fbpx


Cultuur, Europa

Et in Arcadia ego

Dagboekaantekeningen (46)


brideshead

Zaterdag 24 april Zoals gezegd ben ik ooit in Boekarest geweest. Het was zomer en de stad gedroeg zich als een behaagzieke vrouw in een overspelige relatie: je wandelde over een elegante boulevard, die zogenaamd in Parijs lag, maar dan sloeg je een hoek om en botste op braakland waar vuurtjes brandden, communistisch modernisme waartegen de honden urineerden, zonovergoten grootstedelijkheid waar parfum en prosecco waren veranderd in pommes frites en angst en een laag octaangehalte, alsof je je uit nog…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zaterdag 24 april

Zoals gezegd ben ik ooit in Boekarest geweest.
Het was zomer en de stad gedroeg zich als een behaagzieke vrouw in een overspelige relatie: je wandelde over een elegante boulevard, die zogenaamd in Parijs lag, maar dan sloeg je een hoek om en botste op braakland waar vuurtjes brandden, communistisch modernisme waartegen de honden urineerden, zonovergoten grootstedelijkheid waar parfum en prosecco waren veranderd in pommes frites en angst en een laag octaangehalte, alsof je je uit nog naar seks ruikende verwarde lakens losknoopte om zelf te gaan pissen en de kamer kantelde en in een parallel appartement sneed een afgetobde vrouw uien en gaf haar dreinende koter een pets.

Elders zette het contrast zich voort. Het paleis van Ceaușescu stond in heel zijn abnormale omvang te kijk, ik probeerde zwetend van de warmte mijn schouders op te halen over 365.000 vierkante meter en 2000 vertrekken. De volgende ochtend stond ik om vijf uur op om in een vrouwenklooster de metten bij te wonen, niet uit religieuze ijver maar uit nieuwsgierigheid naar de byzantijnse orthodoxie. Een handvol vleermuizen reciteerde monotoon heilige teksten, de kaarsen flakkerden, de vrouwen vervloeiden tot één in nachtelijkheid gehulde dwangneurose, en ik viel, ondanks mijn welwillende houding tegenover de christelijke godsdienst, bij deze saaie viering van het menselijk zenuwstelsel bijna weer in slaap… de antithese van dat monsterlijke paleis was uit de these van de orthodoxie gegroeid, en nu gebeurde in zekere zin het omgekeerde. Maar daarna stond ik in de vroege ochtendzon op straat en besloot de hele dialectiek in de Donau te flikkeren.

Sterke koffie! Broodjes! De espressomachine kwam tot leven, de honing droop van de lepel op het broodje; de zon viel schuin op het nog kille terras…
Zonnige eigenaardigheid, dat Boekarest.

Zondag

Er is dus een nieuwe priester benoemd, Father Owen, jong, met een Canadese vrouw die operazangeres schijnt te zijn, en een peuter van twee… maar hij is nog niet in Brede aangekomen, de pastorie wordt geschilderd en ondertussen verdrinkt Canterbury zijn benoeming in de formaliteiten, geen liturgische maar bureaucratische, zoals een bewijs dat hij nooit aan een minderjarig piemeltje heeft gezeten of iets onwelvoeglijks op sociale media heeft gezegd.

Ik erger me dood aan die klerikale ambtenaren, die bij de Wederkomst zouden zeggen: ‘Neem ons niet kwalijk, Heer, maar we zijn nu eenmaal verplicht een antecedentenonderzoek uit te voeren. Hebt u bewijsstukken van uw werkgever(s) betreffende uw activiteiten gedurende de voorbije tweeduizend jaar? Referenties? U hebt, weten we, een strafblad, maar aangezien het Romeins Rijk is ontbonden kunnen we op dat punt wel een oogje dichtknijpen…’

Erg betrouwbaar zijn Jezus’ referenties niet, er bestaan vier onderling afwijkende versies van, en als hij in de kathedraal van Canterbury op zijn gemak naar het jongenskoor wil luisteren, komt in de Britse pers de geruchtenmolen over knapenschennis op gang.

Maandag

Ik chauffeer Joy naar de supermarkt in Hastings en mag van haar in de auto blijven zitten met mijn boek, in casu De gebroeders Karamazov. Het is mooi weer: ik doe het raampje open, die Dostojevski kan wel wat frisse lucht gebruiken; en terwijl ik me van pagina 441 naar pagina 467 worstel – de stijl is belabberd en ik moet in de lijst met dramatis personae telkens opzoeken welk oompje nu weer een monoloog afsteekt – hoor ik de stemmen op de parkeerplaats, het syncopisch optrekken en afremmen van auto’s, de symfonie voor verkeer en bewoners van een provinciestad… en nu mengt het gemompel van de oude starets Zosíma zich door de alledaagse muziek… zijn stem vult het knusse kerkje van mijn auto: hij verzoekt me de mensheid lief te hebben en de aarde te bevochtigen met de tranen van mijn vreugde, en zo komt het dat ik de mensheid bij Sainsbury’s bemin, de mensheid in al haar verschijningsvormen bemin, de vermoeide huismoeder, de ezelachtige echtgenoot, de hersendode kinderen, en tranen van vreugde stort!

‘s Avonds

De lampenkap van groen glas, die in een patroon van grillige vlammen opgloeit wanneer ik het peertje met een vingerknip ontsteek, lichtte boven de mahoniehouten woonkamertafel van mijn grootouders Barnard een somber interbellum bij, waarin ze de krant tot velletjes verknipten, die dubbelgevouwen over een touwtje in de WC werden gehangen (tussen hun reet en de mijne zit maar één generatie); diezelfde lamp verlichtte na de oorlog zes decennia lang het landschap op de werktafel van mijn vader, de velden van papier, de bosjes die uit pennen en potloden groeiden, de heuvels gevormd door boeken, met aan de horizon het gipsen koppetje van Shakespeare (zo zag ik die tafel als kind, door een prisma dat de patriarchale werkelijkheid in betoverende kleuren splitste) – en nu werpt het erfstuk, dat in een emancipatorische eeuw van kleinburgerlijk tot antiek is veredeld, zijn lichtkrans op het boek dat ik zit te lezen.

Godzijdank hebben zich bij het gezelschap van de Karamazovs ook de helden uit Brideshead Revisited gevoegd. Wat een heerlijk nuffig boek. De eerste honderd pagina’s zijn in de geheimtaal van Oxford geschreven en ik vraag me af hoe degene die niet vertrouwd is met het oude Oxford – terwijl mijn grootouders pleepapier knipten, verbrasten de hoofdpersonen enorme toelagen – het in zijn zalige, aanstellerige details kan begrijpen zonder een woordenboek en een of andere companion (je vindt die banaal genoeg op internet). Ik geniet huiverend van de zelfkastijding die iedere  raadpleging van mijn woordenboek betekent: ‘pullulating with women’ (overal vrouwen)… knal! zegt de zweep; de ‘oak’ (de deur van een College)… knal! ‘My father in his youth sat for All Souls’ (een College: het toegangsexamen staat bekend als het moeilijkste examen ter wereld)… knal! knal! joelt mijn zweep. Verrukt kronkelt de flagellant op de grond van zijn onwetendheid. ‘Hoe,’ kreunt hij, ‘reis je in hemelsnaam door de westerse wereld zonder de bagage van deze woorden?’

En vervolgens nemen we de stoomtrein naar het landgoed waar de katholieke vriend van de verteller is opgegroeid. Het somptueuze Brideshead, met al zijn timpanen, Tintoretto’s, zijn palmbomen en Italiaanse fontein, de lemniscaat van een watercircuit dat het verleden uitgiet in de toekomst… dit Brideshead zal, weet ik, al weet ik dat nog niet na honderd pagina’s, de agnostische hoofdpersoon (een nauwelijks verhulde Evelyn Waugh) aanzetten tot bekeringBekering tot het katholicisme welteverstaan.

Jezus Christus. Wat zegt u nu? Katholicisme?
O, deze roman is alles wat het heden niet is! Maar het heden is nog irrationeler dan het katholicisme – het heden, dat is 2 + 2 = 1984.

Later

Vraag uit het moeilijkste examen ter wereld, aflevering 2013: ‘Heeft links of rechts de twintigste eeuw gewonnen?’
Mijn antwoord luidt: beide partijen werden aangevoerd door Pyrrhus.

Nog later

Ik lees een gat in de nacht.
De paradox van Waugh is zijn esthetische afkeer van de esthetica van zijn eigen tijd, de esthetica namelijk die zelf religieus werd, een substituut voor de religie. Hij had een hekel aan Picasso, jazz en modernistische architectuur – anderzijds drinken zijn personages cocktails, gaan naar de film en citeren Eliot; hij maakt gebruik van montagetechnieken, de juxtapositie van platvloersheid en verhevenheid, geklets aan de telefoon; ja, de hele roman is een product van het tijdvak waarin hij speelt.

Maar Waugh moest het grote credo van de moderne kunst opgeven, te weten het geloof dat kunst op zichzelf morele waarde heeft. Die had kunst nu juist niet, niet in se. Schoonheid – en zeker lelijke schoonheid – was geen geschikte godsdienst, daar kwam het voor hem op neer.
Er deed een zinnetje de ronde in de jaren dertig: ‘Het is later dan je denkt.’

Woensdag

In Poëziekrant lees ik dat de maker van ‘gedichten waarin een man een vrouw toezingt die niets terugzegt’ niet langer op een lauwerkrans hoeft te hopen. Literaire jury’s worden voorgezeten door Cromwell of Calvijn.

Het overkomt veel schrijvers: op een bepaald moment voelt het alsof je uit de tijd bent gevallen, alsof je een eigen asynchrone kalender hebt. Deze stemming is als een langdurige bewolkte periode, wanneer je weliswaar opstaat maar treuzelt alvorens de gordijnen open te doen, want ze zijn voldoende lichtdoorlatend om het gebrek aan zon al bij voorbaat te verraden.

‘Ah, la fatigue du nord!’
Een ongewone vermoeidheid overvalt me, een weerzin tegen dit heden dat het mijne niet is. Mijn vader zou het taedium vitae hebben genoemd. Dierbare poseur! Als zoon van een failliete barbier had hij, met zijn eredoctoraat, wel recht op enig snobisme.

 Donderdag

Geert van Istendael schrijft me: ‘Hafid Bouazza is dood. As op mijn witte haren en tranen in mijn baard.
Wist je dat Hafid Bouazza een groot bewonderaar was van Hadewychs poëzie?
Lieden die weten wat onze arme gastarbeiders nodig hebben beten hem toe dat hij zich beter met zijn eigen cultuur zou kunnen bezighouden.
Wat ben ik dankbaar dat hij het Nederlands heeft ontvreemd.’

Het is later dan je denkt, Geert.

Vrijdag 30 april

Vandaag gedenk ik de zevenentwintigste postume verjaardag van mijn moeder. Het is moeilijk over haar te schrijven. Ze verschijnt gewillig als ik aan haar denk, ze betreedt onze woonkamer in de Rozendaalse pastorie, een huis dat, leunend tegen de bosrand, alle kenmerken van een gefantaseerde voorouderlijke woning had, ook al was het dan slechts de dienstwoning van dominee W. Barnard tussen mijn zevende en mijn zeventiende levensjaar –  zij, Christina, door mijn vader Tinka Maldovski genoemd (haar meisjesnaam was Van Malde), elegante anachronistische verschijning, die al bij leven een kamer kon betreden als vanuit een andere dimensie, altijd gekleed in een zacht ritselende blauwe jurk, in de plooien waarvan barnstenen kralen deinen op haar tred (kortstondig goudkleurig opgloeien en weer uitdoven van Baltische harsformaties, met een opgebaard insect in een ervan)… en nu, met een vertraging van enkele seconden, ontstaat haar gezicht in het vloeistofbad van mijn geheugen, het herrijst: de fijne neus, de ogen waar volgens mijn vader de Middellandse Zee ooit jaloers op was, het congenitale sieraad van haar tot een scheef glimlachje vertrokken mond…

