Een lawine van landen-downgradings

Moody's, een van de drie grote ratingagentschappen

Een kredietrating schat de kredietwaardigheid in van een bedrijf of een land. Een kredietrating wordt bepaald op grond van het financiële verleden van het beschouwde subject enerzijds, en zijn actuele bezittingen/activa en schulden/passiva anderzijds. Het geeft aan de instelling die een lening biedt, of aan de investeerder, de waarschijnlijkheid aan in welke mate het beschouwde subject in staat zal zijn een lening terug te betalen. Een zwakke kredietrating geeft aan dat er een hoog falingsrisico bestaat, hetgeen tot hogere interestvoeten kan leiden, of de weigering van een lening.

De bedrijfsrating is vooral het resultaat van een micro-economische analyse (in de eerste plaats de jaarrekening van een bedrijf), en beoordeelt vooral de commerciële risico’s. De rating voor de landen is het voorwerp van een macro-economische analyse (bv. betalingsbalans, begrotingsdeficit, overheidsschuld, …), inclusief de politieke risico’s. Daarbij geldt de regel dat de landenrating de bovenhand heeft op die van het bedrijf. Men noemt dit de ‘sovereign ceiling’. Een bedrijf kan in principe geen betere rating verkrijgen dan die van het land waarin het gevestigd is.

Publieke kredietverzekering: OESO

Diverse ratingagentschappen zoals de grote drie (Standard & Poor’s, Moody’s, Fitch) geven landenratings. Maar belangrijk voor de handel zijn toch die van de publieke kredietverzekeraars, ook ‘Export Credit Agencies’ (ECA’s) genoemd. Ze hebben als doel om de nationale export van de bedrijven die zich bevinden binnen het land van de ECA te ondersteunen, en dan vooral de export naar ontwikkelingslanden met een hoger politiek risico.

Deze steun gebeurt door de afgifte van een verzekeringsdekking met staatsgarantie op die landen. Om te vermijden dat de diverse nationale ECA’s elkaar (valse) concurrentie zouden aandoen door het afleveren van een positievere rating (en dus lagere verzekeringspremie) dan wat uit de werkelijke toestand van het land blijkt, bepaalt de OESO de landenrating die alle publieke kredietverzekeraars verplicht zijn te volgen. Aan elke rating is ook een minimale verzekeringspremie verbonden: hoe zwakker de rating, hoe hoger het risico, hoe hoger de premie.

Ook België lijdt

België heeft een van de meest open economieën in de wereld. Zijn export vertegenwoordigt 85 % van het BBP. De landenrating is dus erg belangrijk. Hierbij moet we wel opmerken dat 75 % van onze export naar de andere landen binnen de Europese Unie gaat, landen die we als kredietwaardig kunnen beschouwen.

Het probleem stelt zich echter met de landen in de Derde Wereld, waar het politiek risico, inclusief de gebrekkige beschikbaarheid van harde deviezen en daaraan gekoppeld de transferbeperkingen, groot is.

De Belgische rederij Exmar mocht dit recent nog ondervinden. Het energiebedrijf YPF (Yacimientos Petrolíferos Fiscales, voor 51 % in handen van de Argentijnse staat) liet weten dat het de huur van Exmar’s drijvende fabriek voor het vloeibaar maken of hervergassen van aardgas (LNG) niet meer kan betalen. De Argentijnen haalden de impact van de coronacrisis aan en riepen overmacht in om de huurvergoeding niet te moeten betalen.Voor Exmar, dat gespecialiseerd is in gasvervoer over zee en de uitbating van deze drijvende installaties, is dit een zware opdoffer. In het eerste kwartaal van dit jaar bleek dat het Argentijns huurcontract goed was voor een derde van de totale bedrijfskasstroom. De beurskoers daalde prompt met 40 %.

Eerste wanbetalers

De eerste landen die er niet in slaagden hun buitenlandse schuldeisers terug te betalen, en dus in gebreke bleven, waren Ecuador, Libanon en Argentinië. Voor Libanon was het de eerste keer in zijn bestaan, bij Argentinië gaat het in feite om een chronische ziekte. Dit land maakte zich de laatste twintig jaar regelmatig schuldig aan wanbetalingen. De drie landen zaten trouwens al voor het opduiken van het coronavirus in moeilijke papieren.

Omwille van de coronacrisis ging de Belgische publieke kredietverzekeraar Credendo – Export Credit Agency (de vroegere Nationale Delcrederedienst) over tot de herziening van alle landenratings, rekening houdend met de OESO-richtlijnen. Eind april volgden dan 34 ratingverlagingen voor het politieke risico, gevolgd door acht andere eind mei. Toen volgden ook voor het commercieel risico 53 ratingverlagingen,  zelfs voor Europese landen zoals België en Frankrijk. De reden was de sterk verslechterde externe liquiditeitstoestand van deze landen, evenals de verslechtering van het zakelijk klimaat. De kans dat zij in wanbetaling zouden gaan was dus toegenomen, alhoewel dit niet zo erg geldt voor de Europese landen.

Diverse redenen

Diverse landen zagen immers een daling van de ontvangsten op de lopende rekening, kapitaalvlucht van (buitenlandse) investeerders en ondervonden moeilijkheden om op de financiële markten nieuwe middelen te vinden. De daling van de ontvangsten op de lopende rekening is volgens Credendo  toe te schrijven aan vijf factoren:

  1. de daling in het toerisme door de diverse ‘lockdowns’ en het stopzetten van vliegtuigvluchten;
  2. door de economische recessie is de olieprijs met meer dan 50 % gedaald dit jaar, waardoor bij vele olieproducerende landen het overheidsdeficit nog sterk kan toenemen;
  3. andere grondstofprijzen daalden ook fors zoals koper, cacao, kobalt, zink, katoen, samen met een terugval van de exportvolumes van deze grondstoffen;
  4. ook de export van niet essentiële goederen en diensten ging sterk naar beneden;
  5. tot slot ging ook de overdracht van arbeidsinkomsten van migrantenarbeiders naar hun thuisland omlaag door de grenssluitingen en veel minder werkaanbod.

 

De geavanceerde economieën zijn in staat om genoeg fiscale en monetaire maatregelen te nemen om hun economie te ondersteunen, maar sommige opkomende economieën en de lageinkomenslanden beschikken niet over deze middelen.

Uitstel schuldaflossing

In deze context lanceerden de Wereldbank en het IMF, gevolgd door de G20, in april een initiatief om de schuldaflossing door de armste landen vanaf mei op te schorten. Het komt erop neer dat er een gratieperiode van een jaar komt in 2021, gedurende hetwelke niets moet afgelost worden. Maar de landen in kwestie krijgen geen vrijstelling, en moeten de schuld dus wel terugbetalen vanaf juni 2022. Dit geschiedt over een periode van drie jaar, binnen de context van een schuldherschikking of herfinanciering.

Men kan zich afvragen of dit voldoende zal zijn. In diverse ontwikkelingslanden is de besmettingsgraad nog aan het stijgen, en door het gebrek aan hospitalisatie en gezondheidszorgen zullen ze ook harder getroffen worden. Ook valt af te wachten in welke mate de wereldeconomie zich de volgende jaren zal herstellen.

Sommigen landen zullen hoogstwaarschijnlijk een beroep doen op het IMF, maar dat is zeker geen cadeau. In ruil voor zijn steun legt het IMF over het algemeen draconische besparingsmaatregelen op die het desbetreffende land aanvankelijk nog dieper in een recessie kunnen duwen.

Paul Becue :Paul Becue is lic. Rechten, TEW en Diplomatieke Wetenschappen. Hij heeft een lange ervaring in de financiële sector. Zijn boeken over kredietverzekering gelden als de referentie.