JavaScript is required for this website to work.

Een voetnoot, een eindnoot of een hoofdmoot bij het hoofddoekendebat?

ColumnJos Leys5/12/2022Leestijd 3 minuten

foto © Unsplash

Het wonderwoord ‘islamofobie’ lijkt veeleer van toepassing op zij die niet durven lezen wat er in de Koran en de Haddith te lezen staat.

Na nog maar eens een aangestoken rondje-hoofddoek-voor-de-klas-discussiëren-brandje, kwam de senior writer iedereen die bedenkingen heeft bij een lerares met een hoofddoek, bebrulapen met ‘islamofobie’. Met die kloeke kanselretoriek meende hij dan de discussie voorgoed beslecht te hebben, in het voordeel van de mohammedaanse hoofddoek zelf. Maar dat was zonder Doorbraak, en Philippe Clerick in het bijzonder, gerekend.

Wat in heel die aangestoken voorafgaande discussie niet aan bod kwam, en ook in de vorige rondes onvermeld bleef, is het waarom of de betekenis van de mohammedaanse hoofddoek.
Iedereen erkent dat de hoofddoek een religieus symbool is. Vele mohammedanen vandaag beweren dat het gebod om een hoofddoek te dragen, van Allah komt.

Laat ons dan eens in de Koran gaan kijken waarom Allah de hoofddoekdracht oplegt aan mohammedaanse vrouwen. In Soera 33:59 zegt Allah: ‘O Profeet, zeg aan uw echtgenotes en dochters en de vrouwen van de gelovigen dat ze zich bedekken met hun bovenkleren.  Dat is beter, zodat zij worden herkend en niet lastig gevallen.  Allah is altijdvergevend en genadevol.’

Wat precies de materiële inhoud is van de vestimentaire instructie die Allah via Mohammed overbrengt, is niet zo heel duidelijk. Je zou er zowel de boerka als de hijab mee kunnen verantwoorden.

Maar wat wel onverkort duidelijk is, is dat Allah het kledijvoorschrift oplegt zodat vrouwen van mohammedanen als zodanig zouden worden herkend en bijgevolg niet zouden worden lastiggevallen door mohammedaanse mannen. Allah wil dus dat er een visueel onderscheid wordt gemaakt, dat een duidelijk zichtbare discriminatie wordt aangebracht, ter bescherming van de mohammedaanse vrouwen. Daarom is er die hoofddoekenverplichting gekomen.

Dat het motief van Allah inderdaad de bescherming van mohammedaanse vrouwen tegen seksuele agressie van mohammedanen is, blijkt ook uit Soera 24:60, waar Allah zegt: ‘Voor vrouwen die de leeftijd van zwangerschap voorbij zijn, en die geen hoop meer hebben op een huwelijk, is het geen zonde dat zij hun bovenkleding afleggen op voorwaarde dat zij hun sieraden niet tonen. Maar daarvan afzien is beter voor hen. En Allah is alhorend en alwetend.’

Aangezien vrouwen van gevorderde leeftijd geen doelwit vormen voor seksuele agressie van mohammedanen, is het niet meer nodig, maar wel beter, dat zij zich nog houden aan het onderscheid makende vestimentaire voorschrift.

Het dragen van een hoofddoek is dus niet alleen een taaldaad die aangeeft dat men een volgeling van Mohammed is en (dus) de westerse levenswijze afkeurt, aldus de befaamde Vilvoordse apologeet El Hammouchi.  Het is niet louter een identiteitsmarkeerder voor een ideeënstelsel, zoals een houten kruisje of een roestvrij stalen vergiet. De hoofddoek heeft ook een aanwijsbare functie. Het verplicht dragen ervan roept de gedachte aan die functie, ook in het klaslokaal. Dat is niet zo bevorderlijk voor het opnemen van leerstof.

Ook de vestimentaire boodschap dat de lerares de levensstijl van de niet-mohammedaanse leerlingen afkeurt, lijkt mij daarvoor niet zo bevorderlijk.
Daarom dus beter niet tijdens de les wiskunde en al die andere vakken die wij goed, en veel, veel beter dan vandaag, moeten beheersen om onze materiële welvaart in stand te houden.

Omwille van dit standpunt zal ik ongetwijfeld het predicaat ‘islamofoob’ oplopen.

Als filosoof kan ik mij onmogelijk inbeelden dat iemand bang kan zijn van een idee of een ideeëngeheel, hoe inconsistent, abstract, eng, afstotelijk, incoherent of krakkemikkig dat ook mag zijn. Je kan natuurlijk wel bang zijn voor gedrag van mensen, waaronder de volgers van Mohammed, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de redactie van Charlie Hebdo. Maar dan lijkt het wonderwoord waarmee de senior writer bankliksemt, veeleer van toepassing op zij die bang zijn om iets te doen of te zeggen dat bij mohammedanen in het verkeerde keelgat kan schieten. Zij die niet durven lezen of herhalen wat er in de Koran en de Haddith te lezen staat, omdat zij bang zijn voor de gevolgen. Zij die, in deze, mee- en toegeven op de aanvallen op de neutrale overheid, omdat zij bang zijn gezien te worden in het kamp van de mensen die niet bang zijn.

Het kinderachtige brulapen van Joël De Ceulaer verdient ook een heel luid ‘Wat je zegt, ben je zelf’.

Noot: ik dank de Koran-heuristiek aan het werk van Frans Groenendijk, auteur van ‘Islamofobie. Een nuchter antwoord’ (2010). Het is duidelijk dat de senior writer weliswaar banbliksemt met die term, maar er een compleet andere betekenis aan geeft dan de Moslimbroederschap dat zelf doet, of de intellectuele tegenstanders daarvan doen.

De auteur is filosoof.

Commentaren en reacties