Literatuur, Media
Durnez

De man die van de journalistiek een deugd maakte

In memoriam Gaston Durnez

Het zat hem in die kop. Een beetje fotograaf wist daar artistiek gebruik van te maken. De juiste belichting op de keikop van Gaston Durnez. Hij leek niet alleen zo, hij was het ook: een keikop, een doorzetter, een arbeider, een werkmens van de journalistiek.  Op zijn manier een Flandrien met een hoofd als een kassei. Hij droeg die met gratie en veel verstand, met een inhoud zo groot als twintig andere Vlaamse koppen samen.

Piet Paaltjens

Als die kop niet bedroefd of weemoedig keek, keek hij schalks. Een pince-sans-rire. Schateren deed hij nooit. Aan tafel bleef hij precies zoals we hem ons altijd al hadden voorgesteld. Want Gaston Durnez, die kenden we toch, hij was er altijd al geweest. Die ‘Ballade’ over dat elfje met een twaalfje aan d’r hand. Nietige, onschuldige, lieve dingetjes met een zweem van tristesse eroverheen, in zijn bundel Hooikoorts. Dat was een boekje met luchtige verzen dat in 1962 verscheen en op school circuleerde. Er werd niet zomaar in gelezen; er werd uit voorgedragen op voordrachtwedstrijden.  ‘Ik ben zo blij dat ik weer triestig ben. / Nu zal ik weer veel verzen kunnen schrijven’… Wie dat ten beste gaf, moest in staat zijn uitdrukking te geven aan die Piet Paaltjens-ironie die Durnez een leven lang is bijgebleven.

Voordrachtwedstrijden — welke leraar kan zich vandaag zoiets voorstellen? Telkens weer bouwsteentjes in de grote ABN-acties die het culturele leven van de school bepaalden. Samen met Louis Verbeeck en Jos Ghysen behoorde Durnez tot die generatie van Vlaamse humoristen die ons, zestienjarigen, voordeden hoe je met je moers taal iets creatiefs kon doen. Niet alleen in de poëzij, maar in dat nieuwe genre van de cursiefjes waar toen les over gegeven werd omdat het iets was dat we misschien ook eens konden proberen. De inspiratie kwam van de grootmeesters Bomans en Carmiggelt, maar Durnez hoefde voor hen niet onder te doen. Cursivist tot in de kist.

Velen maakten de fout hem te reduceren tot de monkelende, melancholische, alles en altijd relativerende man die ze dachten te ontmoeten. Tot hij zijn verhaal deed over zijn kwaliteit van snelste typist van het land — die daarenboven vanaf zijn zestiende elke tekst in elke Europese taal ondersteboven aan kruissnelheid kon lezen — met een drievoudig kampioenschap dactylografie in 1958, 1959 en 1960 erbovenop. Compensatie: hij had niet kunnen of mogen voortstuderen. Een ware autodidact en zelfrijzer. En een journalist die naam waardig moet toch eens in zijn leven een volledige Tour de France hebben gevolgd? Dat was dus in 1967, na de zegereeks van Anquetil en voor die van Merckx, maar toch. Een keer was trouwens genoeg, voegde hij eraan toe. Er kwam uiteraard een boekje van.

’t Is maar een woord

Die woordspelerij van hem droeg bij aan een zekere onderschatting. Hij was negentig toen zijn boek Een mens is maar een wandelaar  werd voorgesteld. Je moet het maar kunnen: de nederige Gaston die bewonderend-gewijs portretten schrijft van 29 tijdgenoten — stuk voor stuk daden van eenvoudige rechtvaardigheid — en die daarmee een autobiografisch werkstuk aflevert. Op die boekpresentatie, ook een beetje een verjaardagsfeest, kwam een filologische feestredenaar spreken die van Durnez niet veel afwist en die al evenmin van plan was geweest iets over hem op te zoeken, en dan maar putte uit de hatelijkheden over een andere Vlaamse auteur, dingen die hij nog in zijn lade liggen had. Maar op één stukje uit dat dikke boek wilde hij wel ingaan: dat over Gastons bijdrage aan het TV-taalprogramma ’t Is maar een woord  in de jaren zestig, waar hij Louis Paul Boon leerde kennen. Als jongleurs met woorden zaten beiden daar op hun plaats. Ze vonden die plaats niet te min. En vooral Gaston ontpopte zich hier als voorloper en voorbeeld van een volgende generatie TV-woordentappers zoals Guy Mortier en Mark Uytterhoeven — maar dan gevatter en geestiger, in de zin van geest.

Televisie, grapjes, cursiefjes, ‘vaerzen’, dagelijkse krantenstukjes: was dat het dan? Dan zouden we deze kajotter wel onderschatten. Want de dagelijkse arbeid was bijlange geen bijwerk. Die arbeid was noest, maar het moest, want die leverde de mozaïeksteentjes voor enkele monumentale werken die de onderschatting die hem ten deel viel beschamen. Durnez’ wapenfeiten dus.

Geschiedenis van De Standaard

Toen hij op pensioen ging was hij een affront voor de toenmalige hoofdredactie van De Standaard, waar hij een leven lang had gewerkt. Nu hij het hoofd heeft neergelegd is hij dat nog voor de huidige redactie. Hij schreef de geschiedenis van zijn krant in twee dikke delen, meer dan duizend bladzijden in twee kolommen — ook zijn boek wou hij er immers als een krant laten uitzien. Het tweede deel eindigt met het failliet en de overname door de VUM in 1976.

Zijn bitterheid over de periode nadien kan niet zomaar toegeschreven worden aan de rancune van een oud man: waar hij kwam, was hij tot op het laatst vaak de ‘jongste’ van allen. Als historicus keek hij naar het verleden, als journalist probeerde hij het pas voorbije heden te begrijpen met een oog op de toekomst. Als dusdanig had hij allang vastgesteld dat de krant geen meneer meer was. Die grotere onafhankelijkheid waarover de journalistiek vandaag zou beschikken vatte hij op met een zuil van zout: hij doorzag de media-agenda’s en de bewust gestuurde pensée unique. Dat de krant in zijn tijd ‘verzuild’ was en vandaag ‘ontzuild’ deed hem grimlachen over de media die door middel van scandalitis de polarisering tussen nieuwe zuilen elke dag weer blijven oppoken. Maar zijn Levensverhaal van een Vlaamse krant  zal nog lang een onmisbare vraagbaak blijven.

NEVB

Tweede wapenfeit: Gaston Durnez was de initiatiefnemer van het al even onmisbare monumentale werk (Nieuwe) Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. De eerste editie (de EVB) verscheen in 1973, de tweede (NEVB) in 1998. Van de EVB zegt men dat ze geschreven is door partijdige aanhangers van de Vlaamse Beweging, de NEVB werd dan weer geprezen omdat ze door neutrale wetenschappers zou geschreven zijn. Wat daar ook van zij (en ik stel het nu schematisch voor), Gaston Durnez staat buiten en boven dit oordeel. Hij is namelijk een van de auteurs / redacteuren wier teksten ongewijzigd in de tweede editie zijn opgenomen. En dat moeten er ongeveer honderd zijn geweest, uiteraard stuk voor stuk voorbereid door het journalistieke werk van alledag: notities, artikels, interviews. Maar ook langere essays zijn van zijn hand en dus het lezen waard: dat over Vlaamse taalminderheden in Wallonië blijft verbazen door zijn ruime kennis, gesteund door een rijk bronnenmateriaal. Of zijn nuchtere analyse van de overgang van EVB naar NEVB zelf en van de noodzaak ervan: van een voorbeeldige onpartijdigheid.

Sommigen hebben er zich publiekelijk over verheugd dat de NEVB geen derde editie zou beleven. Ondertussen wordt er hard gewerkt aan de Derde of Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (DEVB). Om dat fameuze Vlaamse geheugen op peil te houden. Op zoek naar enkele bouwsteentjes voor de canon van de Vlaamse geschiedenis? Lees die honderd bijdragen van Durnez maar. Allemaal mozaïeksteentjes.

Chesterton

’s Morgens een beetje Bomans, / ’s middags wat Chesterton, / ’s namiddags nog even Wodehouse / en dan weer een Simenon.

Deze strofe van het gedichtje ‘Het leven’ staat (onder meer) in God is een sinjoor  (1987), een verzameling cursiefjes uit De Standaard. Zelfrelativering nogmaals. Maar tegelijkertijd klopte het toch wel: ziedaar een stukje bibliotheek van een Vlaams, katholiek conservatief intellectueel. Behalve dat het lijstje geen Timmermans bevat. Waarbij ik er onmiddellijk aan toevoeg: de héle Bomans, dat gaat. De héle Wodehouse en de héle Simenon: best mogelijk. Maar de héle Chesterton, dat gaat niet. Voor ons  niet; maar voor Gaston wel.

Hij heeft dus over die woordgeweldenaar een heel boek geschreven, zijn beste na de Timmermans-biografie: De lach van Chesterton, met als ondertitel Portret van een geestige pennenridder in gevecht met moderne draken. Net Durnez zelf, vindt u ook niet? De Engelsen weten niet wat ze moeten missen want het is niet in het Engels vertaald; maar het is een boek dat van iedereen die het leest een Chestertoniaan maakt. Subsidiariteit, distributisme, three acres and a cow, dat is wat we nodig hebben. Toch stapt Durnez er niet licht overheen. Hij delft diep in filosofie, religie en geschiedenis, net zoals de schepper van Father Brown zelf dat deed.

Ook dat boek kwam uit een stukje voort: Chesterton was eens, samen met zijn vrouw, per tram en te voet in ons land verdwaald en naar Lier in plaats van naar Mechelen gesukkeld. Gaston schreef dat verhaaltje op in een cursiefje, en vertaalde gelijk het gedichtje dat Chesterton over Lier maakte. Zoekt u het maar eens op, staat op facebook en zo.

Voor een keer vind ik het jammer dat ik niet meer op de radio werk. Dan had u volgende week een akoestisch portret van Gaston kunnen horen. Beetje afhankelijk van het archief van de VRT, en van een interview met Gaston over Timmermans. Met tussenteksten geput uit bovenstaande.

Maar wie zou het tegen volgende week gemaakt krijgen? Hallo, Klara? Niemand? Ook niet voor de man die van de journalistiek een deugd maakte?

Jean-Pierre Rondas

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Jean-Pierre Rondas?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans