fbpx


Actualiteit

Jan De Meulemeester: ‘De morsige aard van de mens fascineert mij’

De boekenkast van Jan De Meulemeester


Paleontoloog, tekenaar, beeldhouwer, journalist, historicus en dichter. In Jan De Meulemeester, politiek verslaggever bij VTM Nieuws, schuilen verschillende beroepen die hun weg vinden naar zijn boekenkast. Doorbraak vroeg hem naar beproefde traditie een vijftal boeken uit zijn boekenkast te selecteren en vroeg hem tekst en uitleg.

Gezien zijn vakmatige bevlogenheid dachten we aanvankelijk dat het een puur politiek interview zou worden over een boekenrek vol Wetstraatklassiekers. Als historicus is dit gamma historische lectuur legio voor Jan De Meulemeester. Historici hebben een ruim interesseveld en daar heeft deze VTM-journalist een en ander mee aangevangen. Hij studeerde Geschiedenis en vatte nadien even de richting Beeldende Kunsten in Sint-Lucas aan, om alsnog een journalistieke opleiding te volgen.

‘Bovendien ben ik in mijn tienerjaren begonnen met fossielen te verzamelen’, vertelt De Meulemeester. ‘Geologie blijft een heel interessante hobby. Je kunt niet alleen veel lezen over fauna en flora, het lokt je ook naar ook buiten. Ik heb bijna tweehonderd fossielen. Momenteel ben ik bezig met resten van de “mammuthus primigenius”, vooral de vele walvisfragmenten die je in de Antwerpse ondergrond kan vinden. Even twijfelde ik over mijn studiekeuze: Geologie of Geschiedenis? Mijn interesse in de samenleving bleek net iets groter, waarop ik voor dat laatste koos.’

Doorbraak: Nochtans zat je meer dan tien jaar met het plan om schilder te worden.

‘Als kind heb ik altijd intensief getekend en geschilderd. Ik was ook de leerling die voor het schoolkrantje de stripverhalen maakte. Ik dacht Geschiedenis te studeren om een universitair diploma te halen en wat kennis op te bouwen. Nadien zou ik bij de opleiding Beeldende Kunsten de optie Grafische vormgeving volgen. Dat heb ik ook gedaan. Het overlapte met mijn thesis die ik moest afwerken. Na mijn toelatingsexamen ben ik in Sint-Lucas gemotiveerd begonnen. Toch kreeg ik een cultuurschok. Van theoretische geschiedeniscursussen maakte ik de overstap naar het kunstonderwijs, waar ik plots tussen achttienjarige eerstejaars zat. Het was ook een vrij schools systeem: dagelijks moesten we taken indienen.’

‘Gauw merkte ik dat ik niet het geduld had om voltijds tekenaar of schilder te worden. Ik heb lang muziek gespeeld: gitaar, zang, wat piano. “Lapaz”, de poprockband waar ik deel van uitmaakte, bestaat nog steeds. Vergeleken met musiceren is beeldende kunst een zeer individuele aangelegenheid waar je heel abstract bezig bent met beeldtaal. Ik slaag daar technisch wel in, maar karakterieel wringt het. Ik had mezelf altijd gezien als een tekenaar, misschien zelfs een artiest, maar heb toen aanvaard dat ik slechts een zondagsschilder ben. Ik heb niet het geduld om dat consciëntieus dagenlang te doen. Ik werd daar gek van. Daarom werkte ik mijn thesis af, wat ik aanvankelijk dacht te combineren met tekenen. Na mijn kunstopleiding heb nog ik enkele jaren getekend en gebeeldhouwd, maar dat is stilgevallen.’

Je vindt Thierry De Cordier de grootste actuele Belgische kunstenaar. Toen Jan Hoet in het S.M.A.K. een tentoonstelling over hem organiseerde, heb je De Cordier als student leren kennen. Hij gebruikt de vlucht uit de wereld, eenzaamheid en individualisme als motieven in zijn werk. Wat spreekt je daarin aan?

‘Hij werkt enorm grafisch: hij put zijn beeldtaal uit de realiteit en niet omgekeerd. In de hele warboel van de huidige postmoderne beeldende kunst is zijn oeuvre iets wat mij een houvast biedt: het is enorm menselijk en tastbaar. Zo gebruikt hij echt mensenhaar en echt leder. Tegelijk werkt De Cordier op een heel abstract niveau. Ik vind dat hij vrij weinig gehoor krijgt. Sommige kunstenaars – zoals in de barok – zijn BV’s, vedetten. De Cordier wordt niet opgevoerd; hij is ook wars van al te veel aandacht. Hij heeft voor zichzelf een soort kosmos gecreëerd. Hij zegt: “Ik ga nooit op reis. Ik hoef geen gebergte te zien of de zee niet te bevaren om daar iets bij te voelen. Ik sluit mij op.” Hij maakt ook letterlijk cocons. Ik vond hem richting gevend, maar ben zijn weg niet ingeslagen. Ik hoop daar ooit eens tijd voor te kunnen maken.’

Welk werk van hem kan je betoveren?

‘Zijn doek paintstick heeft iets weg van een vogelfiguur die tegelijk een vogelverschrikker is, gekruisigd op een kruisbeeld. Hij vangt het lijden. Zoals een totem. Een kruisbeeld van Christus is ook een vorm van een lijdensvanger. De cocoonen die hij bouwt, zien er soms uit zoals een leren bok uit de turnles. Vanbinnen is het ingericht als een klein huisje met een gasvuurtje en wat prulletjes. Ik begreep meteen zijn concept: de mens die zich die terugtrekt op zijn eigen gezellige zelf en zich in zijn geborgenheid het gelukkigst voelt. Weg uit de wereld van al het geraas en gebral. Veel mensen zouden zich terecht afvragen: wat heeft dit kunstwerk te betekenen? Het is een abstracte vormtaal die niet meteen te vatten is. Toch voel ik dat.’

Hoe komt dat?

‘Zo voel ik de werkelijkheid ook aan. Ik zou het mij ook zo ingebeeld hebben in een irreële droomwereld met vage, eigenaardige figuren. Het spreekt mij en kennelijk ook vele anderen – De Cordier is een gevierd kunstenaar – bijzonder aan. Het heeft ook iets mors, ranzigs.’

‘Ik vind de mens heel morsig van aard. Ik merk dat ook bij mezelf. Er is vaak een ongewild groot verschil tussen wat ik moet doen, wil doen en uiteindelijk doe. Een groot deel van de dagelijkse problemen die je als mens ervaart, ontspruiten aan jezelf. Want je maakt fouten, je hebt onzekerheden, je bent eens lui, je zelfbeeld overlapt niet altijd met wie je wilt zijn… Niet alles verloopt altijd perfect zoals het idealiter zou moeten gebeuren. Net zoals in de politiek. We veronderstellen vaak een geolied, uitgekiemd plan. Een complot, terwijl de dingen vaak klungelig tot stand komen. Morsig. De ene zegt plots iets te veel en de andere anticipeert erop. Een derde had beter gezwegen, maar zegt toch iets… De morsige aard van de mens fascineert mij. Het relativeert. Je benadert bovendien een stuk dichter de werkelijkheid. We zoeken altijd een verklarend, bevattelijk verhaal. Waarom heeft de piloot zichzelf te pletter gevlogen op de Alpen? Misschien is er geen verhaal dat we kunnen begrijpen. Er zijn mankementjes in mijn, ons handelen en denken, die ons soms verhinderen om gelukkig te zijn. Dat is veelal de rauwe werkelijkheid, een beetje zoals Hugo Claus ze voorstelt. Ik voel me goed bij deze aanvaarding van falende ambities, het falende leven. Ze klopt en dat is geruststellend. Het maakt me vergevingsgezinder tegenover mezelf en de rest van de wereld.’

Wanneer wist je dat die beschrijving klopte?

‘Oh, dat leer je onder meer in het vak. Journalisten vertellen hun verhaal en benadrukken het belang. Mensen willen kennelijk ook de realiteit vatten in verhalen. Maar de werkelijkheid erachter is soms iets complexer dan wat mensen op het eerste gezicht veronderstellen. Als journalist moet je vaak die oefening maken. We verklaren als mens vaak de eerste indruk op basis van hardnekkige vooronderstellingen. Maar wanneer je je verdiept in een verhaal, kom je er vaak achter dat het probleem altijd wat complexer is dan het lijkt. Je hebt ook te maken met individuen die niet altijd het verwachte pad bewandelen. Tegelijk moet je in de journalistiek een consistent verhaal vertellen.’

Ook het boek The Selfish Gene (Het zelfzuchtige gen), het debuutboek van de Britse wetenschapper Richard Dawkins, heeft je wereldbeeld veranderd.

‘Ja, een interessant boek dat ik las op mijn achttiende, in mijn fossielenperiode. Het gaat in tegen Darwins evolutietheorie die de mens in zijn survival of the fittest reduceerde tot vrij agressieve wezens. Dat scheen op termijn niet meer te kloppen: een aantal zaken kon je niet verklaren met evolutie. Het goede in mens en dier, het altruïsme, kon Darwin moeilijk verklaren. Daarvoor heeft The Selfish Gene wel een verklaring gevonden door de wet van de sterkste of best aangepaste niet op het individu toe te passen, maar op het gen. Het zijn genen die vechten om te overleven. Strikt genomen reduceert ons dat als individu tot machines die genen dragen. Ik overleef niet, wel het gen dat zich voortplant. Wij zijn eigenlijk maar doelloze dragers van een stukje gen. Na de evolutiewet van Darwin, was deze theorie eind jaren 70 een heel confronterend idee. Opnieuw moesten we een antwoord zoeken naar de zin van het leven. Ik vind The Selfish Gene een interessante aanvulling op Darwin: je kan er namelijk elementen van goedheid en moraal in vinden. Het verklaart waarom een vader alles doet voor zijn kind. Bij Darwin zijn er veel uitwassen geweest. Ik wil het niet op flessen trekken, maar de gentheorie opent de deur naar een soort wereldsolidariteit. De raciale verschillen uit het sociaal darwinisme blijken genetisch niet te bestaan. Genetisch zijn we allemaal meer aan elkaar verwant dan we zouden denken. Omtrent solidariteit en xenofobie is The Selfish Gene een interessante invalshoek. Het staaft voor een stuk solidariteit en altruïsme.’

Het is wel enorm relativistisch: we zijn allemaal slechts kleine deeltjes in een groot geheel.

‘Als je jezelf reduceert tot een soort veredelde gendrager dan wordt het nogal hol. Ik denk dat het daarom aan het humanisme, filosofie en godsdienst is om ons als unieke wezens een stukje de weg te wijzen. Het is een uitdaging om ondanks die wetenschap toch naar zingeving te zoeken. Moderne, monotheïstische godsdiensten worstelen daarmee.’

Zoek je zelf naar zingeving?

‘Ja, vroeger in mijn studententijd misschien iets meer dan nu. Ik vind het tegenwoordig beter om vanuit de praktische moraal te vertrekken in plaats van mijn handelen af te leiden uit één groot zingevend verhaal. Het streven naar een zo groot mogelijk welzijn van je omgeving, de wereld en jezelf, dat is de weg die naar persoonlijk geluk leidt.’

Je maakt van zingeving een persoonlijk verhaal in plaats van je te richten op een grote godsdienst.

‘Onmiskenbaar dragen we christelijke wortels mee. Tegelijk zitten we met de uitdagingen van de moderne tijd die je dwingen om die achtergrond te herdefiniëren. Voor wie wil zijn er een aantal morele, filosofische maatstaven die tot zeer concreet handelen kunnen leiden. Maar het overgrote aandeel dat doorslaggevend is – dat merk je als je op reis gaat naar andere culturele oorden – zijn die joods-christelijke wortels. Ik heb alleszins het gevoel dat ik een vrij consistente manier van handelen heb.’

Ondanks dat egoïstische gen.

‘Het gen dicteert mij om altruïstisch te zijn. Mijn naasten lijken genetisch geweldig hard op mij: het is een opdracht van me om dat mee te doen overleven. Daarom zal ik waarschijnlijk ook in het water springen als een voor mij onbekend kind aan het verdrinken is. Ik schakel mezelf dan evolutionair uit: ik verlaag mijn overlevingskansen. Waarom doe ik dat? Misschien omdat het gen mij dat voor een stuk dicteert. Ook de geheugenfunctie telt mee. Kijk ik toe wanneer dat kind verdrinkt, dan zal mijn omgeving dat onthouden. Wanneer ik eens hulp nodig heb, zal mij niet ter hulp geschoten worden. Als sociaal wezen worden je overlevingskansen ook bepaald door je goedheid. De egoïst zal in biologisch gevaar geen hulp krijgen.’

Qua abstractie is die theorie vergelijkbaar met Ons feilbare denken, van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman. Dat boek vind je een aanrader voor politici en journalisten.

‘Zijn massapsychologie intrigeert me. Uit ons tweeledig brein valt veel irrationeel gedrag van grote groepen te verklaren. Het boek is een must-read voor iedereen die bezig is met massacommunicatie en campagnevoeren. Het boek verkent het gedrag van de massa die politici moeten meekrijgen. Een concreet voorbeeld: puur op basis van de vorm van het gezicht kennen mensen een mate van politieke competentie toe. De hoekige kaaklijn en de minzame lach, zij stralen bekwaamheid uit. Zelfs bij mensen die zich rationeel de vraag stellen of ze zich daarbij niet laten vangen, komt dat onderbewust voor. Dat effect bleek overigens driemaal groter bij een publiek dat passief de politiek volgt. In die groep bleken tv-kijkers er het meest onderhevig aan. Dat halo-effect handelt zoals “the good guy” en “the bad guy” in films: de slechteriken zien er ook slecht uit. In Disneyfilms ziet Sneeuwwitje er echt maagdelijk en breekbaar uit. De heks is lelijk. In werkelijkheid zou Sneeuwwitje misschien wel de heks kunnen zijn. Maar wanneer je Obama een mooie man vindt, stralend in zijn pak, dan is de kans heel groot dat je zijn beleid uitmuntend vindt. Het boek geeft een opwaardering aan wat mensen ervaren als leiderschap.’

Ons feilbare denken geeft de niet-talige communicatie extra belichting. The Political Brain, van Drew Westen benadrukt dan weer de retoriek.

‘Het valt niet te ontkennen dat een leider het ook goed kan uitleggen. Iemand die goed spreekt en mensen kan bekoren, heeft een licht hypnotiserend effect op zijn publiek. Iemand die goed, duidelijk en op een juist ritme spreekt, neemt mensen voor een stukje mee. Je kan er naar luisteren en het doet je iets. Nadien kan je zijn woorden niet meer navertellen, maar je weet wel wat hij bedoelde. Een politicus die helder zijn woorden formuleert, wordt een gids in moeilijke tijden. Kris Peeters is een interessante case. Hij is geen poëet, hij hanteert de managementstijl. Hij hoeft ook geen dichter te zijn, maar een leider. Een politicus. Zijn managersvocabularium belichaamde exact wat een Vlaming verwacht van het door Yves Leterme gemunte concept “goed bestuur”. Tegelijk is Kris Peeters strak in het pak gekleed: hij ziet er ook uit als een manager. Bij een groot kiezersaandeel geeft dat een halo-effect. Wie eruitziet en spreekt als een leider, zal ook wel eens een leider kunnen zijn.’

‘Rechtse partijen zoals N-VA communiceren overigens vaak effectiever dan linkse. Dat lijkt een internationaal fenomeen en zit in de aard van het beestje. Linkse partijen vinden het vak marketing immers in wezen laakbaar. In de VS zijn de campagnebudgetten van de Democraten en hun denktanks ook veel lager dan die van de Republikeinen. Drew Westen onderzoekt politieke marketing, de messaging. Namelijk: wat is de beste manier om te spreken over waarden en beleid opdat kiezers zich aangesproken voelen en in actie schieten? Links spreekt globaal over “de armen” maar schept daarmee ongewild een gespleten samenleving. Een “wij en een zij”, dat verhindert solidariteit. Ecologisten jagen de middenklasse weg met het woord “klimaatcrisis”. Volgens onderzoek maakt dat vooral mannen angstig. Daarom gaan ze het probleem ontkennen, ook al kennen ze het. Links spreekt ook bij ons in linkse termen, terwijl ze het centrum moet aanspreken en dat naar links moet krijgen.’

Hoe aanschouw je dat als journalist?

‘Voor ons is dat ambigu. Enerzijds moeten we vinger aan de pols houden en kijken wat er leeft bij mensen. Anderzijds kennen wij de toppolitici: we hebben ze al vaak ontmoet en er off the record mee gesproken. In sommige gevallen ken je de mens achter de politicus-als-merk al iets beter. Het is de kunst om als journalist de impact van hun handelen te kunnen inschatten.’

Er bestaan heel wat Wetstraatboeken. Waarom gaf je enkel Slangen in de coulissen mee als aanrader?

‘Er zijn verschillende soorten woordvoerders, maar Noël Slangen was buiten categorie. Als spindoctor is hij meer dan dat. Met politieke marketing stuurde hij de legitimering van paars, dat vind ik heel intrigerend. Het boek neemt je mee achter de schermen van de politiek. Het leest als een House of Cards in boekvorm. Ik vond zijn verhaal het meest indrukwekkende dat ik las. Het is echt, hij maakt geen maatschappelijke analyse. Het is weliswaar de paarse geschiedenis van zijn hand.’

Slangen is ook een selfmade man. Meer dan een politiek verhaal is zijn boek een biografie.

‘Ja, dat is een heel mooi verhaal. Indrukwekkend. In die zin heeft hij parallellen met Steve Stevaert. Het was voor of tegen Slangen: een figuur waar een en ander om te doen was. Vriend en vijand kunnen niet anders dan ontkennen dat hij een mooi parcours heeft afgelegd. Niet alleen als Wetstraatfiguur, ook als ondernemer. Knap werk.’

Hoe ben je eigenlijk in de politieke journalistiek gekomen?

‘Als student was ik bezeten door politiek. Ik volgde de actualiteit, ging veel in discussie en voerde heroïsche gesprekken. Ik ben ook wat gaan shoppen bij de politieke studentenbewegingen. De beste manier om de politiek te beleven, leek me in de journalistiek. Twee vrij goede vrienden van op de universiteit hadden ook die politieke interesse, maar kozen ervoor om hun interesse om te zetten in een engagement. Ze zijn lid geworden van een politieke partij en hebben meegewerkt aan de beweging van die partij en werken nu voor die partij. De ene bij N-VA, de andere bij sp.a. Mijn politieke interesse is ook een engagement in de zin dat ik met een bepaalde houding in de samenleving sta waarin weinig me onverschillig laat. Ik wil dat de dingen verbeteren. Zij hebben dat vertaald in een partijpolitiek engagement, ik in de meer bescheiden roeping om elke dag aan vrij veel mensen uit te leggen wat er in de politiek gebeurt. Kennis maakt de samenleving finaal gelukkiger, omdat mensen er de wereld beter mee vatten en zo angsten wegneemt.’

Stond jijzelf ooit voor de keuze om in de politiek te stappen?

‘Ja. De afgelopen jaren een twee, drietal keer. Het is geen geheim en vrij evident dat politieke partijen soms polsen bij Wetstraatverslaggevers of ruimere verwanten. Maar ik heb de overstap niet gemaakt.’

Waarom niet?

‘Een heel directe reden: ik zit nu bij VTM Nieuws in een verhaal dat veel voldoening schept en me veel kansen geeft om te doen wat ik graag doe. Dat is een engagement: ik wil hard werken om dat programma beter te maken. Dat programma is ook beter geworden: die beloftes worden waargemaakt. Ik zit daar goed. Het geeft mij een voordeel dat soms ook een nadeel is: ik kan mij bezighouden met alle partijen en alle ideologieën. Ik kan de hele waaier van verhalen verkennen. Elke partij heeft tegenwoordig een boeiend verhaal en ik ben vrij om mij daar in te verdiepen. Vrienden die voor de partijpolitiek gekozen hebben, engageren zich in dat ene verhaal. Het voordeel is dat ze dieper kunnen graven, maar als nadeel zitten ze voor een stuk vast in dat verhaal. Momenteel vind ik het nog boeiend genoeg om die wereld te blijven verkennen. Ik heb heel veel respect voor wat partijen, kabinetten en heel de machinerie errond allemaal doen. Dat fascineert mij en ik zit vrij comfortabel in die rol als waarnemer.’

‘Tegelijk is er soms de drang om dat zelf eens te doen. Niet vanuit de ik-weet-hoe-het-moet-mentaliteit, maar om zelf eens dossiervreter zijn, op wetten aan te sturen en ze te versleutelen. Maar dat kan je als journalist niet doen. Sommigen gaan daar meer in mee. Dat kunnen wij niet bij VTM; we houden een gezonde afstand. Wel kan ik soms ontroerd worden van mensen die doordrongen zijn van hun ideologie en er met hart en ziel voor gaan. Dat is mooi. Zij gaan voor iets irreëel, wat via de democratie ook geweldig traag gaat. Iedere partij is revolutionair in haar denken. De geëngageerde burger van Gwendolyn Rutten, Het moedige midden van Wouter Beke, Het kostbare weefsel van Bart De Wever: dat zijn mooie voluntaristische verhalen. Mensen hebben soms een negatief beeld van politiek. Ik kom vaak op alle congressen en nieuwjaarsfeesten, dat is nochtans mooi om te zien: zo’n bende jonge gasten die geweldig hard geloven in een politiek project. Als journalist zit je in geen enkele club. Ik benijd soms het wervende clubgevoel van jonge geëngageerde mensen.’

Vorig jaar raadde je via Twitter De nieuwsfabriek aan, van De Correspondent-oprichter Rob Wijnberg. Het geldt zowat als de light versie van Nick Davies’ Flat Earth News (Gebakken Lucht). Ging je als journalist mee in Wijnbergs nieuwsanalyse?

‘Ik vind dat iedere journalist het zou moeten lezen: het zet aan tot aangename zelfreflectie. Ik vind het een heel interessant boek, maar in alle eerlijkheid: Wijnberg hanteert zelf zeer bedreven de kunst van de overdrijving. Hij zegt dat ook. “Ik ben nu zelf aan het doen wat journalisten doen: namelijk het probleem isoleren en uitvergroten.” Dat doet hij met zijn schets van het journalistiek apparaat. Het gevaar is misschien dat lezers die de werking van een redactie niet kennen, zouden denken dat wij effectief met zijn allen zo werken. Dat is niet het geval. Misschien omschrijft Wijnberg een mogelijk worstcasescenario. Ik herken inderdaad motiefjes, maar het loopt allemaal niet zo erg hoor. Als ik bij VTM Nieuws zie hoe enorm nauwgezet men tewerk gaat… De bezorgdheid van de VVJ (Vlaamse Vereniging voor Journalisten, waarvan De Meulemeester bestuurslid is, nvdr.) om onze reputatie is groot. In sporadische peilingen merk je dat de journalistiek ergens onderaan hangt op vlak van maatschappelijk vertrouwen. Het vak heeft een vrij slechte naam gekregen.’

Waar komt dat wantrouwen tegenover journalisten vandaan?

‘Dat is een heel moeilijk gegeven. Confronterend ook: je voelt dat aan. Er is sociologisch iets aan de hand met de maatschappelijk erkenning. Vroeger werd er opgekeken naar de leerkracht, de advocaat, de politicus, de politieagent, de journalist. Je voelt dat zulke kennisjobs momenteel minder waardering krijgen. Ik vind dat leerkrachten met veel te weinig respect worden bejegend. Idem met andere jobs waar vroeger nog een soort aura rond hing. De journalistiek is dat ook kwijt. Als je voor een voxpop mensen op straat moet aanspreken, sta je als journalist niet meer zelfverzekerd in je schoenen, ondanks je forse cameraploeg. Integendeel. Misschien is het maar goed dat mensen daar niet meer van onder de indruk zijn. Dat heeft twee verklaringen. De tijd waarin je als medium een onvoorwaardelijk krediet kon krijgen, is in de huidige mondige en steeds meer transparante democratie voorbij. Daarnaast zijn mensen veel hoger opgeleid. Dan is het maar aan journalisten om te bewijzen hoe wij het verschil maken in de grotendeels gratis informatiestroom. Dat is een van de redenen waarom journalisten zich moeten specialiseren: zo maak je het verschil.’

Opvallend: als tv-journalist schrijf je columns voor knack.be.

‘Dat is labeur. Aangenaam, maar inspannend. Sommige schrijvers schudden de woorden uit hun mouw. Dat is bij mij niet het geval. Ik moet daar op wroeten. Het begint nu beter te lukken. Ik heb me dan ook zeven à acht jaar bekwaamd in iets anders: het schrijven van tekst op beeld. Dat is een heel andere taal, bijna poëzie, die ondersteunend werkt. Heel anders dan een descriptieve tekst waar je enkel woorden kan gebruiken om iets te verbeelden. Laatst interviewde ik zeer lang Siegfried Bracke. Ik vond het zwaar om zijn mondeling betoog te verwerken tot een aangenaam verteerbare tekst. Gelukkig merk ik progressie en dat stemt mij hoopvol: het overstijgt langzaam maar zeker de betweterige opstelletjes die ik vorig jaar nog pleegde.’

Televisie maken is een vrij complex proces, helemaal niet zo tijdrovend als het schrijven van een tekst. Waarom heb je dan voor tv-journalistiek gekozen?

‘Televisie maken was destijds voor mij dé oplossing. Ik kan er mijn maatschappelijke interesse in kwijt en ik kan met beeld werken – dat is mijn grafische ik. Met beeld en montage kun je geweldig leuke dingen doen. Het blijft een medium met veel impact: als iets op tv komt, dan is pas het echt gebeurd. Ondertussen ben ik tien jaar ouder: ik wil ook andere paden verkennen. Ik wil ook gewoonweg ooit goed kunnen schrijven.’

Brusselaar Willem M. Roggeman wakkerde jouw dichterlijkheid aan, onder meer met diens bundel Geschiedenis. Valt met zijn persoon jouw interessepuzzel samen? Hij werkte als journalist en schrijft ook essays over beeldende kunst.

‘Ja, op die manier wel. Veel mensen kiezen voor poëzie als een therapeutisch medium om hun emoties er in te kunnen herkennen. Ik ook. Maar poëzie moet voor mij veel meer zijn. Zijn bundel Geschiedenis vond ik zeer treffend: hij giet historische passages in een gedicht. Dat doe je voor een stuk ook als journalist: een gebeurtenis verklaren in een talige, aangename, toegankelijke constructie. Ik probeer technieken uit de poëzie intensief toe te passen in mijn commentaarteksten en live verslaggeving: een zeker tempo, ritme, glijdende klanken. Ik schrijf mijn tv-scenario’s ook niet in volzinnen, maar in flarden, impressies. Collega’s hadden dat nog niet gezien: een print van mijn inleestekst lijkt op een gedicht: springende regels geven de maat aan. Poëzie is ook mijn middel om de innerlijke mens te voeden, tussen alle non-fictie door. Het is instant schoonheid, kort en intens, zoals een vallend sterretje. Ik probeer elk jaar een bundel te kopen, dit jaar kies ik voor het verzamelde werk van Leonard Nolens.’

‘Door in Borgerhout te gaan wonen’, zegt Abou Jahjah, ‘voer ik onbedoeld het Vlaams Belang-programma uit’, schreef je op knack.be over diens boek De stad is van ons. Hoe bekijk je Jahjah?

‘Als jonge twintiger aanzag ik hoe hij staatsvijand nummer één werd. Dat heeft indruk gemaakt op mijn generatie en op mijn allochtone generatiegenoten en vrienden. Dan is een boek van Abou Jahjah twaalf jaar na datum interessant om te lezen wat de intellectuele insteek is van zijn denken. Lees je dat boek, dan is dat niet geschreven door een landverrader of een misdadiger. Aan iedereen die hem zo vervloekt: lees eens rustig dat boek. Natuurlijk was de jonge Jahjah een stuk heftiger. Maar daar moest hij niet hysterisch voor worden uitgespuwd. Voor mij was hij alleszins een intrigerend persoon omdat hij mijn beeld mee gevormd heeft van de diverse samenleving. De diagnose in zijn recente boek is zeer interessant en leerrijk.’

Op je achttiende maakte Samuel Huntington veel indruk op je, met zijnboek Botsende beschavingen. Na de Koude Oorlog voorspelt Huntington in zijn Clash of Civilizations conflicten tussen culturen in plaats van tussen ideologieën. Hij reageert daarmee op Fukuyama’s Het einde van de geschiedenis. Daarin verwacht Francis Fukuyama een ommekeer: de westerse liberale democratie zal als universeel gezien worden.

‘Het enige wat we in de jaren 90 leken te willen zien, waren de etnisch-nationalistische conflicten, net als in de vroege jaren 2000 in ex-Joegoslavië. Dat heeft nationalisme geweldig in diskrediet gebracht. Dat was het, buiten de Rwandese genocide in 1994. “Zie, het enige wat overblijft zijn etnische conflicten”, zeiden de Fukuyama-fans. “Want voor de rest is er het einde van de ideologie en heeft het westerse kapitalistische model zijn degelijkheid bewezen. Eindelijk is, buiten Cuba en Noord-Korea, de rest van de wereld tot gezond verstand gekomen.” Dat waren de optimistische jaren 90, het kon niet op. Ik moet dan steeds aan een glunderende Bill Clinton denken. En toen kwam Huntington: de ambetante oom op het feestje die de pret bederft en wijst op het totale andere uiterste. Er valt voor beiden wel iets te zeggen: de waarheid ligt altijd in het midden.’

‘Huntington las ik één à twee jaar voor 9/11. “Zie je wel dat ik gelijk had”, moesten tienduizenden Huntington-aanhangers gedacht hebben toen het tweede lijnvliegtuig de Twin Tower invloog. Zelfs Marc Eyskens kwam in de televisiestudio’s vertellen dat de derde wereldoorlog was uitgebroken. Als jonge gast vond ik dat vrij indrukwekkend. Plots kreeg dat boek opnieuw enorm veel aandacht. Ondertussen zijn we een eind verder en met zijn allen ook weer wat slimmer. Ik blijf voor een stuk geloven in die cultuurvelden, omdat het een handig instrument is om de wereld mee te begrijpen. Maar om die grote reductie te maken… Het dicteert beter niet het concrete geopolitieke handelen.’

Je leest veel over de klassieke oudheid en verwijst er in je columns al eens naar. Hoe pakte het oude Rome de actuele identiteitsvraag aan?

‘Rome is eigenlijk van een boerennatie uitgegroeid tot het epicentrum van een wereldrijk. De Romeinen werden op een bepaald moment gedwongen om hun burgerschap anders te definiëren. Het is interessant om de geschiedenis van het Romeinse burgerschap te bestuderen: hoe je een sterke identiteit toch kon verbinden met een vrij civiel en open burgerschap. Zelfs de huidige Roma beschouwen zich als afstammelingen van de Romeinen. Rome heeft daar veel tijd voor nodig gehad en er is veel bloed gevloeid. Tegelijk wordt het Vlaanderen van nu soms verweten dat het te exclusief is, door dezelfde Abou Jahjah bijvoorbeeld. In zijn boek zegt hij letterlijk dat wij Vlamingen niet in staat zijn te leven met diversiteit. Nochtans wil op supranationaal niveau Europa met de eenmaking een eigen identiteit installeren die allerhande oude naties overkoepelt.’

Het verloopt wel moeizaam.

‘Ja, ooit was het anders. Als kind zelfs vond ik in de jaren 90 de marketing over Europa een stuk wervender dan vandaag. Op tv sloeg het aan en zelfs op onze schoolagenda stond een Europese vlag. Het EU-marketingbudget is vandaag nog groter dan dat van Coca-Cola, maar de reclamemayonaise pakt niet meer. De “messaging” klinkt ook vrij hol. Triest eigenlijk.’

Zoals je zei, is in Rome ook veel bloed gevloeid. Tegenwoordig zou dat niet waar zijn.

‘Nee, inderdaad. Er zijn nog edele pogingen gebeurd om van Europa een groot rijk te maken. Karel De Grote, Napoleon en de Duitsers hebben het geprobeerd… Die pogingen tot het creëren van één Europa is iets wat terugkeert in de geschiedenis. Dat is fascinerend.’

Wat heb je onthouden van de opkomst van het Romeinse Rijk?

Rome is heel indrukwekkend: het lijkt soms het menselijke te overstijgen. Het systeem, de cultuur, de oppervlakte alleen al. Toen ik vorig jaar op het Forum Romanum rondliep, kreeg ik het besef dat het verschil tussen het oudste gebouw en het meest recentste bijna 1000 jaar bedraagt. Daar is heel lang aan gebouwd. Dat toont voor een stuk de relativiteit van samenlevingen en hun macht. Het is ook een complexe geschiedenis, met een verloop van horten en stoten. Veel bloed dat vloeide, menselijk falen en geleidelijke groei. Toch is Rome zeker niet altijd zo agressief geweest. In zijn middenperiode in de republiek, tijdens de groei en nadien in het keizerrijk: Rome is niet altijd zo geweest zoals we het uiteindelijk onthouden hebben. Alleen de mediagenieke verhalen blijven hangen: vaak is dat vandaag de dag helaas niet anders.’

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op 5 juli 2015.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Sander Carollo

Sander is interviewer voor Doorbraak.