Cultuur, Filosofie
Essay
Essay

De wrede Cioran

Cioran

Dezer dagen is iedereen de moralist van de ander, wat opnieuw een benepen, hypocriete, hysterische en puriteinse moraal voortbrengt die elke dag onverbiddelijker voortraast en een nieuw soort kokette, maar gevaarlijke gekte institutionaliseert: alles, maar werkelijk alles kan via deze waanzin als grensoverschrijdend gedrag worden bestempeld of als gebrek aan respect.

Terwijl ik dit essay schrijf lees ik in NRC Handelsblad (17 november) over een fototentoonstelling: ‘Foto’s van kinderen met bloot bovenlijf na klacht weg uit galerie Haagse WTC’. De nieuwe preutsheid (die ook na Dutroux opdook) wordt vandaag ook bewust of onbewust getriggerd door de invloed van de islam en de Zeitgeist die elke zieligheid naar zich toetrekt en er een nieuwe minderheid van maakt. Wie van oordeel is dat het transgenderisme of het transracialisme (ik ben een blanke maar ik voel me een Indiaan of een blinde Togolees, dat soort flauwekul) bepaald geen vooruitgang betekent, is in de ogen van de hautaine moralisten een transfoob, want de politiek correcte orwelliaanse neologismen zijn goedkoop en de snowflakes, vooral aan de Amerikaans academische instellingen, groeien als paddenstoelen in het politiek correcte oerwoud, waarin de vleesetende antifa’s iedereen versmachten die niet het juiste gedacht heeft. Wie immers de amechtige en bij wijlen fascistische reorganisatie van de basale sociale categorieën niet smaakt, wordt door de nieuwe moralisten tot -foob (vul zelf in) en erger bestempeld. Moralisten vandaag zijn oecumenische postmoderne pastoors die voorhouden dat elke witte man schuldig is aan elke onmenselijkheid en dat iedere minderheid overloopt van intense goedheid. Om nog maar eens iets te noemen: slavernij wordt veroordeeld als het van de blanke komt, terwijl de Arabische slavernij tijdens de olympiade van de negerverkoop (een woord dat verboden wordt door de linkse moralistische gedachtepolitie!) met gemak als eerste over de streep kwam.

Homo melancholicus

Het was ooit anders. Misschien was Theophrastus, leerling van Aristoteles, wel een moralist, en in diens voetsporen de twintigste-eeuwer Elias Canetti, die in zijn meesterwerk Masse und Macht uit 1960, dus in tempore non suspecto, vele bladzijden wijdde aan ‘Islam als een oorlogsreligie’ (in de Engelse vertaling: ‘They assemble for the Holy War against unbelievers’ – het is alsof Canetti dezer dagen nog in Brussel was). Het moralisme ontstond als genre an sich in de achttiende eeuw. Moralisten als Chamfort en Lichtenberg analyseerden de menselijke psychologie op een manier die heel wat realistischer was dan die van contemporaine zielenknijpers. Ze deden dat op een stilistisch verbluffende wijze waarin toch altijd een zekere melancholie en ontgoocheling te bespeuren vielen. Het moralisme is een, zoals men het in het Duits zo mooi zegt, ‘Orientierungshilfe’, een manier om in het leven een kompas te hebben, al dan niet met behulp van de temperamentsleer, zoals die door zo historisch ver van elkaar gelegen lieden als Theophrastus of La Bruyère werden ‘uitgevonden’. De melancholie, modern beschouwd het product van de Romantiek, is zowel melancholia generosa, een creatieve toestand tussen licht en duisternis, exaltatie en depressie (Karin Johannisson), als de toestand van het twijfelende individu tussen zelfvertrouwen en twijfel aan zichzelf. In die eerste opvatting moet men een denker als Cioran zien (waarover dadelijk meer). De homo melancholicus, die het graag over zichzelf heeft, wordt nog het raakst getypeerd door Søren Kierkegaard in zijn Of, of: een levensfragment (1843), met als kwalificaties kwetsbaarheid, introspectie, extase, isolement, kortom, een levensgevoel dat ook vandaag nog herkenbaar is in een tijd die geestelijk dood is en die uit verveling graag grenzen verlegt en kickt op het extreme. De melancholicus is een eenzaam mens, en van dat sujet zei Aristoteles dat het een dier of een godheid was. Het is bekend dat een melancholicus als Cioran (want zo bestempel ik hem) ’s nachts niet kon slapen. Nyctofilie noemt men het fenomeen dat een abnormale voorliefde voor de nacht en de duisternis koestert. Zo verbrandt de melancholicus zichzelf.

Armzalig beestje

Het door de moralisten gecreëerde genre zou men kunnen omschrijven als het in een erg briljant- en bijtend-stilistische vorm gieten, vaak vol extase (zoals bij Cioran), van de idee dat met de mens niet veel te beginnen is, dat hij of zij een armzalig beestje is vol zelfoverschatting en twijfel, dat het menselijke karakter eerder zondig is en dat het verbergen daarvan, vaak via zelfmisleiding, een van de intensiefste bezigheden is van de menselijke natuur. Deze pessimistische ‘wereldvisie’ en haar dynamiek drukte men vaak uit in de vorm van aforismen die het menselijke karakter genadeloos en vilein blootlegden, en dat in een literaire taal die veel dieper analyseerde dan de modieuze blablapsychologie uit de ‘boekskes’ van vandaag. Denkers uit het ancien régime als Rivarol, La Rochefoucauld, Chamfort en Lichtenberg (lees diens Sudelbücher, een beetje raillerend en naar de aard van het denken van deze moralisten kladboeken genoemd) wisten inderdaad heel wat meer af van de menselijke aard dan het contemporaine therapeutische heir, dat meestal op de postmoderne modieuze genderflow meesurft. En – tussen twee haakjes – een aantal van deze moralisten waren ook bèta’s, dus mannen die als ‘gecijferden’ niet van de werkelijkheid waren afgesneden, zoals de meeste moralistjes van vandaag die op een krukje staan roepen hoeveel moraal ze wel niet incorporeren en hoe fascistisch de ander wel niet is.

Het observatievermogen van deze aforistische meedogenloze misantropen was echter zo brisant en de genadeloosheid ervan zo heftig dat slechts enkele lucide geesten als Schopenhauer, Nietzsche en Camus ze konden verteren – en vandaag is Houellebecq zeker een fan van dat onverbiddelijke denken, want hij is samen met Solzjenitsyn, Orwell en Huxley, een van de weinige denkers die niet alleen de moderniteit met zijn totalitaristische wanen profetisch fileerde maar die tevens inzag dat het met de mens nooit goed kan komen omdat die niet vermag zijn erfzonde te transcenderen. De zonde in alle vormen en gedaanten teistert hem en haar, hij/zij (ik plaats die ‘zij’ er maar even bij, want voor je het weet heb je Unia aan je broek, zo niet erger) probeert het slechte of het kwade van zich af te schudden, maar zijn/haar zwakheid maakt hem/haar juist tot prooi van de moralist, die met een zeker cynisme en kynisme wéét dat de mens zwak en laf is, vol verraad zit en meestal een ruggengraat heeft van een weekdier. Dat is moralisme van hoog niveau want men moet een sterke maag hebben om die idee door te durven slikken. Daarom juist is de postmoderne moralist in tegenstelling tot zijn achttiende-eeuwse tegenhanger zo’n gevaarlijke hoog-van-de-toren-blazer: hij zal wel eens uitleggen hoe hij zelf erg goed is en edel en grootmoedig en vol compassie, en dus politiek correct, terwijl de ander bijgevolg een halve nazi is. Zo simpel is zijn wereldbeeld en zo tegengesteld aan de authentieke moralist. De zogenaamde empathie van de linkse intellocraat reikt niet verder dan wat hij als de zielige mens beschouwt; met het slachtoffer van zijn verheven ideeën, de door de islam elke dag opnieuw geteisterde westerling, heeft hij geen greintje medelijden en het opnemen van vluchtelingen vindt hij een taak van de overheid. Daarover zou de moralist veel kunnen optekenen…

De échte moralist

De echte moralist is tegelijk cynisch en kynisch, naar het bekende onderscheid dat Peter Sloterdijk ooit maakte. Cynisch omdat hij het intens-lullige spel van de mens doorziet en wéét dat meespelen altijd ‘gezonder’ is wil men het eigen hachje redden; hij is kynisch omdat hij zich in zijn analyses blootgeeft als degene die zwak is maar van die zwakheid een brutale deugd heeft gemaakt, niet die van het christendom maar die van Diogenes van Sinope. De moralist staat aan de kant van Diogenes die vilein opmerkte dat de zon niet alleen voor Alexander de Grote scheen. Maar was Diogenes een ware cynicus, dus een kynicus, dan behoudt de moralist deep down in zijn hart een plaats van waaruit hij de mensen kond wil doen van andere mogelijkheden, hoe cynisch hij die ook oplepelt. Laat u niet vangen aan de moralist: stiekem gelooft hij nog in de mensheid, ook al zit de roodgloeiende hel die hij beschrijft vol misantropen en teleurgestelden die alleen nog van katten houden, zoals Léautaud, want wie van honden houdt heeft alle menselijkheid nog niet opgegeven.

Moralisten zoals ze in de achttiende eeuw opereerden, werden vaak als kwaadaardig gepercipieerd, al moet men ze allicht eerder als melancholische cynici zien die verdwaasd toekijken hoe de mens tekeergaat. De mens heeft nu eenmaal niet graag dat men zijn (biologische) karakter onthult, het harde feit dat hij maar al te vaak een wolf is voor zijn medemens en dat het hemd haast altijd nader is dan de rok. Nietzsche, de top-aforist en afschrikwekkendste dieptepsycholoog ooit, vond Chamfort de ’boosaardigste’ aller moralisten, en dat was een compliment, al is ‘smartelijk’ misschien het epitheton ornans dat het best past bij de mens Chamfort, die van moralist tot vulkaan werd. De meeste moralisten zijn immers lava spuwende eenlingen die door de medemens (met zijn eigen, vaak verborgen vulkanisch verlangen) uitgebraakt worden precies omdat ze hem of haar moreel ontbloten en ons eraan herinneren dat hij uit krom hout gemaakt is, zoals Kant het plastisch omschreef. En al hebben religies in alle maten en soorten getracht dat hout recht te boetseren, het blijft een zwaktebod als de zwakke mens niet inziet dat hij alleen een sterke moraal kan genereren als hij die autonoom, dus uit zichzelf, haalt. Nietzsche hield ons zo’n vitale moraal voor, en hij werd volslagen verkeerd begrepen, want hij liet ons, zoals Chamfort, een maatschappij zien die een wereld toont waarin bankroet gaan meer aanzien oplevert dan niets bezitten, waarin eigenliefde de spil is waar alles om draait en waarin de maatschappelijke waarheid die van de machtige is. Nietzsche met zijn rancuneuze zelfverachting anticipeert in zekere zin op die gekwetste Roemeen die in het Frans schreef, Emil Cioran.

IJzeren Cioran – hij was ooit lid van de protofascistische Roemeense IJzeren Garde – is zoals elke moralist een aristocraat van het denken die met het ‘sarcasme van de opgewektheid’, de ‘toegeeflijkheid van de minachting’ en de ‘wellustige beknoptheid’ (driemaal Nietzsche – de scherpschutter onder deze edelen van geest) de wereld aan zijn superioriteit onderwerpt en het masker van diezelfde wereld afrukt, al had pater Poirters dat in de zeventiende eeuw al gedaan in zijn gelijknamige werk waarin hij de bedrieglijke en valse wereld met contrareformatorisch venijn te lijf ging.

Cioran, de meest ‘vitriole’ onder de moralisten

En zo arriveren we eindelijk bij de Roemeense Fransman of Franse Roemeen Emil Cioran (1911-1995), allicht de meest ‘vitriole’ onder de moralisten, de filosoof met de markante kop die op een stilistisch bijtende wijze verbeten en obsessief de maat neemt van ’s mensen rampzaligheid, zoals Claude Arnaud het formuleerde met betrekking tot Chamfort. In tegenstelling tot Nietzsche heeft hij geen enkele illusie meer: god is dood en wat erna kwam biedt geen hoop. Nietzsche kon extatisch zijn – zie zijn Zarathoestra – maar Cioran heeft in het fascisme geleefd, beging tijdens die periode in zijn geboorteland een serieuze jeugdzonde, week in 1941 uit naar Frankrijk, zag in zijn nieuwe vaderland het communisme in verkapte vorm aan het werk, zoals men dat vandaag opnieuw terugvindt in de ideologie van het antiracisme (lees Pascal Bruckner Un racisme imaginaire, 2017 en Jean-Louis Harouel Les droits de l’homme contre le peuple, 2016), en besloot dat de mens een hopeloos wezen is, vaak van een enorme boosaardigheid, en dat de eenzaamheid van de mystiek het enige is dat een weinig soelaas kan brengen in een zee van wanhoop.

Dat verwoordt hij in aforismen en langere essays die stuk voor stuk druipen van hopeloosheid, zwartgalligheid en walg en in een taal die niet de zijne was, het Frans, maar die hij als een ultrafijn geslepen slagersmes hanteerde: geraffineerd en brutaal tegelijk. Daarin was hij een grootmeester en de evenknie van Nietzsche. Beiden ventten ze hun bitterheid uit, de ene keer met een vrolijke doodsdrift dan weer met geresigneerde wanhoop. Het overgaan van een idee tot de bezieling ervan in een ideologie noemt Cioran de mutatie van logica naar epilepsie. Het vermogen van de mens om te aanbidden is verantwoordelijk voor al zijn misdaden – en wie de twintigste eeuw in ogenschouw neemt, kan niet anders dan dit beaat en beschaamd te beamen. De duivel, zo tekent Cioran op, verbleekt vergeleken bij iemand die beschikt over een waarheid, over zijn waarheid. En alsof hij het over de islam heeft, schrijft hij: ‘De echte misdadigers zijn zij die een orthodoxie oprichten op het religieuze of politieke vlak, die onderscheid maken tussen aanhanger en afvallige’. ‘Wanneer men weigert,’ zo gaat hij verder, ‘het inwisselbare karakter van ideeën te erkennen, vloeit er bloed’. Toch is Cioran geen cultuurrelativist pur sang, hij is een twijfelende geest, aangetast door hamletisme. De onbekwaamheid tot quiëtisme en de permanente mobilisering van de wil bespoedigen de ondergang. Wie vandaag om zich heen kijkt en de radeloosheid opmerkt van de politiek en zijn globalistische elites, op zowat alle vlakken (mobiliteit, onderwijs, migratie, islam, diversiteit, criminaliteit op het internet en op de Bahama’s…), moet toegeven dat deze denker het gelijk aan zijn kant heeft omdat hij de twijfel en de luiheid koestert, gebreken die nobeler zijn dan alle actuele deugden (niet die van de Romeinen of Grieken met hun constantia en ataraxia: politici zouden de oude sofisten moeten bestuderen, schrijft Cioran). Wijsheid die bestaat uit boutades, zo merkt hij op, is milder dan ontspoorde heiligheid met haar obsessie met het heil. Cioran is de anti-profeet, Nietzsche was de profeet van het ongeremde dionysische leven. Bij elke profeet komt er een beetje meer kwaad in het leven. Men moet de realiteit zien zoals zij is, en dat is blijkbaar een bijzondere opgave, want de mens heeft een dodelijke dorst naar ficties (het resultaat daarvan zien we nu bij de slachtoffers van de islam, maar de politiek weigert dat te erkennen). Het is de menselijke veranderzucht die zijn beschaving inkort want oude beschavingen duurden veel langer omdat ze zich millennia lang hebben gewenteld in een magnifieke verstarring. Met Europa, dat op zijn laatste benen loopt, zal dat wegens zijn hyperveranderingsmanie beslist het geval zijn, en het is niet voor niets dat Cioran een van zijn werken begint met een gedicht van die grote Engelse aforist, Cyril Connolly: ‘In de tuinen van het/avondland heeft het/sluitingsuur geslagen’.

Dat Spengler weer heftig in de belangstelling staat, is geen toeval want wie goed toekijkt, constateert met Cioran en Connolly dat Europa zich heeft uitgeput en kapot heeft gemaakt met twee zaken: zijn hyperkinese en de uitvinding van de mensenrechten die het op iedereen en op elk systeem toepasbaar acht. Niet voor niets waren, op Beccaria na, de meeste verlichtingsfilosofen voor de doodstraf. Maar de wankele en angelieke Europese geest kan zich die idee zelfs niet meer voorstellen, zo moe en decadent is die.

Gezond verstand

De titels van de werken van Cioran drukken alles uit wat hem mentaal ‘bezet’: Gevierendeeld, Geboren zijn is ongemak, Bittere syllogismen – en nu pas vertaald – eindelijk – een dodelijk filosofisch werk uit 1949: Een kleine filosofie van het verval (Historische Uitgeverij, 2017), een lucide exercitie in het doden van de profeet in zichzelf en in het bevestigen van het gezond verstand: ‘Zich voor de gek houden, leven en bedrogen sterven, dat is ongeveer wat mensen doen’. Het is een boek voor stervelingen die zich bewust zijn van de dood en het verval. Alvorens te sterven, doden de mensen de tijd omdat ze niet aan het laatste uur willen denken. Zoals de Perzische tuinman in het gedicht van P.N. van Eyck, ontvluchten ze de dood. Ze verabsoluteren wat Pascal ‘le divertissement’ noemde, de grote verstrooiing, en amuseren zich lusteloos kapot (Neil Postman). Men ontvlucht de catastrofe van de geboorte in het entertainment, in de afleiding die de mens koortsachtig zoekt om de schandelijke idee van de dood niet onder ogen te zien. Soms zelfs doet Cioran me met zijn vileine en onverbiddelijke ratiocinaties denken aan Pascal en diens in feite op het hart gerichte Pensées. Wanneer die stelt ‘Les jésuites ont voulu joindre Dieu au monde, et n’ont gagné que le mépris de Dieu et du monde’, dan zou dat ook uit de koker van de altijd schampere en demoraliserende aartspessimist Cioran kunnen komen, al was voor hem god een illusie waarmee de mens zichzelf troost en die hem op het pad van de oorlog brengt. Pascal oreerde ook dat in afgrijselijke en wrede omstandigheden (en die zijn er vandaag genoeg) degenen die daarvan gespaard bleven, de ander die lijdt en gemarteld wordt, met pijn en zonder hoop aanschouwen, wachtend op hun beurt om ook af te zien. Het zou van Cioran kunnen zijn, hoe antagonistisch de twee ook zijn, de gelovige en de mystieke atheïst. In hun idiosyncratische mystiek raken ze elkaar, en dat bewijst hoe onvatbaar hij vaak is, ook al is zijn uitgangspunt duidelijk.

Een kleine filosofie van het verval is, zoals Cioran het zelf bestempelde, een ongebreideld boek, en dat kon volgens hem niet deprimerend zijn: het was naar zijn aanvoelen eerder versterkend en in zekere zin zelfs opbeurend in zijn buitensporigheid – en dat klopt helemaal. Men heeft immers de neiging voortdurend te roepen: kom op, kerel, niet zo zwartgallig, er is wel wat positiefs te vinden tussen hemel en aarde. De zwarte kijk op het leven verbergt paradoxaal genoeg een zekere vitaliteit, ook al is elk van zijn boeken, zo beweerde Cioran, een uitgestelde zelfmoord. Hij pleegde ook geen zelfmoord, ook al geloofde iedereen dat het moment van zijn overlijden niet zomaar een overlijden was, ook al stierf hij zeer gewoontjes in een Parijs ziekenhuis, op vierentachtigjarige leeftijd.

Zwarte oeuvre

Zijn zwarte oeuvre (al zou hij dat woord niet graag horen!) is vreemd genoeg een tonicum, ‘une vertu stimulante’ (Jean Rostand), het sorteert vreemd genoeg een therapeutisch effect (Peter Sloterdijk). Cioran zou deze recensie echter een ontwijding noemen omdat, zoals hij schreef, een ‘verklaarde’ tekst geen tekst meer is, net zoals een dood lichaam geen lichaam meer is. Ciorans toonzetting is schril en heftig en exuberant, en dat wordt in deze postmoderne snowflaketijd waarschijnlijk niet gesmaakt. Hij blijft als razende mysticus filosofisch en ethisch gesproken niet erg beleefd: Cioran is beslist de ‘antifilosoofste’ onder de filosofen. Mulisch componeerde als parafilosoof de wereld, Cioran de-componeert of ontbindt de wereld, maar blijft desalniettemin het stigma van filosoof houden, een professie of houding die hij verwierp en die erop neerkomt dat hij alle ideeën, van groot tot klein, dezelfde envergure toekent. Plato krijgt in die visie evenveel rechten als het gezond verstand van de kroegtijger – en als dat geen verdienste is in een tijd waarin de pretentieuze, luie en dictatoriale alfa’s ons willen voorschrijven hoe we moeten denken en ons zelf elitetoogpraat willen aansmeren!

Emil Cioran is niet te vermurwen. Het leven is een wrange grap. In die zin doet hij denken aan die andere Centraal-Europeaan, Milan Kundera, soms ook aan Kafka als die zijn radeloze illusieloosheid in zijn novellen optekent; soms aan Bohumil Hrabals bittere weemoed en grappigheid, soms aan Gombrowicz’ merkwaardige relatie tot de onvolwassenheid. Maar vreemder nog is de tegendraadse verwantschap met de reactionaire Colombiaanse filosoof Nicolas Gómez Dávilla, over wie Gabriel García Márquez schreef: ‘Als ik geen communist was, zou ik in alles denken zoals hij’. Zoals Cioran, zo merkte zijn Engelse vertaler Patrick Dionne op, spreekt Dávilla de intelligenten aan die door de middelmatigen worden vermoord. Wie Cioran en Dávilla naast elkaar legt krijgt vuurwerk. Nergens, in geen enkel literair of filosofisch werk, wordt beter bewaarheid dat, zoals Buffon het stelde, de stijl de mens zélf is: le style c’est l’homme même. Een Vlaming gaat er in zijn kop-in-kas-mentaliteit nogal graag vanuit dat degene die roept en tiert zijn toon moet milderen. Als er geen verweermiddelen meer zijn omdat de logica en de argumentatie te klemmend en onweerlegbaar zijn, roept de goedfatsoen-Vlaming: ‘de toon, mijnheer, de toon, u roept, mijnheer, hou je mond maar’! Het permanent en bijna hysterisch verwijzen naar de toon, is merkwaardig genoeg het laatste zwaktebod van de verliezer, want als hij De Schreeuw van Munch bekijkt, valt hij in katzwijm. De Schreeuw! Het is vaak het enige wat overblijft als men de argumenten van de logicus niet wil aanhoren.

In zijn helaas vergeten dagboek 1935-1944 met als ondertitel ‘De alom gerespecteerde banaliteit van het kwaad’ (Nederlandse vertaling door Julien Weverbergh, 1998), schrijft die andere, veel te weinig bekende Roemeen Mihail Sebastian op 1 november 1941: ‘Ik begin te begrijpen wat wil zeggen: je bevrijden van een boek’. Ook van de intimiderende en soms opdringerige obsessies van Ciorans denken moet de lezer zich bevrijden, want anders vreet hij je op. Je voelt je immers de hele tijd weerloos ten opzichte van zijn wrede filosofie, opgetekend met stilistische brille en met de kracht van een bezetene, in de hemelse taal van de dostojewskiaanse yourodivy.

Het wordt nu tijd, lezer, dat u eraan begint, aan Ciorans levensbedreigende denken, aan zijn lethale injectie tegen het leven – alvorens de politiek of het leven u opvreet.

 

E.M. Cioran, Een kleine filosofie van het verval, Historische Uitgeverij, 2017; oorspronkelijk 1949.

Historische Uitgeverij

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans