Advertentie
Cultuur
Paralipomena
Paralipomena

Waarom heeft een klassieke tekst als deze nooit een uitgever gevonden?

Hét voorbeeld van morbidezza

Niet alle pagina’s van de 900 die Retz (1613-1679) naliet in zijn postuum (1717) uitgegeven Mémoires zijn even grappig als de onderstaande, maar zelfs dan: een bloemlezing met de prachtigste bladzijden, honderd of honderdvijftig, dat moet een beetje uitgever toch aandurven? Niemand die kan lezen verveelt zich bij een verhaal als hieronder, van een auteur die een superieure stijl hanteert, even mooi als die van zijn aartsvijand La Rochefoucauld:

vertaald uit de beste moderne uitgave: Cardinal de Retz, Mémoires,
Édition présentée et annotée par Michel Pernot, (2003). Texte établi par Marie-Thérèse Hipp (1984), 2011, Gallimard, Folio classique, pp. 57-60.

Staat u mij alstublieft toe dat ik enkele gedachten wijd aan de aard van de menselijke geest. Ik geloof niet dat er op aarde een beter hart heeft bestaan dan dat van mijn vader, en ik mag wel zeggen dat zijn inborst die van de deugd zelve was. Nochtans hebben noch mijn duels, noch mijn galante avonturen hem belet om alles in het werk te stellen om mijn ziel, misschien de minst kerkelijk gezinde op de hele aardbol, voor de Kerk in te nemen. Dat was een gevolg van zijn voorliefde voor zijn oudste zoon, en van het uitzicht op het aartsbisdom Parijs dat nu al onder zijn huis viel.* Hijzelf zag dat niet zo, en voelde het niet zo aan. Ik zou zelfs zweren dat hij uit het diepste van zijn hart zou gezworen hebben dat hij hiervoor geen enkele andere beweegreden had dan wat hem werd ingefluisterd door de vrees voor de gevaren die de andere carrière** voor mijn zielenheil inhield: zozeer is het waar dat niets sterker aan illusies onderhevig is dan de vroomheid. Allerlei dwalingen glippen onder haar sluier en verschuilen zich daar; allerlei hersenschimmen bekrachtigt ze, en zelfs de beste intenties volstaan niet om aan die bezwaren te ontsnappen.
Kortom, na alles wat ik u daarnet vertelde: ik bleef geestelijke. Maar zonder een incident waarvan ik u nu verslag zal doen, zou dat heel zeker niet voor lang zijn geweest.

De oudste van ons huis, hertog de Retz, verbrak in die dagen op bevel van de Koning het huwelijkscontract dat enkele jaren daarvoor was verleend aan hertog Mercœur, aangaande zijn dochter. De dag daarop al zocht hij mijn vader op en bezorgde hem een aangename verrassing toen hij zei dat hij besloten had haar aan zijn neef te vergeven, om zo het huis verenigd te houden.
Omdat ik nu wist dat zij een zus had die over een jaarrente van meer dan tachtigduizend pond beschikte, dacht ik op dat moment meteen aan de dubbele alliantie. Niet dat ik hoopte dat men daarbij aan mij zou denken, het terrein kennende zoals ik het kende, en ik nam het besluit om mezelf dan maar te helpen.
En omdat ik het lichte vermoeden had dat mijn vader niet van plan was mij mee te nemen naar het huwelijksfeest, misschien met het oog op wat daarvan kon komen, deed ik alsof ik mijn roeping met een milder oog bekeek. Ik veinsde getroffen te zijn door alles wat men mij in dit verband zo vaak had voorgespiegeld, en ik vertolkte mijn personage zo goed dat men geloofde dat ik helemaal omgeslagen was. Mijn vader besloot mij mee te nemen naar Bretagne, en deed dat des te gemakkelijker omdat ik niet de minste wens daartoe te kennen had gegeven.

We ontmoetten Mlle de Retz in Beaupréau, in Anjou. De oudste bekeek ik alsof het mijn zuster was; ik nam in de eerste plaats Mlle de Scépeaux (zo noemde men de jongste) in overweging als maîtresse. Ik vond haar zeer mooi, met de meest schitterende teint ter wereld, lelies en rozen in overvloed*** en aanbiddelijke ogen; een zeer mooie mond, iets te weinig taille, wat niet zo opviel en bovendien flink afgedekt was door het uitzicht op tachtig duizend pond aan renten, het vooruitzicht op het hertogdom Beaupréau, en door duizend droombeelden die ik me op deze basis voorstelde, en die wel reëel waren.
Ik wist mijn bedoelingen in het begin zeer goed te verbergen; ik had de gehele reis de devote ziel gespeeld en ging daarmee door tijdens het verblijf. Nochtans smachtte ik in het bijzijn van de schone; zij merkte dat; ik sprak dan, ze luisterde naar me, maar nam een wat strenge houding aan. Omdat ik gemerkt had dat zij extreem gesteld was op een oude kamerjuffer, zuster van een van de monniken van Buzay,**** liet ik niets onverlet om deze voor mij in te nemen, en ik slaagde daarin door middel van honderd pistolen, en door immense beloftes die ik haar deed. Ze wist haar meesteres in te prenten dat men aan niets anders dacht dan haar tot non te maken, en van mijn kant vertelde ik haar dat men aan niets anders dacht dan mij monnik te maken.
Zij haatte haar zuster vreselijk omdat haar vader die veel liever zag, en ik moest van mijn broer niet veel hebben om dezelfde reden. Die gelijkloop van onze lotsbestemmingen droeg veel bij tot onze band. Ik vergewiste me ervan dat hij wederzijds was, en besloot haar mee te nemen naar Holland. Niets was waarachtig gemakkelijker, want Machecoul, waar we vanuit Beaupréau naartoe waren gegaan, ligt amper een halve mijl*°° van de kust; maar voor die expeditie was geld nodig; en aangezien mijn reserves uitgeput waren door die gift van honderd pistolen, bezat ik geen duit meer.
Ik wist er toch voldoende te vinden, door mijn vader te verzekeren dat, aangezien het rentmeesterambt van mijn abdijen geacht werd met de grootste gestrengheid en naar de wet controle uit te oefenen, ik mij in geweten verplicht voelde de administratie ervan zelf op mij te nemen. Dat voorstel viel niet in goede aarde; maar men kon het ook niet afwijzen, omdat het zowel in de lijn der dingen lag, als omdat het hen op de een of andere manier liet denken dat ik tenminste mijn opbrengsten wilde veiligstellen, aangezien ik er de zorg voor wilde overnemen.
De dag daarop vertrok ik naar Buzay, dat maar vijf mijl van Machecoul ligt, om het pachtgeld op te halen.
Ik onderhandelde met een koopman in Nantes, Jucatières heette hij, die profiteerde van mijn overhaasting, en voor de vierduizend daalders contant die hij me gaf een zaak heeft gedaan die hem een fortuin heeft opgebracht. Ik dacht dat ik vier miljoen bezat. Ik stond op het punt mij van een van die Hollandse fluiten*°°° te verzekeren die in Retz altijd aan de kade liggen, toen er een ongeluk gebeurde dat al mijn maatregelen tenietdeed.

Mlle de Retz (want die naam had ze na het huwelijk van haar zuster aangenomen) had de mooiste ogen van de wereld; maar nooit waren ze mooier dan op de momenten dat ze wegstierven, en nooit heb ik er gezien aan welke het smachtende verlangen zoveel gratie verleende. Op een dag dat we bij een dame van de streek logeerden, op een mijl van Machecoul, en toen ze zich daar in de spiegel achter het bed**° stond te bekijken, liet ze alles zien wat de morbidezza**°° van de Italianen aan zachtheid, levendigheid en vertedering te bieden heeft. Maar het ongeluk wilde dat ze niet gemerkt had dat Palluau, die nadien maarschalk de Clérembault is geworden, die spiegel kon zien. Hij liet dat weten en aangezien hij zeer gehecht was aan Mme de Retz, met wie hij toen zij nog niet getrouwd was veel omgang had gehad, liet hij niet na aan haar getrouw verslag hiervan te doen, en mij verzekerde hij later zelfs dat wat hij gezien had geen origineel kon zijn. Mme de Retz, die haar zuster een dodelijke haat toedroeg, verwittigde nog dezelfde avond mijnheer haar vader van de zaak, en die liet niet na mijn vader hiervan op de hoogte te stellen.
De dag daarop was er post uit Parijs; men deed alsof men heel dringende brieven had gekregen, en we zegden de dames luchthartig en publiek adieu. Mijn vader nam mij mee naar Nantes om er te overnachten. Ik was, dat zult u begrijpen, zowel fel verrast als diep gekwetst. Ik wist niet waaraan ik de haast bij dat vertrek moest toeschrijven; mezelf kon ik geen enkele onvoorzichtigheid verwijten; ik had niet het minste vermoeden dat Palluau ook maar iets had kunnen zien. Ik begreep het wat beter in Orléans, waar mijn vader, beducht als hij was dat ik zou ontsnappen, wat ik voorbij Tours vergeefs ook enkele malen had geprobeerd, zich meester maakte van mijn koffertje waar mijn geld in zat. Door die manier van doen wist ik dat men mij doorzien had, en ik arriveerde in Parijs vervuld van een smart die u zich kunt voorstellen.

____________

* Pierre de Gondi was toen kardinaal van Parijs, maar zijn gezondheid was slecht, zodat er aan opvolging moest worden gedacht. ‘…men dacht elke maand wel dat men met zekerheid mocht rekenen op de dood van mijn oom, die inderdaad heel zwak was.
** Retz wilde een militaire carrière.
*** Teint de lis et de roses: vaste poëtische omschrijving voor een perfect blanke huid met kersroze tinten.
**** Benedictijnerabdij in het hertogdom Retz. Om de kerkelijke carrière wat aantrekkelijker voor hem te maken, had men onze auteur de opbrengst van twee abdijen toegezegd. Een ervan was Busay.
 De hoofdstad van het hertogdom.
*°° Franse mijl (4,445 km).
*°°° Vrachtschepen, driemasters met een rondachtige romp (vandaar de naam), die door hun grootte goedkoop maritiem transport mogelijk maakten. De baai van Bourgneuf-en-Retz was het centrum van de zoutexport naar het noorden.
**° Achter een bed was er toen een ‘ruelle’, een ruimte die met een gordijn kon worden afgesloten.
**°° Het Franse woord ‘morbidesse’ bestond al, maar de cultuurtaal was toen Italiaans. Nog in de negentiende eeuw was deze term een topos. Bijvoorbeeld Heine gebruikt hem nog: ‘…matter Perlenglanz, vornehme Blässe, Morbidezza.’, matte parelglans, voorname bleekheid. Misschien werd de Italiaanse term voor het eerst gebruikt om de gratiën van Botticelli te beschrijven.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans