Geschiedenis
Essay
Essay
Frank Boll

Pruisen in de geschiedschrijving

Pruisen

In februari 1947 maakte een verordening van de geallieerden een einde aan het bestaan van Pruisen. In september 1943 had Churchill in het Britse Lagerhuis Pruisen gebrandmerkt als ‘…the source of recurrent pestilence’. Een ‘post hoc ergo propter hoc’ redenering. Of er bestaat een rechtstreeks verband tussen de Pruisische geschiedenis en de nazi-periode 1933-1945.

Een controversiële stelling die doet denken aan volgend verhaal dat typerend is voor geschiedschrijving. Tussen juni 1948 en mei 1949 blokkeerden de Sovjets Berlijn. Die blokkade mislukte dankzij de vastberadenheid van vooral de Amerikanen en de Britten die met een luchtbrug de bevoorrading van Berlijn verzekerden. Een Amerikaan hield een dagboek bij tijdens de blokkade. Bij publicatie daarvan wou de uitgever wijzigingen aanbrengen in het licht van de mislukte blokkade. De afloop van de feiten moest de inhoud van het dagboek bijsturen. De schrijver weigerde daarop in te gaan.

De moraal: wat later gebeurt, bepaalt vaak in hoge mate hoe wordt geschreven over wat daarvoor gebeurde. Een variante daarvan is het eeuwenoude gezegde dat de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars of de overblijvers.

Drie Duitsland verhalen

Zo zijn er drie verhalen met Duitsland in de hoofdrol die in de loop van de geschiedschrijving een nieuwe betekenis kregen. De schuldvraag betreffende de Eerste Wereldoorlog, de geschiedenis van Pruisen vanaf zijn opheffing door de geallieerden in 1947, en het duizendjarige verhaal van het Heilige Roomse Rijk vanaf zijn ontbinding in 1806. Telkens was het initieel gangbare verhaal erg kritisch voor Duitsland, Pruisen en het Heilige Roomse Rijk. Maar daarna evolueerde dat naar respectievelijk neutralere en positievere of positieve benaderingen.

I. Wereldoorlog I en de schuldvraag

Artikel 231 van het verdrag van Versailles van 1919 legt de verantwoordelijkheid voor de wereldoorlog uitsluitend bij Duitsland. Ook de Britten en de Amerikanen legden veelal de verantwoordelijkheid uitsluitend of hoofdzakelijk bij Duitsland. Daarentegen was tot 1960 de meerderheidspositie van de Duitse academische geschiedkundigen dat er geen specifiek Duitse verantwoordelijkheid bestond voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Deze meningen evolueerden over de tijd.

In zijn Contemporary Europe: A History van 1961 noemde de Harvard historicus Henry Stuart Hughes (1916-1999) de in 1921 aan Duitsland opgelegde herstelbetaling van 132 miljard goudmark onbillijk. Om die herstelbetalingen te justifiëren werd aan Duitsland een ‘oorlogsdelict’ toegeschreven, waardoor het als enige verantwoordelijke voor de oorlog werd beschouwd. Dat bestempelde Hughes als een grote distorsie van de echte achtergronden van het conflict (in het hoofdstuk: The Treaties from 1919 to 1923).

Ook in het Duitse standpunt kwam in 1961 verandering met het boek van Fritz Fischer (1908-1999): Griff nach der Weltmacht: Die Kriegszielpolitik des kaiserlichen Deutschland 1914/1918. Daarin wordt aan Duitsland een aanzienlijk aandeel toegeschreven in de verantwoordelijkheid voor het uitbreken van die oorlog. In revisies van dat boek in 1965 en 1969 onder andere titels wordt dat een uitsluitend Duitse verantwoordelijkheid. De basis van deze stelling lag in documenten die door de Sovjets naar Rusland waren meegenomen maar later in de DDR tijd vanaf 1957 ter beschikking kwamen. Voor Fischer was het cruciale document het september 1914 programma van de Duitse oorlogsdoeleinden van Rijkskanselier von Bethmann Hollweg. Dat is vijf weken na het uitbreken van de oorlog.

Niall Ferguson, de Harvard historicus, heeft in zijn The Pity of War (1998) geargumenteerd dat hier axiomatisch gesteld werd dat die oorlogsdoeleinden ook die van voor de oorlog waren. Maar om dat te staven zijn nooit documenten gevonden. Dat ondermijnde de stelling van Fischer. Daarenboven, zo Ferguson, had Fischer de historische context van het ontstaan van die oorlog verwaarloosd. Deze laatste kritiek werd voorheen reeds geuit door de Duitse historicus Wolfgang Mommsen (1930-2004).

Fischer’s werk was de oorsprong van de ‘Fischer-Kontroverse’ tussen historici van vooral conservatieve nationalisten onder leiding van Gerhard Ritter (1888-1967) en linksliberalen als Fischer en zijn navolgers. Deze scheidingslijn wordt blijkbaar tot vandaag aangehouden, zoals blijkt uit recente discussies daarover in respectievelijk Die Welt en Die Zeit.

Personalia vullen dat debat aan. Na de dood van Fischer bleek dat die tot de SA toetrad in 1933 en tot de NSDAP in 1937. Zo ontstond het vermoeden van compensatie. Van Ritter was geweten dat hij als conservatief en nationalist aanvankelijk het nazi regime steunde. Maar gaandeweg keerde hij zich tegen de wetteloosheid, de willekeur en de machtshonger van het regime. Dat leidde uiteindelijk tot zijn gevangenschap omwille van zijn vriendschap met de Pruis Carl Goerdeler, één van de samenzweerders van de mislukte aanslag op Hitler van 30 juli 1944.

Triple Entente
Ook de Australiër Christopher Clark die geschiedenis doceert in Cambridge zet in zijn The Sleepwalkers (2012) vraagtekens bij de stelling van een specifiek Duitse oorlogsschuld. Weliswaar ontkent hij de militaire en imperialistische paranoia van de Oostenrijkse en Duitse politici niet. Maar de crisis die in 1914 tot oorlog leidde was de vrucht van een gemeenschappelijke politieke cultuur. Die gemeenschap telde naast Oostenrijk en Duitsland ook de drie leden van de Triple Entente: Frankrijk, Rusland en Engeland.

Een andere Angelsakser heeft op die thema’s van Ferguson en Clark verder ingespeeld. De Oxford geschiedkundige Peter Frankopan schreef The Silk Roads: A New History of the World (2015). Bij de overwinning van de geallieerden in 1918 was alleen nog maar sprake van het Duitse imperialisme, zo Frankopan, en waren de oorzaken van het conflict in de vergeethoek geraakt (Chapter 16 – The Road to War). Frankopan lijkt één van de weinige Westerse historici met grote kennis van Azië.

Volgens Frankopan lag de oorsprong van die oorlog mede in Rusland. De vooruitgang die Rusland boekte in Perzië, Centraal Azië en het Verre Oosten vormden een druk op de overzeese gebieden van Britain. Door ententes moest Rusland wind uit de zeilen worden genomen. Dat leidde uiteindelijk tot het Engels-Russische akkoord van 1907 waardoor Rusland, toen eigenlijk de grootste rivaal van Engeland, haar bondgenoot werd. Dat akkoord dat ook wederzijdse invloedssferen in Azië afbakende, was een onderdeel van de Triple Entente tussen Rusland, Engeland en Frankrijk tegen Duitsland en Oostenrijk. De Russische aandacht zou naar het Westen toegespitst worden. Decennia voorheen had koningin Victoria reeds gesteld dat de situatie in Azië zou leiden tot de wereldsuprematie van ofwel Brittannia ofwel Rusland.

Maar toen de oorlog aan zijn einde kwam ‘… a narrative developed that reshaped the past…’ , aldus Frankopan. De voorstelling die dominant werd in het publieke bewustzijn was die van de Duitse agressie en van de gerechtvaardigde oorlog van de geallieerden. Van dat narratief naar het verdrag van Versailles was dan nog maar een kleine stap.

II. Pruisen in de Duitse geschiedenis

Wat zeggen drie Angelsaksische auteurs over Pruisen in verband met de stelling van Churchill en het anti-Pruisische paradigma van militarisme en staatsverheerlijking dat in brede kringen binnen en buiten Duitsland gangbaar werd na 1945?

Timothy Blanning, professor geschiedenis in Cambridge, schreef Frederick the Great: King of Prussia (2016). Die regeerde tussen 1740 en 1786 toen Pruisen van een kleine macht een Europese speler werd naast de grootmachten van die tijd, Frankrijk, Engeland, Spanje, Oostenrijk en Rusland. Blanning veroordeelt de band tussen Hitler en Frederick de Grote en Pruisen als simplistisch en irrelevant. Ook Iron Kingdom. The Rise and Downfall of Prussia, 1600-1947 (2006) door de Australiër Christopher Clark, die ook in Cambridge doceert, staat haaks op die anti-Pruisische stelling.

