fbpx


Cultuur

De rozenkrans

Dagboekaantekeningen (59)


rozenkrans

14 november (Remembrance Sunday) Openluchtdienst op het driehoekige grasveld dat het centrum van Brede vormt. Een kleine menigte van vijftig dorpelingen. Men draagt een klaproos van papier in zijn lapel. Men luistert naar Father Owen, die een zwarte pelerine om zijn schouders heeft geslagen, waarvan de beide vleugels onder zijn priesterboord door een zilveren keten met elkaar zijn verbonden. De gebruikelijke patriottische stijlfiguren worden uitgevoerd: de bugel perst amechtig de Last Post uit zijn ene long; de uniformen van de…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

14 november (Remembrance Sunday)

Openluchtdienst op het driehoekige grasveld dat het centrum van Brede vormt. Een kleine menigte van vijftig dorpelingen. Men draagt een klaproos van papier in zijn lapel. Men luistert naar Father Owen, die een zwarte pelerine om zijn schouders heeft geslagen, waarvan de beide vleugels onder zijn priesterboord door een zilveren keten met elkaar zijn verbonden. De gebruikelijke patriottische stijlfiguren worden uitgevoerd: de bugel perst amechtig de Last Post uit zijn ene long; de uniformen van de padvinders en de vrijwillige brandweer verstenen; de kerkklok slaat elf uur en iedereen zwijgt en ik probeer te denken aan soldaten in de modder van de Somme, maar er rijden auto’s langs en een priesterboord heet idioot genoeg een ‘hondenkraag’ in het Engels, en trouwens, ik ben niet meer besmettelijk… Deze bewustzijnsstroom duurt twee minuten.
Na afloop drinken we koffie en ik gooi mijn leprozenratel in het haardvuur, dat ik met behulp van een pagina uit de The Hastings Observer heb aangestoken. Joy zegt: ‘Die twee minuten stilte duren lang. Ik was opgelucht toen de reveille werd geblazen.’ Ze spreekt ‘reveille’ op zijn Frans uit.
‘Het is /rɪˈvali/,’ zegt John. ‘Maar ja, jij bent Amerikaans.’ John schoffeert zijn vrienden zo charmant, dat ze steevast hulpeloos in de lach schieten.
‘Domme Amerikaanse ik,’ schiet Joy hulpeloos in de lach.
‘Ze zegt ook ’erbs als ze herbs bedoelt,’ zeg ik. Achter Johns rug steekt Joy liefdevol haar tong uit, een rode steekvlam die in mijn achttien gebleven romantische zelf een zich almaar vertakkende huivering doet schieten, als een bliksemschicht die een onvergetelijk nachtelijk landschap aan mij openbaart.
‘Wat ik vreemd vind zijn mensen die de letter h als haytch uitspreken,’ zegt Gary.
‘Ze hadden het werkvolk nooit naar school moeten sturen,’ zegt John. ‘Dat leidde maar tot de noodlottige ontdekking hoe ongelukkig ze waren.’
Dergelijke commentaren zijn samengesteld uit zeven procent reactionair denken – dat de ongeneeslijke stompzinnigheid van het volk als een logisch bijverschijnsel van de vossenjacht beschouwt – en 93 procent Britse humor, de enige kracht, misschien, die de mensheid soms even verlost van haar erfvijand Dodelijke Ernst.

Voetnoot

In slecht proza schrijf je: ‘“Ik houd van u, Anna Prokovskaja,” snoot Pavlov ontroerd zijn neus.’

