fbpx


Cultuur

Een toren van pizza’s

Dagboekaantekeningen (39)


Villa van de papyrusrollen

Zondag 17 januari Een andere herinnering welt in me op. Het is de zomer van 2009 en we zijn met ons gezinnetje in Venetië, waar we logeren in het bescheiden appartement van het soort vriend dat je te vriend wil houden, aangezien hij een appartement in Venetië bezit. Aan de binnenkant van de donkergroene voordeur met het schelpvormige motief, waarboven een boogvormig dubbel raam een onweerstaanbare associatie opriep met de achterruit van het vroegste model van de Volkswagen Kever –…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zondag 17 januari

Een andere herinnering welt in me op. Het is de zomer van 2009 en we zijn met ons gezinnetje in Venetië, waar we logeren in het bescheiden appartement van het soort vriend dat je te vriend wil houden, aangezien hij een appartement in Venetië bezit. Aan de binnenkant van de donkergroene voordeur met het schelpvormige motief, waarboven een boogvormig dubbel raam een onweerstaanbare associatie opriep met de achterruit van het vroegste model van de Volkswagen Kever – ‘de automobiel waarin het nazisme zijn gepeupel verplaatste,’ zoals mijn vader het ooit uitdrukte, maar mijn vader ontwaakte uit kwade dromen met zijn rechtervuist naar het oosten gebald – was een hoge plank bevestigd, onderaan van een strook rubber voorzien, om het water uit de lagune tegen te houden. De gang was droog, maar het beddengoed klam, en Anna en Christopher, beiden net elf geworden, gebruikten een bezem en een wisserstok om een Venetiaanse tent te bouwen, tot die bij de door henzelf doelbewust veroorzaakte aardbeving – ‘Het is eigenlijk een zeebeving,’ zei Christopher – in een schemerige lawine van beddengoed veranderde, waar de beide demiurgen van deze nieuwe wereld schaterend in verstrikt raakten, tot er ruzie ontstond en papa huid en haar van de contrasterend gekleurde tweeling uit elkaar moest trekken. Tien minuten later waren ze vreedzaam verdiept in hun boek.

Zondagavond

We waren naar Venetië gereisd omdat ze nog net de leeftijd hadden waarop de zintuiglijke sensatie van vormen en kleuren haar optische tovenarij ten volle kon benutten om ons bezoek onvergetelijk te maken; in hun prepubertaire brein vervaardigde de turbulente liefdesverhouding tussen terra firma en H₂O afdrukken (meer dan indrukken) van zonnesplinters, azuren fonkelingen, gevels in alle varianten pastel als van Italiaans ijs dat het smeltpunt nadert: de verrukking van waarachtige schoonheid, enkel door contemporaine menselijke lelijkheid aangetast… Dit alles was natuurlijk optisch, maar een pedagogische ingeving van Joy voegde daar een auditieve dimensie aan toe. ‘Laten we naar de opera gaan,’ zei ze.

De opera werd iets dat iedere de muziek verknoeiende vertoning met slecht acterende diva’s en heldentenors in idiote kostuums, opgevoerd in een of ander heiligdom in style pompier, verre overtrof en de herinneringen eraan min of meer uitwiste. La Traviata werd de volgende avond opgevoerd in een Palazzo aan het Canal Grande, waar niet meer dan zestig mensen binnen mochten – we kochten de vier laatste kaartjes.

‘Deze opera is ook in Venetië in première gegaan,’ doceerde ik, maar Christopher en Anna, die het fenomeen opera aanvankelijk onverschillig hadden bejegend, hitsten elkaar in de volgende vierentwintig uur op tot rebellie. De gedachte een opera te moeten bijwonen, o horreur!
‘Papa, kinderen gaan niet naar de opera,’ zei Anna, die al bezig was door de vortex van de popmuziek uit onze beschavingstraditie weggetrokken te worden.
Nu dat nog was toegestaan, gebruikten we westerse dwang in naam van de kindverheffing; we zeiden dat ze hun boek mochten meebrengen, stapten aan boord van de vaporetto en voeren naar Verdi’s tragedie.

We kregen stoelen op de voorste rij toegewezen. Het spektakel begon, een gereduceerde, aan de ruimte aangepaste versie, met acht muzikanten en vier zangstemmen. Hebt u ooit een Italiaanse sopraan een aria horen uitvoeren op een afstand van drie stappen? Violetta was als een schokkende fysieke aanwezigheid in onszelf: ze gebruikte als het ware ons lichaam om te zingen, zozeer trok trilling na trilling door ons lijf en onze leden. Christopher had zijn boek geopend zodra we waren gaan zitten, maar luisterde met wijd opengesperde ogen naar het mysterie van de klank dat zich voor hem ontvouwde; Anna luisterde met open mond, alsof de overwinning van de kunst op de vulgariteit na een korte veldslag ook in haar was beslist; ik glimlachte naar Joy, vervuld van de gedachte dat je kinderen maar het beste met wreedaardige verhalen kon opvoeden, waartoe ook de geschiedenis behoorde van een courtisane die aan de tering (en niet aan haar zedeloosheid) ten onder ging.

Voor ieder bedrijf werd een aparte zaal als decor gebruikt – en ten slotte zagen wij Violetta in een hemelbed bezwijken, terwijl ze nog een finale aria uit haar opgevreten longen perste, een medisch wonder waar wij met vochtig oog onder een plafond met cherubijnen getuige van waren. (Mijn sarcastische toon verhult dat de muziek mij altijd weer verzoent met de kitsch van een dergelijk libretto.)
De zaal ontplofte van geestdrift en toen het applaus eindelijk was verstorven, haastten mijn kinderen zich naar de zangers; Christopher ging op één knie voor Violetta en deed alsof hij haar een roos overhandigde; Anna gaf de knapste tenor, die Alfredo’s rol had gezongen, een kus op beide wangen. Deze huldeblijken werden met enige verlegen verwarring in ontvangst genomen, want geen van deze Italianen kende een woord Engels, maar ze signeerden met plezier het programma voor ‘Anna e Cristoforo con baci’ – de krabbels zijn bewaard gebleven, meeverhuisd naar Sussex, een getuigschrift van onze autoritaire liefde.

Maandag

De toevallige blik in andermans hoofd is des te meeslepender als een of andere fantastische hersenkronkel wordt blootgelegd.

Quizvraag op de BBC: in welke Italiaanse stad staat een middeleeuwse toren uit het lood? De deelnemers, een man en een vrouw van een jaar of dertig, kijken elkaar aan en de man zegt: ‘Dat is Pisa. De toren van Pisa.’
De vrouw antwoordt: ‘Pizza? Bestaat die toren dan echt?’
De man: ‘Pisa. Niet pizza.’
Gelach in het publiek.
De vrouw: ‘Oh? Ik dacht altijd dat een toren van pizza… dat ze een stapel pizza’s bedoelden…’
Het gelach zwelt aan tot hysterie.

De man bekijkt de vrouw met een blik van ontzetting: hij wist dat ze niet slim was, overwoog haar aantrekkelijke vormgeving en haalde zijn schouders op, maar nu wordt hij gekweld door de vraag of hij zich wel met haar moet voortplanten…
Het is of ik in een laboratorium een schijfje van deze hersens onder een microscoop mag leggen. Een mens, een medemens. Maar de afstand tussen haar en mij is tien keer zo groot als die tussen haar en de kalm grazende koe.

Dinsdag

Patrick Lateur heeft een boekje met de epigrammen van Filodemos van Gadara vertaald, onder de titel Eros bij de Vesuvius. Filodemos (ca. 110–ca. 30 v.Chr.) was een Griekse (of gehelleniseerde) epicurist, die in Herculaneum belandde, de stad die een eeuw later door de Vesuvius zou worden bedolven. Er zijn vierendertig merendeels erotische epigrammen van hem overgeleverd, nummer 14 gaat over een meisje uit de provincie:
        O, die voet, dat been, die dijen,
        – ik besterf het, met reden! –
        o, die billen, die kut, die heupen,
        en ach, die schouders, die borsten…
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar laat ik er dit op zeggen: bij lezing daalde een gêne zo licht als motregen op mij neer en ik ontvouwde reflexmatig mijn paraplu van zwarte burgerlijke preutsheid. Daarna dacht ik: zon van de Mediterrane wereld, ontferm u over mij, koude noorderling! Maak dat ik me durf over te geven aan mijn lagere zelf, mijn rudimentaire, eerlijke, onrijpe ik…

Intussen prijs ik met genoegen het uitmuntende nawoord van de vertaler. Ik heb eruit geleerd dat bij de opgraving van de onder de as bedolven ‘Villa van de Papyri’, twee eeuwen voor mijn geboorte, een bibliotheek van 1800 verkoolde papyrusrollen is aangetroffen, die onder meer traktaten van Filodemos over ethiek, theologie, retorica, muziek, poëzie en filosofie bevatten. Dankzij zeer specifieke apparatuur wordt de tekst uit zijn doodsbed van verkoold papyrus weer tot leven gewekt, een mythisch gebeuren, dat alle schrijvers hoop biedt op herrijzenis van hun oeuvre, eeuwen na hun dood.

‘s Avonds

In Massachusetts is Homerus uit de bibliotheek van een middelbare school verwijderd. Dat blinde marmer wordt een ‘mannelijke blik’ en ‘westers imperialisme’ verweten.
Op een Niritos van stompzinnigheid aanbeland, kan de westerse wereld enkel nog deze klacht uiten: ‘Penelope, weef toch mijn lijkwade!’

Woensdag

Met die foto van de twee Parijse jongedames ten tijde van de Spaanse griep zit het anders. Behalve dat het inderdaad jongedames zijn, klopte mijn omschrijving op geen enkel punt.
De foto is genomen in Berlijn, niet na maar voor de wereldoorlog, in 1913. Er woedde wel een andere oorlog, in de Balkan, en het Ottomaanse Rijk was dikwijls in het nieuws – en min of meer fataal keerden de halzen van decadente westerse vrouwen zich naar het geromantiseerde oosten, waar het voorstellingsvermogen, versuft door stoombaden en waterpijpen, even papperig en roze werd als de blanke lichamen. Opnieuw raakte de turquerie in de mode, een zinsbegoocheling die Europa voor het eerst in de achttiende eeuw bereikte, alsof een dwaze gril, een exotische caprice, de Verlichting moest helpen nuanceren.

Zo werden Turkse tapijten populair, stoombaden, extreme koffie, monotone fluitmuziek. Ook de Jugendstil ontleende motieven aan het nabije oosten: de niets dan zichzelf afbeeldende arabesk vormde, geheel onbedoeld, een accurate weergave van het westerse denken over een cultuur waarvan het niets begreep.
En zo ook raakte de yashmak in de mode, de Turkse sluier, waarbovenuit vrouwen broeierige blikken konden werpen naar mannelijke passanten in de verre toekomst.

Donderdag 21 januari

Vader, vergeef mij, ik heb in de voorbije drie weken een kleine roman geschreven, en dat terwijl ik de roman zo vaak een genre voor ontluikende kostschoolmeisjes heb genoemd… Maar ik liep al jaren rond met een idee voor een vertelling, die ik uiteindelijk maar heb opgeschreven, in mijn persoonlijke anachronistische dialect. Er hangen nu honderdvijftig velletjes te drogen aan de waslijn die ik tussen mijn ijdelheid en mijn twijfel heb gespannen.

Vrijdag

In een droom sprak ik met de zevenjarige Christopher: ik weet niet meer wat hij zei, maar de ‘sfeer’ is me bijgebleven, een waterdamp rond de beide personages, het blonde kind, de uit zijn tijd gestapte zestiger. Misschien spraken we over de zeemeeuw die de boodschapper van Merlijn was en hem toekrijste dat hij als de uitverkoren schildknaap koning Arthur moest bijstaan, die weldra zou ontwaken om Engeland te redden.

Over die mythe, door ons samen bij elkaar verteld toen we in Rye woonden, hij zeven, ik vijftig, hadden we het onlangs aan de telefoon, weet je dat nog, mijn jongetje. Hij wist het nog; dat niet alleen, ook opende hij zijn perspectief van toen: Mnemosyne opende de deur van zijn geheugen en ik zag het smaragdgroene eiland, waar een ronde stenen tafel stond, met ridders uit de sage en Arthur zelf, die een compositie was van een edelman, Jezus en mijzelf, een patriarchaal, verheerlijkt zelf, geschapen door de blik van de door hem verwekte zoon – maar ik leefde langzaam en de tijd raasde voorbij, het landschap verdorde, de ridders zakten ineen, de drie-eenheid viel uit elkaar: ‘Ik begon steeds meer te twijfelen of het wel waar was, of Merlijn echt bestond en een meeuw kon sturen, maar ik durfde het niet tegen je te zeggen, ik wou je niet teleurstellen. Ik deed nog een hele poos alsof ik het geloofde,’ zei mijn jongetje van nu.

En het werd onwaar. En de edelman werd eerste minister, en Jezus een rabbi en papa een ouwe lul. En de kleine atheïst werd door de Verlichting als zoon geadopteerd.
Dit soort weemoed spin ik uit mijn eigen wolligheid – maar hij spreekt me tegen, daarginds in Washington DC, hij zegt: ‘Maar later begreep ik wat een mythe betekende. Ik kreeg wel degelijk een opdracht, alleen was jij zelf Merlijn.’

In bed

Boris moet Engeland zien te redden. Wanneer de mythe is ontmanteld, blijft de politiek eenzaam achter. In Duitsland is dat een grote verbetering – het Verenigd Koninkrijk doet een beroep op de verkeerde mythe.

Maandag

De geschiedenis van de mensheid herhaalt zich in het individuele leven; het kind dat niet langer in de bejaarde ruiter op het dak gelooft, acht jaar oud, slaat een of andere manifestatie van Diderots Encyclopédie open, verzamelt en catalogiseert stenen of stripverhalen; hij wordt dan, enkele jaren later, door het onvermijdelijke endocriene tumult de romantiek in geleid, bereikt dan het slagveld van de twintigste eeuw in de opschudding van de adolescentie.
De rest van je leven rijp je tot kind en zoek je een balans tussen al die fasen, tot je op een dag beseft dat je de middeleeuwen in het postmodernisme hebt weten te integreren.

