fbpx


Binnenland

De Vloek van de 16

De grote Wetstraat-test: welke premier leidt aan het hybrissyndroom?



De verhoogde partijfinanciering, de zelfbediening bij de politieke topbenoemingen, het wel zeer lang aanslepende afscheid van de riante uittredingsvergoedingen: de laatste tijd is ‘de arrogantie van de macht’ weer  terug van nooit weggeweest. Onder meer politicoloog Carl Devos (UGent) maakte zich al erg druk over de aanmatigende politici die zich blijkbaar verheven voelen boven de spelregels die wel gelden voor alle andere mensen. Is de hoogmoed in de Belgische politiek echt problematisch? Bij Doorbraak krijgt u méér dan een mening, en dus zal de vraag hier uiterst wetenschappelijk benaderd worden.

Een groot ego of een dominante persoonlijkheid volstaan niet om de Belgische leiders weg te zetten als arrogant en hoogmoedig. Een sterke visie, zelfvertrouwen en ambitie zijn zelfs broodnodig voor politici. Kiezers willen geen leiders zonder karakter. De vraag is wanneer gedrevenheid omslaat in grootheidswaanzin. David Owen en Jonathan Davidson lanceerden een piste (update in 2012) die toestaat om het verschil te maken tussen sterke en overmoedige leiders. Owen en Davidson schetsen een ‘hybrissyndroom’ dat samengaat met macht. Het komt voor bij politieke leiders, maar evengoed bij zakenmensen, artiesten en religieuze figuren. Het is een later in het leven ontwikkelde persoonlijkheidsstoornis die intreedt bij leiders die enkele jaren aan de macht zijn en door omstandigheden nogal vrij gelaten worden in hun doen en laten. Hoe meer vrijheid de leider heeft, hoe groter de kans dat zijn hybris toeneemt (deze overmoed is bij gevolg het sterkst bij dictators). Hoe langer een leider aan de macht is, hoe meer de hybris toeneemt.

Om een beeld te schetsen van het hybrissyndroom hebben Owen en Davidson een lijst opgesteld van veertien mogelijke kenmerken:

1)      Vereenzelviging met de natie/organisatie tot op het punt waar eigen belangen en gemeenschappelijke belangen identiek worden geacht (uniek)

2)      Gebruik van de pluralis majestatis of de derde persoon enkelvoud voor zichzelf (uniek)

3)      Roekeloosheid, rusteloosheid, impulsiviteit (uniek)

4)      Morele flexibiliteit, blindheid voor mogelijke gevolgen (uniek)

5)      Een vast geloof gelijk te zullen krijgen van de geschiedenis (uniek)

6)      Geloof in het oordeel van een hoge autoriteit, zoals god of de geschiedenis

7)      De wereld zien als een arena waar men persoonlijke glorie moet najagen

8)      Een voorliefde voor daden die het eigen ego/imago versterken

9)      Buitensporige bezorgdheid om het eigen imago

10)   Hoogdravend taalgebruik

11)   Overdreven geloof in het eigen kunnen, minachting voor het oordeel van anderen

12)   Zelfvertrouwen dat grenst aan een gevoel van almacht

13)   Wereldvreemdheid

14)   Voorkeur voor het ‘grote verhaal’, verwaarlozen van de pragmatische details

De kenmerken dienen van toepassing te zijn op mensen die reële macht bezitten en die macht minstens een jaar lang behouden. Het hybrissyndroom deelt wel verschillende kenmerken met andere persoonlijkheidsstoornissen, zoals de narcistische, de antisociale en de theatrale stoornis. Om specifiek over hybris te kunnen spreken, moet er sprake zijn van minstens drie van de veertien kenmerken, waarvan ten minste één karakteristiek moet behoren tot de eerste vijf kenmerken, die uniek zijn voor dit syndroom.

Naar de Wetstraat

Genoeg theorie. Wie lijdt aan hybris en wie niet? Owen en Davidson passen hun syndroom toe op de Angelsaksische politiek van de voorbije eeuw. Voor de Amerikaanse presidenten van de laatste eeuw kan het hybrissyndroom zeker worden toegeschreven aan George W. Bush (2001-2009) en mogelijk ook aan Richard M. Nixon (1969-1974). Bij de Britse premiers worden meerdere gevallen vastgesteld: Margaret Thatcher (1979-1990), maar ook Neville Chamberlain (1937-1940), David Lloyd George (1916-1922) én Tony Blair (1997-2007). Het hybrissyndroom gaat trouwens niet noodzakelijk gepaard met beleid dat rampzalige gevolgen heeft gehad: het kan ook vastgesteld worden bij leiders die in de publieke perceptie (relatief) positief beoordeeld worden.

Doet België het beter of slechter? Hier zullen de Belgische premiers van de laatste twintig jaar bekeken worden. Herman Van Rompuy, die 11 maanden premier was tussen 30 december 2008 en 25 november 2009, blijft hier buiten beschouwing omdat hij minder dan een jaar eerste minister was.  

Jean-Luc Dehaene (CD&V, 1992-1999) is meteen een ingewikkeld geval. Op het eerste zicht gaat de no-nonsense Dehaene lijnrecht in tegen enkele kenmerken. Zo is de loodgieter van de Belgische politiek zeer begaan met allerlei technische details en bezondigt hij zich zeer zelden aan hoogdravend taalgebruik. Dehaene cultiveerde zorgvuldig het imago van de ‘gewoon gebleven’ scout en voetbalsupporter (daar zijn kenmerken 8 en 9). Vriend en vijand omschrijven Dehaene als de machtspoliticus bij uitstek, met een grote geringschatting voor journalisten én het parlement (kenmerk 11). Na zijn premierschap kon Dehaene maar moeilijk afscheid nemen van het hoogste niveau en nam hij de ene onmogelijke opdracht na de andere aan (kenmerk 12). Toch is Dehaene er naar eigen zeggen van overtuigd dat de geschiedenis hem niet zal afkraken op basis van zijn mislukkingen in de 21ste eeuw (kenmerk 5). De man die ooit naar de kiezer trok met de slogan De tocht is moeilijk, de gids ervaren (oja, Dehaene praat ook regelmatig over zichzelf in de 3de persoon enkelvoud, kenmerk 2) ontsnapt ondanks professioneel imagomanagement toch niet aan de diagnose.

Guy Verhofstadt (Open VLD, 1999-2008) is een eenvoudiger geval. Er lijken vrij weinig kenmerken van het hybrissyndroom níet van toepassing te zijn op deze drievoudige premier. Politieke journalisten verwezen naar de immer rusteloze Verhofstadt als ‘het Duracellkonijn’ (kenmerk 3). Milde commentatoren spreken vaak eufemistisch over ‘voluntarisme’, waarmee bedoeld wordt dat Verhofstadt verslingerd is aan grote verhalen en zeer gezwollen retoriek hanteert (kenmerken 14 en 10). De verschroeiende ambitie van Guy Verhofstadt is al decennia goed gedocumenteerd en neemt momenteel de vorm aan van alweer een machtstrijd om een lijsttrekkerschap (kenmerk 7). Maar niet alleen partijgenoten kennen de toorn van Verhofstadt: ook vele journalisten en andere brave burgers hebben mogen kennismaken met het weergaloze gramschap van da joenk (kenmerk 11).  Ideologisch gezien heeft deze Gentenaar een lange weg afgeleid: van Baby Thatcher tot kompaan van Cohn-Bendit, nooit was Verhofstadt te beroerd om zichzelf compleet uit te vinden (kenmerk 4). De eurofederalist in hem is rotsvast overtuigd dat hij staat voor de lijn die de geschiedenis zal, nee móet volgen (kenmerk 5). Met alle vertrouwen in de tegenexpertise: Verhofstadt is de personificatie van het hybrissyndroom.

Yves Leterme (CD&V, 2008, 2009-2011) kon geen van zijn twee termijnen als premier vervolmaken maar wist toch een paar ambtsjaren in die functie bijeen te sprokkelen. Bovendien was hij tussen 2004 en 2007 Vlaams regeringsleider en zette hij bij de verkiezingen van 2007 met 800 000 voorkeurstemmen een fantastische prestatie neer. Volgens onderzoekers verhogen electorale triomfen (2007 was na 2004 en 2006 de derde gewonnen verkiezing van de CD&V onder Leterme) de kans op het hybrissyndroom. Die kans neemt ook toe door situaties waarbij de politicus wordt geconfronteerd met dreigende rampspoed – Owen en Davidson geven ‘facing potential financial disaster’ zelf als voorbeeld. Zeker wanneer de politicus zijn vermeende specialiteit kan benutten bij het bestrijden van de rampspoed, loert de hubris om de hoek. Leterme, die zijn imago als boekhouder altijd verzorgd heeft, beleefde zijn grote moment tijdens de bankencrisis en gaat tot op vandaag prat op de beslissingen die hij toen heeft genomen. Hij gelooft innig dat zal blijken dat hij het land en de bevolking grote diensten heeft bewezen tijdens de bankencrisis (kenmerk 5). Een journalist die hem daarin al teveel tegenspreekt, kan zich aan een brultelefoon verwachten (kenmerk 11). Zijn autistische trekjes en zijn volstrekte onvermogen professioneel om te gaan met sociale media kunnen met wat goede wil worden gecatalogeerd onder wereldvreemdheid (kenmerk 13). Resultaat dus ook voor de adjunct-secretaris-generaal van de OESO: hybrissyndroom.

En dan is er Elio Di Rupo (PS, 2011-heden). Officieel gezien is Di Rupo pas een krappe twee jaar premier, al zijn er kwatongen die beweren dat hij het land al wat langer leidt. Ook de fans van Di Rupo zullen deemoedig bekennen dat de premier een ijdeltuit is, die buitensporig begaan is met zijn voorkomen en imago (kenmerken 7 en 8). Wanneer hij de vrijheid krijgt om zijn eigen taal te gebruiken is Di Rupo een flamboyante spreker die bombastische toespraken ten beste kan geven (kenmerk 10). Dat hij dol zou zijn op zijn ambt en zich de Zonnekoning te rijk zou voelen (kenmerk 12), dat zullen wel oppositiepraatjes zijn. Maar dat ook Di Rupo overtuigd is van zijn eigen gelijk, dat vroeg of laat door alle anderen en ook de kiezers erkend zal moeten worden, dat werd nogmaals duidelijk in de gastlezing die de eerste minister gaf bij het recente openingscollege politicologie aan de UGent (kenmerk 5). Ook deze charmante man uit Bergen ontsnapt niet aan de vloek van de 16. 

Het mag dus niet verwonderen dat er zo weinig kandidaat-premiers opduiken. Blijkbaar gaat een te langdurig verblijf in de Wetstraat 16 niet alleen gepaard met significant stemmenverlies: je houdt er ook nog eens een persoonlijkheidsstoornis aan over. Doe gerust zelf de test en haal herinneringen op aan eerdere Belgische premiers. Voor lezers die zelf aan de slag willen, wel nog een waarschuwing. Hoewel Mark Eyskens inderdaad een zorgwekkend aantal kenmerken van het hybrissyndroom ostentatief tentoon spreidt, komt hij niet in aanmerking. De minimumtermijn om gewag te maken van reële macht is een jaar. De regering Mark Eyskens hield het godzijdank maar 261 dagen uit.


Eén van de auteurs, David Owen, was van 1977 tot 1979 minister van buitenlandse zaken in de Labour-regering Callaghan. Hij verliet zijn partij in 1981 omdat hij vond dat Labour een te linkse koers voer en richtte de Social Democratic Party op. Hij leidde die SDP van 1983 tot 1987 en van 1988 tot de opheffing van de partij in 1990. De poging om, in combinatie met de Liberal Party, een centrumpartij in de Britse politiek te lanceren stuitte op de wetmatigheden van het kiesstelsel.

<Vindt u dit artikel informatief? Misschien is het dan ook een goed idee om ons te steunen. Klik hier.>

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

[ARForms id=103]

Daniel Walraeve

Daniël Walraeve is historicus en publiceert over identiteit en samenleving.