Advertentie
Filosofie
Essay
Essay
Frank Boll

Over democratie en gelijkheid: van de Tocqueville tot nu

Tocqueville

De Normandische nobelman Alexis de Tocqueville (1805-1859) werd geboren na het uitbreken van de Franse revolutie, na de stichting van de Eerste Republiek en na de instelling van het Keizerrijk door Napoleon Bonaparte. Zijn vader ontsnapte nipt aan de guillotine. Toen hij 9 jaar was werd de monarchie terug ingevoerd, met achtereenvolgens Lodewijk XVIII, Karel X en sedert 1830 de ‘burgerkoning’ Louis Philip van Orléans. Toen kreeg hij de opdracht van de Franse regering om samen met zijn vriend Gustave de Beaumont het penitentiaire systeem in Amerika te bestuderen.

De Tocqueville in Amerika

Deze reis in 1830-31 was aanleiding tot zijn tweedelig werk De la Démocratie en Amérique van 1835 en 1840. Een duizendtal pagina’s waarin hij zowel het unieke karakter van de Amerikaanse natie in wording uiteenzet als speculeert over de toekomst van de democratie.

Nog vandaag wordt dat werk door vele gezaghebbenden beschouwd als het beste daarover ooit geschreven. Dat zal hen die nadenken over zijn werk niet verwonderen. Hij schrijft als dertigjarige enkel na lang gebaad te hebben in zijn onderwerp. Een man met opvoeding, belezenheid, reiservaring, zonder vooroordelen, integer en een hardwerkende onderzoeker, die niet alleen de archeologie van een natie blootlegt maar ook de toekomstige pijnpunten van de democratie, zoals de spanning tussen vrijheid en gelijkheid en de despotische kant van de democratie. Met naast een oprechte en grote bewondering voor de ‘American exception’, ook veel gevatte en harde kritiek op de Amerikanen. Sainte-Beuve zei dat hij reeds kon denken alvorens te hebben geleerd.

De Amerikaanse gelijkheidsidee

Het streven naar gelijkheid zit ingebakken in de democratie. Maar wat betekent gelijkheid? Het betekent niet dat mensen gelijk zijn, want dat zijn ze uiteraard niet. Net zoals democratie in werkelijkheid ook nooit letterlijk beleid voor de mensen door de mensen betekent.

Voor de Tocqueville betekende gelijkheid in Amerika potentiële gelijkheid. De auteur noemt het ‘l’égalité des conditions’, in tegenstelling tot ‘l’inégalité permanente des conditions’ in de feodaliteit en het Ancien Régime. Dit wordt behandeld in onder meer Deel II, boek 3, hoofdstuk V.

Geen permanente ongelijkheid

Nooit bestond er een maatschappij zonder rijken of armen, of zonder meesters en dienaren. De democratie verhindert niet dat deze twee klassen bestaan, maar ‘…elle change leur esprit et modifie leurs rapports’. De ene is niet inferieur aan de ander. Dat zijn ze wel binnen de limieten van een contract dat tijdelijk is en vrij aangegaan, maar niet daarbuiten. De gewoonten, de wet en ook de publieke opinie zeggen dat er geen natuurlijke en permanente ongelijkheid bestaat tussen de onderdaan en de meester.

Er bestonden geen geboorteclaims. Iedereen kan vandaag meester en knecht zijn, en morgen omgekeerd. Die sociale mobiliteit was ook groot. Dat is wat de Tocqueville herhaaldelijk uitlegt. Amerika begon van nul. Het had geen erfenis. Dus een oorspronkelijk klasseloze maatschappij. ‘Les Américains sont nés égaux au lieu de le devenir.’ Zij die vanaf 1620 in New England toestroomden waren veelal Puriteinse middenklassers aangetrokken door de wens een nieuwe maatschappij te starten, zoals ook de Quakers van Pennsylvania. De democratie of de gelijkheid was voor hen een religieus principe dat de hoeksteen werd van de Amerikaanse maatschappij. Daarbij was ook hun mening cruciaal volgens dewelke de Voorzienigheid aan eenieder een vrije wilsbeschikking heeft gegeven. Daarom ontvluchtten de meeste van hen Engeland, vooral om politieke redenen en niet of minder om economische en godsdienstige. Dat was een unieke Amerikaanse trek.

Enkel voor blanken

De auteur had het hier uiteraard enkel over de blanke Amerikanen. Zijn analyse had geen betrekking op Indianen en Afro-Amerikanen. In I, 2, X worden een honderdtal pagina’s gewijd aan deze bevolkingsgroepen: ‘…l’Européen …. les fait servir à son usage, et quand il ne peut les plier, il les détruit.’

De manier waarop onze auteur gelijkheid in Amerika in 1840 beschreef, werd een eeuw later door de Schotse historicus Denis Brogan (1900-1974) in zijn boek The American Character (1944) als volgt bevestigd:

‘By European standards, what is still more notable about American life is that competition … is the accepted way of life. So is the lavishness of the prizes…and the absence of jealousy of the winners. This absence of jealousy, this conviction that the game is worth playing …is one of the chief sources of American wealth, well-being and political stability.’

