fbpx


Filosofie

De waarheid wordt gemaakt door macht: deel 2

Zij die zich het felst beroepen op 'de' wetenschap, begrijpen er het minst van


Aangeboden door Sid Lukkassen


Dit artikel is een plus-artikel voor abonnees. Het wordt u gratis aangeboden door Sid Lukkassen, een abonnee van Doorbraak

Vindt u het interessant? Neem dan vandaag uw eigen gratis proefabonnement van 30 dagen.



De Amerikaanse historicus Christopher Lasch (1932–1994) staat opnieuw in de belangstelling. Dat komt omdat Ronald Plasterk, voormalig minister en PvdA-prominent, hem aanhaalde in een omstreden krantenartikel. Lasch is vooral bekend omdat hij begon als progressief, en eindigde als economisch links en cultureel conservatief. De meeste van zijn tijdgenoten maakten een omgekeerde beweging: ze werden economisch rechtser en cultureel progressiever. Zo eindigden we met de ‘liberals’ van vandaag: ideologisch bezeten door antiracisme, transgenderrechten en uiteraard het klimaat. Een échte volkswijk hebben ze zelden van dichtbij gezien.

Des te belangrijker is de volgende uitspraak van Lasch. Die sluit perfect aan bij mijn vorige artikel, over de rol van wetenschap als bemiddelaar tussen waarheid en macht. ‘We do not know what we need to know until we ask the right questions. Information, usually seen as the precondition of debate, is better understood as its byproduct. When we get into arguments, that focus and fully engage our attention, we become avid seekers of relevant information.’ (The Revolt of the Elites, 1996, blz. 163). Oftewel, we doen wel alsof feiten en informatie leiden tot zinnige debatten, maar het is eerder andersom. Pas als we in een discussie betrokken raken, gaan we speuren naar feiten. Feitelijke informatie wordt dus opgeleverd door debatten.

Voorbepaaldheid

Zodoende is er kennelijk iets voorbepaald, iets dat voorafgaat aan onze inname van informatie. Er is iets in onze geest dat onze bekommernis wekt en voor betrokkenheid zorgt. Daarmee komen we in debatten terecht met iemand die dat voorbepaalde bekritiseert, en voorts zoeken wij naar feiten, bronnen – die pas op dát moment relevant worden. Wij zoeken naar informatie en kortom naar ‘bewijzen’, om dat voorbepaalde te staven. Met andere woorden, het existentiële staat boven het empirische.

Als je op het hoogste niveau terechtkomt, dan ben je niet meer bezig met het ‘bewijzen’ van wat je zegt. Maar je postuleert iets. Je verricht een scheppingsdaad waarmee je zélf dat externe wordt waarnaar anderen verwijzen om hun eigen gedachten te vinden, te ijken, te onderbouwen. De argumenten worden uitgewisseld op het empirische niveau, maar het wilsbesluit wordt genomen op het niveau van het existentiële.

Postuleren staat boven bewijzen

Waarom zou je überhaupt willen bewijzen? Of mensen bereid zijn je conclusies en premisse te aanvaarden, hangt af van welke waarden ze in het diepst van hun ziel aanhangen. Iemand die vlees wil eten, zal vlees willen eten, al kom je met feiten over de pijn van dieren. Klimaatdeugers zullen blijven klimaatdeugen, al presenteer je feiten over kernenergie en pijnlijke waarheden over duurzame energiebronnen. Activisten voor transrechten zullen je cancelen als je met ratio en logica een punt maakt over chromosomen (zoals bijvoorbeeld J.K. Rowling ondervond).

Op dat niveau van ‘bewijsvoering’ moet je de strijd niet willen voeren – het is oorlog: het conservatieve en progressieve kamp staan afgrondelijk tegenover elkaar, niet op grond van empirische data maar op grond van Zijn. De feiten en de informatie zijn bijkomstigheden: je tijd daaraan verdoen heeft weinig zin. Hooguit graaf je de loopgraaf wat dieper en zullen de mensen die het reeds met je eens zijn, het nog sterker met je eens zijn.

Kunst nog boven wetenschap

Op het hoogste niveau gaat het om zielen die met elkaar in botsing zijn, het gaat om een proces van schepping en creatie – dit is het domein van de kunst, veel meer dan het domein van de statistieken en gegevens. Via welke aanvliegroute kom ik tot dit punt? Dat is via mijn vorige artikel, waarin bleek dat wetenschap de rol heeft ingenomen van religie.

Toen ik zei dat de waarheid een product is van de macht, noemden critici dat ‘flauwekul’. Maar helaas is het geen flauwekul: wel zou het rust geven als het flauwekul was. Het zou ons een veilig en geborgen gevoel bezorgen als het flauwekul zou zijn. Een beetje alsof Jezus over je waakt. In een seculiere maatschappij vertolkt wetenschap de rol van religie. Juist de mensen die zich zo stellig vasthouden aan zekerheden die ‘de’ wetenschap zou opleveren, weten zelden iets van paradigmawisselingen, kennissociologie of epistemologie.

Wat ‘wetenschap’ heet is de uitkomst van een machtsspel

Wetenschap is onderhevig aan mores (vroeger de kerk, vandaag ‘woke’ – zie de beslissing van tijdschrift Nature om niet meer over maatschappelijk gevoelige onderwerpen te publiceren). Wetenschap is onderhevig aan politiek (zie Jaap van Dissel en het RIVM die hun rapporten en adviezen door het ministerie lieten sturen). Wetenschap is onderhevig aan concurrentie en infiltratie (zie hoe klimaatkritische wetenschappers er doelbewust werden uitgewerkt in Climate Gate). Wetenschap is onderhevig aan interpretatie (de clerici die door de telescoop keken van Galileo Galilei, zagen geen kraters op de maan, maar wolkjes in de lens). Wetenschap wordt gestuurd door militaire belangen (nucleaire energie wordt gewonnen uit uranium en niet uit thorium, omdat uranium beter bruikbaar is voor atoomwapens. Hierdoor is onze wetenschappelijke kennis over uranium groter dan die over thorium).

Een oppervlakkige lezer zou nu onterecht kunnen menen dat ik ‘relativistische’ argumenten gebruik om te suggereren dat wetenschappelijke bevindingen even valide zouden zijn als religieuze openbaringen. Dat woord, relativisme, is echter misleidend. Want ik stel juist vast – in onwankelbare zekerheid en objectiviteit – dat alle genoemde belangen de richting beïnvloeden waarin wetenschap evolueert. Om een voorbeeld te nemen: in het Westen zouden wij ongetwijfeld veel verder zijn geweest in de genetica, als het nationaalsocialisme die tak van wetenschap niet in een kwaad daglicht had gesteld. Macht en mores beïnvloeden welke kant onderzoek op beweegt, want beïnvloeden welke vragen wél, en welke niet mogen worden gesteld.

Het gebruik van het woord ‘relativisme’ is hier zelfs kwalijk, gelet op de andere kant van de medaille. Aan die overzijde staan namelijk de overheden die zich beroepen op de wetenschap, om beleid te legitimeren, waarbij dat beleid dan geen kritiek mag krijgen, want wie dat waagt, gaat in tegen ‘de wetenschap’.

Kabinet misbruikte status RIVM

Hoe desastreus dit is, toont de genoemde casus rond Jaap van Dissel en het RIVM. De overheid beriep zich op aanbevelingen van het RIVM om beleid te maken aangaande lockdowns, QR-codes en vaccinaties. Wat bleek: het RIVM werd zélf gestuurd en gekoeioneerd door politici. Zo liet ‘de wetenschap’ – en de morele status en autoriteit van die wetenschap – zich gebruiken door de macht.

De gekste dingen gebeuren immers: boerenbedrijven worden door de overheid kapotgemaakt; prijzen van energie stijgen (dit heeft niet alleen met Poetin van doen, de basis werd al gelegd in het Energieakkoord van 2013); door lockdowns zijn bedrijven vernietigd en kampen jongeren met sociale en educatieve achterstanden. En als je er wat van zegt – wat goed gebruik is binnen een democratie, namelijk belangenbehartiging en publieke discussie – dan krijg je direct het deksel op de neus. Want ‘de’ wetenschap zou bewijzen hoe het zit, er zou consensus zijn. Op stikstof, klimaat, corona… Waag jij het ‘de’ wetenschap te betwijfelen?

Weg met de wetenschap als dogmatiek!

Zo blijkt: de wetenschap is hun godsdienst, hun dogma, hun ethiek en ideologie ineen. Wetenschap is geen queeste meer van elkaar uitdagen en tegenspreken, maar een serie vastomlijnde dogma’s die dienstdoen als maatschappelijk dwangmiddel. De meest felle verdedigers van de status quo, weten zoals gezegd altijd het minst van epistemologie. Bij hen is wetenschap in slechte handen.

Sid Lukkassen

Sid Lukkassen (1987) studeerde geschiedenis en filosofie. Hij is onafhankelijk denker, vrijwillig bestuurslid van de Vlaamse Club Brussel en inspirator van De Nieuwe Zuil. Hij schreef onder andere 'Avondland en identiteit' en 'Levenslust en Doodsdrift'. Hij promoveerde op 'De Democratie en haar Media'.