Dinsdag

Over mijn schrijvende tijdgenoten. Stijl is alles: het is de mens, je kunt er niet in liegen. Juist aan stijl ontbreekt het zo betreurenswaardig veel schrijvende tijdgenoten.

In dat verband een merkwaardige kwestie.
Volgens Joods Actueel schrijft Stefan Hertmans in zijn laatste boek dit: ‘Herinnering is de donkere plek op de duistere muur van het vergeten.’ Die zin zou ‘magistraal’ zijn, maar Rachel Spatz is niet zo vertrouwd met het fenomeen stijlbloempje en bedoelt dat ze de gedachte prachtig vindt. Enfin, zo ongeveer reageerde mijn polemische aard: als een bruistablet op water.

Maar kijk, wat ontdek ik toevallig? In een vraaggesprek uit 2016 noemt de auteur Walter Benjamin als bron: ‘De herinnering is de donkerste plek op de duistere muur van het vergeten, wist Walter Benjamin al.’ De donkerste plek – in twee letters voltrekt zich het wonder van de taal: de fluistering van de s en de t schept plotseling een droeve talmoedische dubbelzinnigheid.
Het boek bezit ik niet, maar ik neem hoopvol aan dat Rachel Spatz verkeerd heeft geciteerd en dat de auteur niet uit slordigheid van de talmoedist een mompelende gek in het park heeft gemaakt.

Wat een opluchting, trouwens, als de tierelierende critici Walter Benjamin zouden lezen in plaats van andere critici!

Woensdag

Ik hoop dat ik geen knoeiboel in mijn ro… maar nee, niet aan denken nu, laten drogen.

En dus zit ik aan tafel met Nabokov, Montaigne, Nietzsche, Orwell en Rimbaud, die door elkaar heen het hoogste woord voeren. Ik luister en erger me aan Vladimir, die mij kwelt met zijn Speak, Memory (zoveel beter dan Lolita), minder de herinneringen, die rijk genoeg zijn, dan de achteloze superioriteit van zijn stijl, een in ontelbare plooien uit zijn tijdsbestek vallend, uiterst geraffineerd gewaad, zoals het tsaristische uniform van zijn vader – door de revolutie achterhaald, overdreven van tressen voorzien, een zee van zilver en goud – dat hij beschrijft. Hij pronkt met zijn stijl, die stijl zit hem als gegoten, Rachel!

Middernacht (tobbend bij een glas whiskey)

Proeflezers… heeft mijn roman proeflezers nodig? De eerste en ergste ben ik zelf. Ik overweeg ook de mogelijkheid het gerucht van die roman (gesteld dat hij iets betekent) overal te verspreiden, maar hem niet uit te geven. Zou dat niet interessant zijn? Intimi mogen hem dan lezen en worden geacht de lof ervan te zingen… maar het boek verschijnt maar niet… wat is dat toch? In mijn testament bepaal ik dan dat hij postuum mag worden gepubliceerd (Kafka binnenstebuiten). Wat een koketterie!

Vrijdag

Iemand verwijt mij koketterie en warhoofdigheid. Dat klopt half.
Mijn denken is helder en samenhangend en juist daarom betrap ik mezelf voortdurend op paradoxen, wonderspreuken, tegenstrijdigheden.
Maar wat waren wij zonder koketterie, vraag ik u. Hoe vrouwelijk is de vrouw die nooit behaagziek over haar schouder kijkt (ik heb het nu over de tijd voor de versplintering tot genderidentiteiten), hoe mannelijk de man die nooit praalt met zijn potentie?
Mijn tegenstander is een hedendaagse puritein, die dat spel niet kan volgen, aangezien hij de noodzakelijke humor mist, zoals de eunuch zijn ballen.

Zondag 31 januari

Joy is teruggeroepen naar Brussel, waar zij als Chaplin bouten moet aandraaien tot de lopende band haar verzwelgt. De Europese Unie staat werknemers namelijk niet toe buiten haar grenzen te werken, ook al zou Joy op haar appartement in Brussel achter haar computer precies hetzelfde zitten te doen als hier, want haar kantoor blijft voorlopig gesloten.
Maar ze staat op goede voet met haar baas. Misschien kan ze deze bleke bureaucraat ervan overtuigen dat de trap die naar beneden leidt ook naar boven leidt, zoals in een tekening van Escher – want de hele Europese werkelijkheid is haar eigen voorstelling van zaken.
Ik brand verwoed kaarsen.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.