachte lampen hun gloed afzetten – maar hij leeft en onder zijn achterdochtig flakkerende oogopslag leef ook ik…

Zaterdag (terug naar Duinkerken om de ferry te nemen)

Ik ben een modernist. Zal ik u vertellen hoe ik tot de conclusie kom dat ik een modernist ben?
In de Vlaamse polders voorbij Gent spelen de luidsprekers van de autoradio onverwacht het allegretto van Poulencs concert voor piano en orkest uit 1949, een warreling van dissonanten en harmonieën, of, anders uitgedrukt: een portret van opstandige pubers in een burgerlijk gezin. Het verrukt me. Ik ben dan ook geen postmodernist maar een modernist – een zekere samenhang is noodzakelijk om de chaos te bedwingen. Het is dat of de waanzin.

Dinsdag 3 mei (weer in Brede)

Iedereen heeft de voorbije week Roth-en-Zweig ter sprake gebracht. Nu de doodsklokken beieren over het Avondland, is het alsof die twee door het letterenfonds zijn aangewezen om de oorlog van toelichting te voorzien. (Er is natuurlijk het eigenaardige feit dat Roth in het huidige Oekraïne is geboren.)
Iedereen eigent zich schaamteloos Roth toe! Terwijl ik eerder dan iedereen al over hem in de krant schreef!
En bovendien zijn hij en ik familie, k**zwagers in de derde graad om precies te zijn. Dat zit zo.
Mijn eerste liefje heette Catherine Gillès de Pélichy, een baronesje van een jaar of zeventien, die met erogene zones en al tegen haar Franstalige adellijke opvoeding in Brugge protesteerde; ik was negentien en nog naïef: het was een vakantieliefde die mij overrompelde en die ik veel te serieus opvatte.
Toen haar grootmoeder zeventien was, beleefde ze een kortstondige amourette met de veel oudere en aanzienlijk cynischer Roth. Dat was in Nice. Roth bevond zich altijd in mondaine oorden die hij niet kon betalen.
Ergens in mijn papierwinkel kan ik het jaar en de precieze omstandigheden voor u opzoeken, maar neemt u maar van mij aan dat ik de waarheid vertel.

Maandag 9 mei

Gary’s broer Philip heeft twintig jaar in Moskou gewoond en is nu naar Engeland gevlucht. Zijn vrouw Galina moest achtergebleven: ze heeft geen paspoort. Later meer over deze mensen.
Ik kan niet ontkennen dat ik mij getuige waan van de laatste dagen van de mensheid.

 

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.