‘Je moeder wordt vandaag, eens zien, dertig,’ zei mijn vader, die tot haar dood een pretendent bleef.
‘Mallerd,’ zei mijn moeder, die ook wel iets van Doddeltje uit de avonturen van Heer Bommel en Tom Poes had. Ze kon ongelooflijk mooi blozen, menige roos in die ouderwetse tuin van ons moet soms een steek van jaloezie hebben gevoeld, maar ik begin als mijn vader te klinken.

Op 30 april 1962, haar eerste verjaardag in de pastorie, nam ze, staande voor de kerk, de hulde in ontvangst die de Rozendaalse Kapel haar bracht, lang zou ze leven (ze werd vijfenzeventig); daarna weerklonk het Wilhelmus, want het was tevens Koninginnedag, de verjaardag van ‘de oude koningin’, Juliana, de mal van het Hollandse damesgezicht in mijn kindertijd, want met het ouder worden begonnen de Hollandse dames van toen op de koningin te lijken, die ook zelf meer en meer op een Hollandse koningin begon te lijken (dit verklaart de siddering die door Nederland voer toen een papperige kroonprins zich met een beeldschone Argentijnse verloofde). De trommelaars trommelden, de trompetters toeterden, de bombardon liet zijn scheten; de goudkleurige tressen blonken in de lentezon; mijn Tinkamoedertje bloosde.

In het park van het kasteel stonden kraampjes; ik won een bruine leren voetbal met schieten; ik trakteerde Joost en Peter, mijn nieuwe vriendjes, op walgelijk zoete, ruitvormige stukken gummi (rubber, stopverf), zogenaamde ‘spekkies’… Weer thuis, licht misselijk van het snoepen, sloop ik over de romantisch krakende trappen (vijf in totaal) naar mijn zolderkamer, en onder het dakgebinte – dat woud van balken (in sommige waarvan nog de sneden waren te zien die ingekwartierde napoleontische soldaten met hun sabel hadden gekerfd) maakte mijn vriendschap beslist aantrekkelijker voor de dorpsjongens – luisterde ik, verstopt achter mijn eigen fronton, naar de in Italiaanse stijl klaterende fontein en dacht aan beneden, waar onder zacht wuivende palmen en toekijkende Tintoretto’s mijn ouders hun gasten op thee en gebak onthaalden; vast overhandigde baron Willy van Pallandt mijn moeder een doos bonbons met een grote rode strik… Ik wist al jong dat mevrouw Barnard-Maldovski een uitstekende gastvrouw was. Maar dertig jaar later – toen vroeger meer en meer nu verdrong – biechtte ze me op dat ze zich in die rol altijd hulpeloos had gevoeld, als een actrice die moest kiezen tussen haar tekst en haar gebaren: ‘Dat was het gevolg van mijn kindertijd… Je moet rekenen dat we altijd dienstmeisjes hadden. Papa is een schat, maar dat heeft hij nooit gesnapt.’

Terwijl Alzheimer zijn ravage aanrichtte, bleef mijn vader naar haar smalle hand dingen; hij schreef toen zijn mooiste regels voor haar:

Worden is niets, maar het ontworden.
Wreed is het, wreed en zoveel te wreder
nog dat zij het weet. Intussen
 
zit zij daar beeldschoon hoewel reeds verweerd
rechtop te treuzelen met haar leeftijd
of er een ochtend oprees uit zee

Ze zei niets terug.

Woensdag

Op 12 april 1995 bevond ik me in een revalidatiecentrum aan het Meer van Genève, waar Peter van zijn eerste openhartoperatie bijkwam. Hij werd aan de telefoon geroepen. Hij kwam terug, legde zijn hand op mijn schouder en zei: ‘Vriend… je moeder is gestorven.’

Zaterdag

Het is nooit later dan ik denk.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.