Deze basisfilosofie blijft nog altijd overeind in Amerika.

Meer gelijkheid in de startcondities, de Europese tegenhanger

Europa was in die tijd een maatschappij met erfenissen, of met ‘l’inégalité permanente des conditions’. Naarmate de democratie zich ontwikkelde, is de overgang naar ‘l’égalité des conditions’, of de gelijkheid in kansen of startsituaties, geleidelijk gegroeid. Over drie of vier generaties kon men evolueren van bv. landbouwer naar leraar/arbeider en eventueel naar vrij beroep of ondernemer. Een grote sociale mobiliteit die heel de maatschappij en haar toekomstige ontwikkeling ten goede kwam. Historisch nooit geëvenaard.

Niet enkel de democratie, maar ook en vooral het vrije markt kapitalisme maakte die mobiliteit mogelijk. Meer gelijkheid in de startsituatie, een taak voor onder meer de overheid, schaft mogelijkheden. Maar die moeten worden omarmd door mensen. Enkel mensen, en niet de overheid, kunnen die kansen uiteindelijk waarmaken. De beschikbaarheid van kapitaal om te ondernemen en de vrijheid van intrede in de markt helpt die mogelijkheden te realiseren. Dat was voorheen nog nooit mogelijk geweest. Het vrije markt kapitalisme was en is een grote gangmaker van gelijkheid. De meest democratische en billijke manier om de economie te organiseren en de meest efficiënte om economische resultaten te boeken. Een grote verworvenheid. Door de geschiedenis herhaaldelijk gestaafd. Terloops, en zoals courant in Amerika, mobiliteit moet ook in omgekeerde zin kunnen werken. Want dat verhinderen creëert nieuwe ongelijkheden.

Het blijft een vraagteken waarom zovelen die van die grote sociale mobiliteit hebben genoten en nu posities met sociaal aanzien betrekken, zich vaak radicaal keren tegen veel of alles van wat die mobiliteit heeft mogelijk gemaakt.

Meer gelijkheid bij aankomst, een degeneratie van meer gelijke startcondities

Wat Europa vandaag, en inzonderheid België, kenmerkt is een streven naar immer meer gelijkheid bij aankomst. De herverdeling van inkomsten, niet alleen via belastingen en sociale uitkeringen, maar ook via allerlei uitzonderingen en expliciete en impliciete heffingen en subsidies, is aanzienlijk. Die herverdeling wordt groter naarmate het overheidsbeslag in de economie toeneemt. Meer en meer mensen worden betaald om niet te werken. Tegelijkertijd stijgt het gevoel van onbehagen. Kenmerken van een maatschappij in achteruitgang. Ligt de verantwoordelijkheid daarvoor niet eerder bij de over-verzorgingsstaat dan bij het liberalisme? In Antifragile (2012) legt de Libanese economist Nassim Nicholas Taleb uit waarom over-verzorging mens en maatschappij verzwakt.

Relatieve armoede neemt over van absolute armoede. Maar relatieve armoede is een sociale issue, geen armoede probleem. Verdubbel alle inkomens, en de relatieve armoede blijft dezelfde. België is één van rijkste en volgens onder meer Oxfam ook een van de meest gelijke landen ter wereld. Omdat onze sociale zekerheid van bij de meest omvangrijke is. Toch gaat er amper een dag voorbij of er worden in de media door een belangengroep nieuwe claims gesteld aan de overheid, of gewag gemaakt van een nieuwe groep die de eindjes niet meer aan mekaar kan knopen, met de eis dat de overheid zou bijspringen. Of de mainstream media als gangmaker van onbehagen en frustratie.

Manuscript van de Tocquevilles ‘De la démocratie en Amérique’.

De creatie van ongelijkheden, een groeiend euvel in het Westen

Met de uitbreiding van overheidsinterventies in de bruto/netto inkomensvorming werden ook privilegies gecreëerd voor grotere groepen. Daarbij werd de band tussen werken en het trekken van inkomen allerhande steeds kleiner, scheefgetrokken of onbestaande. Nieuwe ongelijkheden worden zo gecreëerd. Enkele voorbeelden.

Zo is er de wetgeving die het product is van lobbying en die aan mensen, groepen, ondernemingen en financiële instellingen privilegies geeft, wat bekend staat als ‘croney capitalism’. Of mensen en groepen die er in slagen het staatspaard voor hun kar te spannen. Het is belangrijk te beseffen dat in de totstandkoming van veel van dat vrienden-kapitalisme de overheid uiteindelijk vaak een determinerende rol speelde. Dat is wat de Franse economist en Nobelprijs Economie 2014 Jean Tirole bedoelt wanneer hij stelt: ‘Il faut un état fort mais léger, qui résiste au lobby’. Men denke bv. aan het vaak falende mededingingsbeleid.

Level-playing-field

Zo zijn er de overheidspensioenen waar de band tussen bijdragen en uitkeringen veel meer uiteen groeide dan bij werknemers en zelfstandigen. Dat betreft ongelijkheden gecreëerd door de overheid voor electorale redenen. Een voorbeeld van despotisme in de evolutie van de democratie. Dat staat haaks op het streven naar gelijkheidscondities, of het gelijke speelveld, de ‘level-playing field’. Eenmaal deze ongelijkheden in het leven zijn geroepen en een tijd bestaan worden het ‘verworven rechten’ die men niet meer durft terug te draaien, alweer om verkiezingsredenen. Het dan maar optrekken van al de rest naar het hoogste toe, is het verkeerde antwoord.

Een ander voorbeeld zijn de verschillen tussen grote en kleine ondernemingen en hun respectieve tewerkgestelden: verschillen in bijvoorbeeld de mogelijkheden tot lobbying, in het gewicht van de regelgeving en in het recht op brugpensioen. Daarnaast zijn er ook de beroepen die door wetgeving beschermd worden en daarom monopoloïde winsten opstrijken. En er zijn langdurig werklozen die soms van een hoger pensioen genieten dan menig zelfstandige die werkte en bijdragen betaalde tot de pensioenleeftijd.

Die nehmende Hand

Tenslotte is er de uitgebreide subsidiecultuur. Subsidies zijn vaak arbitrair en ad-hoc, en veelal met een aantal onvoorziene maar vervelende neveneffecten of ‘unintended consequences’. Daarnaast moet elke subsidie gefinancierd worden met belastingen.

De items hier vermeld betekenen voor de staatsuitgaven ettelijke procentpunten van het BNP. Ten koste van hen die daarvoor immer meer belastingen moeten ophoesten. Zo staan in België de top 10% inkomenstrekkers in voor 50% van de totale personenbelasting, terwijl we nu op de derde plaats staan in de EU wat de hoogte van de belastingen op kapitaal betreft. De bijdragen van die 10% financiert een aanzienlijk deel van de welvaartsstaat. Dat verdient eerder appreciatie en aanmoediging dan afkeur. Een cultuur die succes culpabiliseert en schuldgevoel aanwakkert, nu dagelijkse kost, schiet in eigen voet, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk argumenteerde in zijn Die nehmende Hand und die gebende Seite (2010).

Inferieur collectivisme

Het is schrijnend dat deze manifeste en gefabriceerde ongelijkheden in een tijd van excessieve gelijkheidsdrang niet of amper aan bod komen. Ook internationale organisaties hebben er recent op gewezen dat in landen met een hoog overheidsbeslag, en zeker wanneer dit hoger is dan 50% van het BNP, zoals in België, de budgettaire inspanning nu moet komen van de beheersing van de uitgavenkant.

In The Road to Serfdom (1944) en in The Fatal Conceit: The Errors of Socialism (1989) argumenteert de Oostenrijks-Britse econoom en Nobelprijs Economie 1974 Friedrich von Hayek (1899-1992) dat socialisme en collectivisme zowel moreel als politiek inferieur zijn aan de vrije markt: omdat ze leiden tot corruptie, bureaucratische tirannie en nieuwe ongelijkheden. Een illustratie hiervan was de Sovjet-Unie, een systeem gebouwd op extreme macht en extreem bedrog, dat in 1991 de geest gaf.

Limieten aan het gelijkheidsstreven

De Tocqueville waarschuwt in II, 2, XIII dat ‘…le désir de l’égalité devient toujours plus insatiable à mesure que l’égalité est plus grande.’ De hele maatschappij verliest daarbij. Haar veerkracht gaat verloren. Dat is nu aan het gebeuren en is één van de tekenen van de gestage achteruitgang van het Westen. Dit verval wordt ook gevoed door de krediet- en schuldcultuur in zowel de private als de publieke sfeer, door de uitholling van het geldwezen en de monetaire politiek die spaarders en schuldeisers onteigent, door het verlies van werkethos, prestatiefierheid en eigen redzaamheid, door de uitholling van eigen verantwoordelijkheid, en door de klaagcultuur die werk nu kenmerkt terwijl de arbeidsduur en de arbeidsomstandigheden nooit korter en beter waren.

De overheid, de sociale partners, de media en wij allemaal dragen hier een verpletterende verantwoordelijkheid.

De spanning tussen meer en meer beloften en wat uiteindelijk bereikt wordt of kan bereikt worden, vergroot continu. Dat is op termijn explosief. Dat moet worden uitgelegd en verkocht door de overheid en de makers van de publieke opinie. Maar het klimaat om dat te doen ontbreekt. De Franse schrijver Paul Valéry (1871-1945) verwoordde het zo in zijn Regards sur le Monde Actuel (1945):

Geen rechten zonder plichten

‘Rien ne me paraît plus difficile que de déterminer les vrais intérêts d’une nation, qu’il ne faut pas confondre avec ses voeux. L’accomplissement de nos désirs ne nois éloigne pas toujours de notre perte.’

Aan de relatieve gelijkheid van startkansen en condities dient verder gewerkt, en dat gebeurt nog te weinig. Met als doel een groter stuk van ieders potentieel aan te boren. Daar zullen zowel mensen als maatschappij uiteindelijk beter van worden, eerder dan van ingrepen voor meer gelijkheid bij aankomst. Want geen enkele maatschappij kan overleven met alleen rechten en geen plichten.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans