fbpx


Geschiedenis

De mogelijke bronnen van Hitlers Jodenhaat (2)

De vernedering van 1918 entte zich op het latente antisemitisme dat Hitler in Wenen had leren kennen


Aangeboden door deze bibliotheek


Dit plus-artikel wordt u aangeboden door deze bibliotheek die voor u een abonnement nam.

Vindt u het interessant? Neem dan vandaag uw eigen gratis proefabonnement van 30 dagen.



Het was in het Wenen van de vroege twintigste eeuw, toen Hitler daar rondzwierf, niet ongewoon om een jodenhater te zijn. De stad werd op dat moment overspoeld door mensen uit Oost-Europa (vooral uit Oekraïne), op de loop voor de tsaristische pogroms, en bestuurd door een ‘christelijke’ burgemeester Karl Lueger (1844-1910) die van de discriminatie van joden een programmapunt had gemaakt. Hitler was ook een fervente lezer van een ‘germaans’ blaadje, Ostara, van een pseudo-edelman Jörg Lanz  von Liebenfels (1874-1954),…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Het was in het Wenen van de vroege twintigste eeuw, toen Hitler daar rondzwierf, niet ongewoon om een jodenhater te zijn. De stad werd op dat moment overspoeld door mensen uit Oost-Europa (vooral uit Oekraïne), op de loop voor de tsaristische pogroms, en bestuurd door een ‘christelijke’ burgemeester Karl Lueger (1844-1910) die van de discriminatie van joden een programmapunt had gemaakt. Hitler was ook een fervente lezer van een ‘germaans’ blaadje, Ostara, van een pseudo-edelman Jörg Lanz  von Liebenfels (1874-1954), die de wedergeboorte van een heroïsch Arisch Herrenras propageerde tegen de minderwaardige rassen die volgens hem het volk vervuilden. Maar van een pathologische jodenhaat lijkt op dat moment bij Hitler nog geen sprake te zijn geweest.

Geen Frankenberger te vinden in Graz

Het besef dat hij misschien een joodse grootvader had gehad, zo hij dat al wist, moet hem daarom ook niet echt bezwaard hebben. De dorpsroddel in zijn dorp Spital vertelde overigens iets anders. Werner Maser (1922-2007) – die ervan beschuldigd werd vooral oog te hebben voor anekdotiek en daarmee de wezenlijke brutaliteit van het Hitlerregime te verdoezelen – maakt zich een echo daarvan in Adolf Hitler. Legende, Mythos, Wirklichkeit (1971) p. 34: de boer Nepomuk Hüttler was de echte vader van Aloïs geweest, maar kon het kind niet erkennen omdat hij al gehuwd was. Dat idee was al gelanceerd door de socialistische jezuïet Franz Jetzinger (1882-1965) in Hitlers Jugend. Phantasien, Lügen und die Wahrheit (1958).

Pleegvader Hüttler wilde van Aloïs de erfgenaam maken van zijn boerderij, en stond er daarom op dat hij zijn naam zou dragen. Dus deed hij hem die veranderen in 1876, drie jaar na het overlijden van zijn echtgenote. Waarom hij dan niet de eenvoudiger (en wettige) oplossing had gekozen van hem te adopteren zonder hem te erkennen, verklaart Maser niet, net als waar of hoe de bevruchting had plaatsgevonden: Anna verbleef in Graz in het zuidelijke Stiermarken bij de familie waar ze diende, Nepomuk in een dorp in het Waldviertel in noordwestelijk Oostenrijk, bij de Boheemse (Tsjechische) grens. Het lijkt uitgesloten dat zij elkaar ooit bezocht hebben, en bovendien was zij elf jaar ouder dan Nepomuk.

Maar het is ook mogelijk dat men zich gewoon vergist had, dat zij in Gratzen ‘gediend’ had, het huidige Nové Hrady in zuidelijk Bohemen, en dat was helemaal niet zo ver uit de buurt. Bijkomende factor was dat onderzoek in de bevolkingsregisters van Graz geen Frankenberger aan het licht heeft gebracht, en dat in die periode de stad trouwens de aanwezigheid van joden verboden had. Wat niet per definitie wil zeggen dat die dat gehoorzaamd hadden.

Hij wist niet wie zijn grootvader was

Ook de bewering dat zij in werkelijkheid ‘diende’ in Wenen bij Salomon Mayer, baron Rotschild, die opgeld deed onder kanselier Dolfuss (1892-1934) in zijn afweerpropaganda tegen de nazi’s, klopt niet. Mayers biograaf Hermann Von Goldschmidt schreef in 1917 dat de baron verlekkerd was op jonge meisjes, maar Anna was al lang geen jong meisje meer toen ze zwanger werd. Bovendien valt in beide gevallen niet te verklaren waarom de jood Frankenberger haar een alimentatie zou betaald hebben, als hij (of zijn zoon) er voor niets tussen zaten. Maar van die betalingen is nooit een document teruggevonden.

Mede daarom beweert de beroemde biograaf Joachim Fest (1926-2006) in 1973 onbeschroomd dat de geloofwaardigheid van Hans Frank ‘bij serieus overwegen nauwelijks nog overeind blijft’ maar dat de versie van Maser eveneens vastloopt in ondoorzichtigheid: ‘Adolf Hitler wist niet wie zijn grootvader was’ (p. 18). Dat zal wel zo zijn, maar waarom de trouwe nazi Hans Frank dan toch meende zijn Führer te moeten verontrusten met de verdenking een kwartjood te zijn, blijft onduidelijk.

John Toland vond in 1976 ( p. 17) het verhaal over de jood Frankenberger ‘niet onmogelijk’ maar hechtte er niet zoveel belang aan. Wel wijst hij op een vervelende bijkomstigheid: de Führer kon in die omstandigheid geen concrete documenten voorleggen die zijn Arische achtergrond konden aantonen, zoals geëist werd door de Nürnburgse rassenwetten van 1935. Het viel inderdaad op, in de historisch accurate film Der Untergang, dat van hem bij zijn huwelijk met Eva Braun geen document ter staving gevraagd werd.

Als bewijs is dat natuurlijk flinterdun, maar dat geldt in beide richtingen. De bewering van Hans Frank kan ook niet afdoend ontkracht worden. Feit is dat deze genealogische kwestie hem in zijn jeugd niet bezwaard lijkt te hebben. Dat belet niet dat ze hem later door het hoofd kan zijn gaan spoken, misschien zelfs mede door het onderzoek van Frank.

Het dorp van zijn oma met de grond gelijk

Feit is dat hij al in mei enkele maanden na de inlijving van Oostenrijk, het geboortedorp van zijn vader, Döllersheim, in een militair oefenterrein liet veranderen, waarbij het graf van zijn grootmoeder met de grond gelijk werd gemaakt. Dat meldt ons Joachim Fest in 1963 in Das Gesicht des Dritten Reiches (p. 18). Maar in zijn magnum opus uit 1973 herhaalt hij dit niet, en alle andere biografen vonden dat niet belangrijk genoeg om zelfs maar te vermelden. Het is maar de omstreden psychoanalytica Alice Miller die dit naar voren brengt in haar aanklacht tegen kindermishandeling Im Anfang war Erziehung (1980), vertaald als In den beginne was er opvoeding, (1983) p. 152. Volgens haar wees dat op een pathetische, en mogelijk onbewuste haat tegen de mishandeling in zijn jeugd en zou zijn jodenhaat feitelijk een vaderhaat zijn geweest die zich op de joden als vervangobject had vastgehecht.

We weten dat Hitler een paranoïcus was. Het is dus niet uitgesloten dat alleen al de vrees dat hij als jood kon ‘ontmaskerd’ worden, hem tot uitzinnigheid kan gedreven hebben. Vooral omdat hij tegen dan dreef op een wijdverspreide jodenhaat die te maken had met de Duitse nederlaag in 1918. De alom verspreide ‘dolkstoottheorie’ speelde daarin een beslissende rol.

Volgende aflevering: Nazisme is meer dan jodenhaat, het is rassenhaat (3)

Vorige aflevering: Hoe Joods kan Hitler eigenlijk geweest zijn (1)

Eddy Daniels