’s Middags

Verder in mijn boek maar weer, The End of the Affair. Ik heb nooit eerder een roman van Graham Greene gelezen – dit is een van de zogenaamde ‘katholieke’. Langs de naden scheurt het linnen telkens een miniem beetje verder wanneer ik de eerste druk uit mijn vaders bibliotheek open en sluit. Hij heeft zijn exemplaar in 1951 in Londen gekocht, het jaar van verschijnen, drie jaar voor mijn leven begon, en helemaal van mij wordt het nooit.
Het regent vrijwel onophoudelijk in het verhaal, dat tijdens en kort na de oorlog speelt, tussen het puin van de blitz. De schrijver Bendrix heeft een overspelige verhouding met Sarah, de vrouw van een hoge ambtenaar op het Ministerie van Pensioenen, die even opwindend is als een hoge ambtenaar op het Ministerie van Pensioenen. Alles kost twee pence of een shilling. Iedereen draagt een hoed. De wereld beschreven op het viltige papier van de rantsoenering schemert nog achter straathoeken op de kromgetrokken zwart-witte fotootjes van ons gezin aan de voet van Nelsons zuil in het jaar 1956, toen Engeland nog kapot was en toen Engeland nog bestond.
Een bom doodt Bendrix: zijn lijk ligt onder een deur. Sarah belooft God, in wie ze niet gelooft, dat ze de verhouding zal verbreken als haar geliefde door een wonder opstaat. Aldus geschiedt. Volgen meer wonderen en tekenen. Stel nu dat Anna onder een deur lag in plaats van op de passagiersstoel van een geslipte auto. Ik was daar. Op het ijzige wegdek in Indana zonk ik op mijn knieën en beloofde de grote klootzak boven ons verstand dat ik de zonde van mijn opvoeding niet meer zou begaan als zij maar herleefde. Aldus geschiedde. En net als Sarah haar minnaar liet ik mijn dochter voortaan met rust, zodat wij wederzijds dood waren.
Sarah krijgt een longontsteking en sterft in plaats van Bendrix. Zou mijn hypothetische offer dan ook mijn dood impliceren, met een wanhopige Anna tot gevolg, zoals Bendrix de wanhopige overlevende is, die waarachtig begint te geloven, maar het is een geloof in de vorm van haat tegen God?
Wat is dat voor theologie, Graham?

Maandag

Misschien moeten we iets heel vervelends aanvaarden over de beschavingsgeschiedenis: je hebt winnaars en verliezers, modellen die succes hebben en andere die het loodje leggen. Uiteindelijk legt iedere cultuur natuurlijk het loodje, al hebben sommige culturen hun ondergang omgezet in een andere werkelijkheid – de Romeinen bijvoorbeeld. Maar voorlopig is de westerse cultuur veruit de meest succesvolle, daar helpt geen dekolonisatie aan, want uiteindelijk verloopt ook de dekolonisatie geheel volgens westerse principes, met christelijk schuldgevoel als eerste beginsel…
Dit simpele inzicht schijnt tot op heden onze universiteiten te zijn ontgaan. Beschaafd meningsverschil, waarheen zijt gij gevloden? Botsing van gefundeerde opinies, waar is uw lawaai? Schok der ideeën, waar is uw licht?

Woensdag

De NHS nodigt ons per brief uit voor een derde vaccinatie. Mochten wij Bengali, Albanees, Gujurati, Turks of een andere buitenissige taal spreken, Pashto, Romani, Twi, dan is er een telefonische tolk voor ons beschikbaar, die Pools, Tagalog, Oekraïens, Lets kent: de nationale gezondheidszorg herhaalt het in dertig talen en dertien schriftvormen. Bij deze plechtige dertigvoudige bezweringsformule schiet ik harteloos in de lach.
De talen zijn alfabetisch gerangschikt, met Jiddisch (Yiddish) als laatste. Jiddisch! U zegt: er is toch geen Jood in Engeland die geen Engels spreekt? In Amerika heb ik een Jood gekend die tot zijn zestiende uitsluitend Jiddisch en Hebreeuws kende.
Nathan was bibliothecaris van de afdeling judaïca aan de universteit in Austin (waar ik in de jaren tachtig een paar seizoenen als gastschrijver lesgaf), een neurasthenische savant, tien jaar ouder dan ik, met wie ik soms een praatje maakte in het cubiculum dat hij uit boekenstapels om zijn angsten heen had gebouwd, ergens in een dode hoek tussen de andere Germaanse talen – hij verrees dan achter een borstwering van geschriften en loenste verlegen naar me. Deze uit getiktheid en genialiteit geconstrueerde golem, met het rossige haar van de Joden uit de Russische grensgebieden, begon in het restaurant waar Joy en ik hem hadden uitgenodigd – hij was ongelovig, had hij verklaard, en at alles wat de gojim aten – deerniswekkend te kokhalzen toen hij poogde een kreeftachtige door zijn strot te wringen… ‘Het is geen garnaal,’ hoestte hij in zijn servet, ‘het is leviathan.’
Joy heeft een goddeloze Joodse vriendin in New York die nog altijd geen spek kan eten, veertig jaar na haar opvoeding in een roman van Singer. Een andere Joodse vriendin is dan weer atheïstisch opgevoed, maar bekeerde zich van rechts naar links en begon kosjer te eten; haar vader rukte zich de haren uit het hoofd, riep ‘oy vey’ en vatte zijn oordeel aldus samen: ‘Gawd is an intellectual, he doesn’t want you to eat funny!’
Nathan had een wonderlijke, ietwat komische tongval, opgegroeid als hij was in het Jiddisch van zijn Litouwse ouders; hij was geboren in Boston, maar tot zijn zestiende was hij bij een rabbi naar school gegaan.
Mogelijk verbergt zich ergens in de schaduwen van Londen een Nathan die er nooit toe gekomen is op te kijken van zijn Babylonische talmoed om de taal te bestuderen waarin de wereldstad communiceert – zijn slaaplokken wiegelen bij het ritmisch reciteren; als de soldaten van de tsaar zijn misjpoche nu maar met rust laten…

Donderdag

Die brief ligt nog steeds op de keukentafel.
Ooit heb ik het Hebreeuwse en het cyrillische alfabet geleerd, de eerste stap om uiteindelijk het Oude Testament en de grote Russen in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen. De sleutel steekt nog altijd in de deur, die ik nooit erg ver heb weten open te duwen. Maar Jiddisch is tamelijk goed te begrijpen zodra je de ongevocaliseerde vierkantjes tot klinken hebt gedwongen, een karwei dat altijd stroef verloopt, aangezien je de onwillige klinkers er zelf bij moet verzinnen.
Na enig mentaal gepriegel klinkt דאלמעטשער zo: dolmetscher. Natuurlijk. устный переводчик.

Vrijdag 19 november

Bezoek van Willem Jan Otten.
Zonlicht dat uit de bestaande dimensie een nieuwe schept. We volgen het door ons in de loop der jaren te voorschijn gewandelde pad achter Hare Farm, dat heuvelop langs Brede Place leidt. We praten bij. In de boomtoppen zitten kraaien de andere vogels uit te schelden met hun mechanische stemmen, het zouden de zielen van journalisten kunnen zijn, die zich almaar en tot vervelens toe herhalen. Roffel en Sammie schieten van links naar rechts, gulzig de novemberaarde opsnuivend… Dan verschijnt opeens ex nihilo de boer, die eerst Joy en vervolgens Willem Jan passeert, zonder hun groet te beantwoorden, tot hij mij bereikt en uitbarst in opgewonden verwijten over mijn loslopende honden, mijn dierbare schapenhonden in hun klerikale vacht, die zijn zwangere ooien zouden kunnen opjagen; hij ratelt maar door, zijn getier windt hem nog meer op, een wekker met een zelfspannende veer.
‘Stuart, shut up for a second,’ zeg ik, wonderbaarlijk kalm. ‘Dit veld is nog van jou, het volgende niet. Ik zal deze onschuldige honden, schapenhonden, voortaan aan de lijn houden tot het bruggetje. Afgesproken?’ Ik glimlach, voornamelijk in de hoop dat Joy mijn diplomatie en psychologisch inzicht in de boerenziel bewondert.
Stuart zwijgt. Ik steek om strategische redenen mijn hand uit, die hij drukt alsof wij Molotov en von Ribbentrop zijn.

Zateravond

We vieren mijn zoveelste verjaardag in de pub. ‘Wat wil je hebben?’ vraagt Joy, terwijl ze haar krullen naar achteren schudt, een capillaire tic die mijn hele huid en haar elektriseert.
‘Een etentje dat we onze beste vrienden aanbieden.’
En dus zitten we aan een lange tafel met Gary, Duncan, Darryl, John, Steve, Judy, Vivien en Willem Jan, en we heffen het glas op mijn gezondheid; ook ben ik een ‘verdomd leuke kerel’, en een ijdeltuit, die de pauwenstaart van mijn Engels ontvouw voor mijn collega en hem als ‘a sagacious and enthralling writer’ introduceer.
Cadeautje van mij aan mijn ego.
Mijn angstvallig bewaakte geheim is dat ik in The End of the Affair geen enkel woord ben tegengekomen dat ik niet kende, maar dat ik in een kinderboek over de uitdrukking ‘give someone what for’ struikelde: iemand op zijn donder geven.

Zondag (67)

Mijn katholiek geworden vriend geniet van onze eenvoudige anglicaanse eredienst. Hij negeert zelfs de dogmatiek van Rome en gaat als een ouwe dorpeling ter communie; hij zakt, weerkerend van de imaginaire tafel, op zijn knieën en verzinkt geruime tijd in gebed. Ik kijk met enige verbazing naar hem. Zoveel devotie!
Thuis praten we over het Atlantische van de godsdienst: het christendom als verzonken continent. Wat moeten we aan met dit trage sterven? Hij vat het op als een nieuwe kruisiging: nu hangt de Kerk te kijk.
Later – dit gesprek verloopt grillig en vertoont desondanks een bepaalde rechtlijnigheid – krijgen we het over religieuze ontvankelijkheid. De zijne is groter, vandaar de buigzaamheid van zijn knieën. De mijne beperkt zich tot de esthetische kant van het ritueel, en dan voornamelijk de muziek (onvermijdelijk risico: de gruwel van een slecht modern liedje); soms ook het zonlicht dat zo’n al te figuratief victoriaans glas-in-loodraam zachtmoedig breekt en Jezus, Maria en de heiligen als kleurige vlekken over de kerkvloer uitgiet (mijn overige zintuigen blijven ongeprikkeld, hoe hard de wierook ook poogt te walmen).

We kletsen aan de keukentafel een gat in de nacht.
Voor ik naar bed ga nog een mail van Christopher: hij heeft een hattrick bijgedragen aan de overwinning van zijn nieuwe club (deze club betaalt). Het nieuws – dat me op een kinderachtige manier verheugt – relativeert en verabsoluteert het begrip drie-eenheid.

Maandag

Ik breng Willem Jan om elf uur naar het treinstation in Rye; hij is de rest van de dag onderweg naar Amsterdam. Uren later stuurt hij me een mail: ‘Dat was een heugelijk weekend, aan jullie droomkeukentafel, in jullie droomledikant, op de droomweide van de nachtmerrieboer – ik bedoel, het wordt allemaal op de terugreis al herinnerd als, inderdaad, een verdroomd evenwijdig universum, waarbinnen het nog evenwijdiger universum van St George zich ophoudt, waar de tijd nog weer anders verstrijkt. En dat alles terwijl er een niet aflatende conversatie gaande is – hoe rustig het in Brede ook is, rustzoekers hebben er weinig te zoeken…’
Hierop antwoord ik per ommegaande (het ommegaande is in een digitale correspondentie natuurlijk ad absurdum versneld): ‘Je bezoek inspireerde me. Geregelde conversatie (ook in de vorm van correspondentie) houdt het brein draaiende.’

Donderdag

Op het nachtkastje in de logeerkamer vindt Joy een rozenkrans. Ik bel Willem Jan. ‘Je mag hem houden, ik heb nog een andere hier. Hij is’ (lachje) ‘geladen door het vele gebruik.’
Voor mijn geestesoog doemen hij en Graham Greene op: twee karyatiden die de kerk van Rome overeind houden.
Die rozenkrans bengelt nu decoratief aan een spijker boven mijn bureau.

Zaterdag 27 november

Vanavond Thanksgiving bij Judy en Steve, zonder Christopher en Hayley dit jaar, maar in aanwezigheid van een paar Amerikaanse vrienden. De historische Puriteinen vierden een soort vredesfeest met de Geboren Amerikanen – de moderne puriteinen spreken schande van Thanksgiving.
Morgen met de boot naar het vasteland: we hebben het appartement van Joy in Brussel met het oog op haar naderende pensioen verkocht en moeten fysiek aanwezig zijn in het kantoor van de notaris om te tekenen. Ik heb ook een lezing aangenomen. En beloofd vrienden op te zoeken… Vrienden! Door de epidemie nu al bijna twee jaar geabstraheerde wezens!

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.