Daarentegen druipt het boek van de Engelse germanist en romanschrijver James Hawes Duitsland in het kort ( 2017), van de afkeer ten overstaan van Pruisen. Dit boek werd in Doorbraak (25/11/2017) besproken door Pieter Jan Verstraete. Terzelfdertijd steekt Hawes zijn bewondering voor Duitsland, zijn geschiedenis en zijn cultuur nooit onder stoelen of banken. Voormalig bondskanselier Konrad Adenauer wordt er aangehaald met zijn stelling dat over de Elbe de steppe begint. Het historische Pruisen met Brandenburg als centrum lag voor het einde van de 16de eeuw bijna volledig ten oosten van de Elbe, met uitzondering van de kleine Altmark. Ook Hawes laat zich in die zin uit wanneer hij stelt dat het Duitse kernland samenvalt met het West-Duitsland van voor de hereniging: ‘Dit is het echte, historische Duitsland; het oeroude land tussen Rijnland, de Elbe en de Alpen, een land waar staatsverheerlijking, steilpuritanisme en fanatiek militarisme altijd vreemde eenden in de bijt zijn geweest. Dit Duitsland is nog bijna de enige hoop voor Europa.’ Een meer dan controversiële stelling en dit voor meer dan één reden. Wat blijft er van deze stelling over gegeven dat Pruisen de hoofdspeler was in de éénmaking van Duitsland. Dat is zoals ontkennen dat naast Griekenland en Rome ook het Christendom één van de pijlers is van de Europese cultuur, of Je nu gelovig, agnost of atheïst bent.

Pruisische eigenschappen

Alle grootmachten stoelden hun politiek op militaire macht. Vele waren continu in oorlog om hun territorium te verdedigen of uit te breiden. Zo het Frankrijk van Lodewijk XIV en Napoleon Bonaparte die een Europa nastreefden onder Franse dominantie, en het Habsburgse wereldrijk van Keizer Karel en zijn zoon Philips II. In Engeland was er de permanente zorg om de krijgsvloot: ‘Brittania rules the waves’. Pruisen verloor en won veldslagen, maar soms met de helft van de tegenpartij waar het gros van de soldaten vaak bestond uit minder betrouwbare en gedisciplineerde huurlingen. De geboorte van bijna alle staten baadde in krijgsgebeuren.

Wat Pruisen naast militaire prouesse kenmerkte was het efficiënte en corruptievrije staatsbestel, gevoed door loyauteit, eer, eerlijkheid, grondigheid en stiptheid. Kenmerken die hielpen om de sociale cohesie voort te brengen die nodig is voor een staat om goed te functioneren. Een toonbeeld van veel daarvan was Frederik II, de Grote, die regeerde van 1740 tot 1786. Zoon van een macho vader en een kunstzinnige moeder werd hij opgevoed door een Franse hugenoot. Hij dacht en schreef vooral in het Frans. Hij was een fan van de Verlichting. Hij zou slecht Duits gekend hebben welke hij een wat boertige taal vond. Ook met de Duitsers liep hij niet hoog op. Hij was een kundig veldheer en een groot diplomaat.

Voltaire was vaak zijn gast op zijn slot Sanssouci buiten Potsdam. Mirabeau en de encyclopedisten Diderot en d’Alembert prezen hem. Aan veel verlichtingsideeën werd in Pruisen gestalte gegeven lang vooraleer die ingang vonden in andere staten en dit zonder een bloedige revolutie. Zo beperkte Frederik II foltering van bij zijn aantreden om ze in 1756 volledig af te schaffen, vooraleer de grote hervormer van het strafrecht Cesare Beccaria zijn ‘Dei delitti e delle pene’ (Omtrent misdaden en straffen) van 1764 schreef. Zo nam Frederik II ook een aanvang met het terugdraaien van de lijfeigenschap tot ergernis van de Junkers of de landadel, liet vele scholen bouwen en beperkte de krantencensuur. Hij voerde een nieuwe dienst in voor de armen, verbood de mishandeling van kadetten in het leger en schafte de doodstraf af voor diefstal. Tot op zekere hoogte was Pruisen toen een rechtstaat. Zijn ambtenarenkorps was een Europees unicum van onkreukbaarheid.

Korte historiek

Pruisen is een curiosum, zowel historisch, geografisch als politiek.

Het heersende geslacht, de Hohenzollern, komt uit Hechingen in Zwaben in het zuidwesten van Duitsland. Via hun Frankische tak was een telg van hun geslacht ook burggraaf van Neurenberg (Nürnberg). Eén daarvan, Frederik VI, werd in 1415 door keizer Sigismund beleend met het markgraafschap Brandenburg rond het huidige Berlijn, het gebied dat de kern bleef van wat later Pruisen ging heten. Die Frederik werd daardoor ook keurvorst, één van de zeven die toen de keizer kozen van het Heilige Roomse Keizerrijk dat een 300 soevereine territoriale entiteiten omvatte.

Het hertogdom Pruisen was een leen van de koning van Polen en werd er door huwelijk uit losgeweekt in 1535 door de Hohenzollern. Pruisen lag ver ten noordoosten van Brandenburg en was omgeven door de Baltische Zee en het Pools-Litouwse Rijk. Via huwelijkspolitiek verkreeg Pruisen tegen het eind van de 16de eeuw ook zeggenschap over drie enclaves, Kleef, Mark en Ravensberg, alle ten westen van Brandenburg.

Tot Frederik II de Grote koning werd in 1740 omvatte Pruisen, zoals Bourgondië in de 14de en 15de eeuw, niet-aaneengesloten gebieden: ten westen tot Kleef tegen het huidige Nederlandse Gelderland en ten oosten over het noorden van het huidige Polen en over de huidige Russische enclave rond Kaliningrad (het vroegere Köningsberg) tot de stad Memel in het huidige Litouwen. Ook na het Congres van Wenen van 1815 was Pruisen nog geen aaneengesloten gebied.

Enkel sedert het ontstaan van het Duitse keizerrijk in 1871 werd Pruisen een contigu gebied, naast de andere deelstaten. De grootsten daarvan waren, vanaf het noorden en volgens de klok: Oldenburg, Mecklenburg- Schwerin, Saksen, Thüringen, Beieren, Württemberg, Baden, de Pfalz en Hessen. De resterende kleinere entiteiten waren de stadstaten Bremen en Hamburg, Mecklenburg-Strelitz, Anhalt, Braunschweig, Waldeck en Lippe.

De rol en betekenis van Pruisen in het Europese gebeuren steeg sterk na de opheffing in 1806 van het Heilige Roomse Rijk door Napoleon. Pruisen wordt dan de leidende staat die zorgt voor een verenigd Duitsland in 1866-1871.

De Pruisische staatsidee vertolkt door Hegel

Zijn geschiedenis en geografie verklaart in hoge mate dat Pruisen geen natie was, wat op zijn beurt kan verklaren dat de staatsidee er een hoge vlucht nam. Een ogenschijnlijke paradox. Dit thema werd toegelicht door Jean Pierre Rondas in zijn voortreffelijke bespreking van het boek van Clark Iron Kingdom in Doorbraak ( 31/12/2015).

De Pruisische cultuur en staat was in veel opzichten ‘verlichter’ dan die van de meeste tijdgenoten zoals Frankrijk en Spanje. De staat werd door de filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) beschreven als een organisme met denkvermogen en wil, en dit met een doel. De lotsbestemming van die staat bestaat er in – zoals het geval is voor alle levende dingen – te veranderen, te groeien en geleidelijk aan te ontwikkelen. De staat is een transcendent domein waar de verweesde, competitieve, particuliere belangen in de civiele maatschappij worden gebundeld tot cohesie en identiteit. In zijn Grundlinien einer Philosophie des Rechts (1821) bejubelt Hegel ‘…den preussischen Staat als die Versöhnung des Wirklichen und des Vernünftigen…’. En Immanuel Kant (1724-1804) loofde Frederik II als een verlicht heerser en prees zijn religieuze tolerantie.

Geschiedschrijving vanuit de huidige tijdsgeest

Pruisen polariseert. Zoals veel in de geschiedenis. Een ander voorbeeld. Bij de 200-jarige verjaardag van de keizerskroning van Napoleon op 2 december 2004 stond in Le Figaro te lezen dat de helft van de Fransen voor en de andere helft tegen Napoleon was. Hoe de vraag werd geformuleerd weten we niet, maar we vermoeden dat velen in Frankrijk en daarbuiten verrast waren dat zo vele Fransen eerder tegen Napoleon waren. Controversen en wisselende meningen in de geschiedenis zijn wellicht een blijvend gegeven. Maar, een tijd is een tijd. Men kan blijvend ‘hineininterpretieren’. Vergelijkingen tussen landen en situaties in eenzelfde tijdsbestek zijn minder controversieel dan de wisselende interpretaties van dezelfde periode over de tijd, interpretaties die vaak meer vertellen over de periode waarin ze geschreven zijn en over de geldingsdrang of de agenda van de auteur dan over wat voorafging. Zoals geïllustreerd door de officiële geschiedschrijving in menig land en regime.

Clark doorprikt de anti-Pruisische mode in zijn Iron Kingdom. Hij suggereert dat de wereld armer werd door het verlies van Pruisen.

III. Het Heilige Roomse Rijk

Ons derde voorbeeld van wijziging in duiding over de tijd betreft het Heilige Roomse Rijk (‘das Heiliges Römisches Reich’) en de doorgaans positieve interpretatie die Peter H. Wilson, professor te Oxford, eraan geeft in zijn The Holy Roman Empire: A Thousand Years of European History (2016). Voltaire schertste dat het noch heilig, noch Romeins en al evenmin een keizerrijk was. Ernstiger was de kritiek van James Madison, de vierde president van de Verenigde Staten, toen die de constitutie van 1787 hielp vorm geven. Hij beschreef dat Rijk als: ‘…a nerveless body; incapable of regulating its own members; insecure against external dangers; and agitated with unceasing fermentation in its own bowels.’ Zijn geschiedenis was eerder een catalogus ‘…of the licentiousness of the strong, and the oppression of the weak…and of general imbecility, confusion and misery.’

Een bij uitstek Europees verhaal

In zijn zeer erudiete werk deelt Wilson die meningen niet. Integendeel, hij geeft een positieve, tot soms een zeer positieve, draai aan zijn onderwerp, zonder daarom het negatieve te verdoezelen. Zoals zijn subtitel aangeeft gaat het hier om duizend jaar Europese geschiedenis die zich niet alleen afspeelde in Duitsland, maar ook in een deel of de totaliteit van nog tien andere hedendaagse landen: België, Denemarken, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Nederland, Polen, Tsjechië en Zwitserland.

De meeste Europese geschiedschrijving in de negentiende eeuw concentreerde zich op natiestaten. Er was geen plaats voor de onduidelijke constructie van dat rijk dat weinig gemeen had met de vorming en de geschiedenis van staten als Engeland, Frankrijk en Spanje. Dat rijk had geen vaste kern en haar macht was altijd versplinterd en pluralistisch. Het management van het dagelijkse leven was uitbesteed aan lokale macht. Karakteristieken die vaak als negatief werden afgeschilderd. Niet zo, zegt Wilson. Generaties van geschiedschrijvers hadden het verkeerd voor met dat Rijk. In praktisch elk hoofdstuk worden traditioneel gangbare interpretaties met de vinger gewezen of gekwalificeerd.

De essentie

In een artikel in de Financial Times (20/1/2016) resumeerde Wilson zijn boodschap over dat Heilige Roomse Rijk. Zijn belangrijkste evolutie was niet de progressieve fragmentatie van zijn oorspronkelijk gecentraliseerde macht onder de Karolinger Karel de Grote, maar de geleidelijk uitbreiding van de lokale macht die haar legitimiteit putte uit haar relatie met het Rijk in zijn totaliteit. Keizerlijke charters en wetten sanctioneerden de plaatselijke vrijheden en rechten.

Nieuwe evoluties als de opkomst van het protestantisme en later van het calvinisme werden uiteindelijk geassimileerd door het toekennen van gelijke rechten als die waarvan de rooms-katholieken genoten. En lang hiervoor hadden joden in dat Rijk reeds beschermende rechten gekregen die over het algemeen beter functioneerden dan die gegeven door monarchen in gecentraliseerde koninkrijken.

Lessen voor de Europese Unie

De boodschap van Wilson is dat het Heilige Roomse Rijk lessen inhoudt voor Europa. Inwoners identificeerden zich in het algemeen positief met dat Rijk omdat dat hun autonomie en manier van leven preserveerde. Een bottom-up gevoel. Ook zo ontstonden de Verenigde Staten van Amerika. In plaats van het top-down gevoel dat de meerderheid van de Europeanen nu koestert ten aanzien van de Europese Unie. Wilson besluit: ‘The Holy Roman Empire can help inspire a different European Union’.

Frank Boll

Frank Boll doceerde economie in de VSA, Engeland en België en was met zijn onderneming Ecofis financieel consultant voor ondernemingen, financiële instellingen en institutionele beleggers in Europa en het Midden-Oosten.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans