fbpx


Filosofie, Politiek

Evidence-based policy: kritiek op een progressieve dwaling



evidence-based policy

Volgens het positivisme kunnen alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren, en dit door het correct toepassen van de wetenschappelijke methode. Elke andere kennisgrond, zoals de metafysica, de ervaring of de overlevering, werd door de positivisten dan ook verworpen. Deze stroming ontstond niet voor niets in de negentiende eeuw, toen de exacte wetenschappen een hoge vlucht namen. De exacte wetenschappers slaagden erin onweerlegbare kennis te vergaren, en al snel ging men er — verkeerdelijk — van uit dat dit principe…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Volgens het positivisme kunnen alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren, en dit door het correct toepassen van de wetenschappelijke methode. Elke andere kennisgrond, zoals de metafysica, de ervaring of de overlevering, werd door de positivisten dan ook verworpen. Deze stroming ontstond niet voor niets in de negentiende eeuw, toen de exacte wetenschappen een hoge vlucht namen. De exacte wetenschappers slaagden erin onweerlegbare kennis te vergaren, en al snel ging men er — verkeerdelijk — van uit dat dit principe ook in de menswetenschappen, zoals de sociologie of psychologie, van toepassing was.

‘Sociale fysica’

Zo waren de Franse sociologen Auguste Comte (1798-1857) en Emile Durkheim (1858-1917) ervan overtuigd dat de samenleving net zoals de natuur gehoorzaamde aan bepaalde onveranderlijke en altijd geldende wetmatigheden. Voor beide was de sociologie dan ook niets minder dan ‘sociale fysica’.

De mens is echter geen louter rationeel wezen, maar heeft een veel belangrijkere emotionele component. Wij zijn allen een product van ontelbaar veel elementen verbonden aan onze nature (biologisch) en nurture (omgeving). Allen samen vormen wij een nog veel complexere en onveerspelbare maatschappij, die  niet zomaar met zekerheid door wetenschappelijke tabellen, statistieken of sociale wetten geanalyseerd, laat staan voorspeld, kan worden.

De Duitse socioloog Max Weber (1864–1920), tijdgenoot van Comte, wees daar reeds op toen hij poneerde dat het onderzoeksobject van de menswetenschappen (de mens) fundamenteel verschilde ten opzichte van de onderzoeksobjecten in de natuurwetenschappen (de materie), en dat men in de sociologie niet over ‘zekerheden’ maar over ‘waarschijnlijkheden’ moest spreken. Het zou de mens anders onterecht reduceren tot emotioneel voorspelbare en sociaal geprogrammeerde robots.

Sociaal constructivisme

In de jaren zestig groeide de kritiek op deze positivistische kennistheorie, die alleen rekening hield met de waarneembare en kwantificeerbare realiteit. Het sociaal constructivisme pleitte daarentegen om gebeurtenissen en evoluties te onderzoeken als onlosmakelijk verbonden met en geschapen door sociale, historische, culturele en zelfs linguistische context. Deze stroming volgde meer de lijn van Weber’s ‘verstehen’, of de nood tot het innerlijke begrijpen van het onderzoeksonderwerp. De constructivistische socioloog moest daarbij echter de eigen vooroordelen en emoties zoveel mogelijk weren uit de observatie en de interpretatie van de werkelijkheid.

Echter in de jaren zeventig begon men vanuit het constructivisme de samenleving niet meer te analyseren vanuit dit bijna-objectief perspectief, maar vanuit het progressief gelijkheidsideaal. Vooral de school van Michel Foucault legde een sterke nadruk op culturele (en linguistische) en sociaaleconomische ongelijkheid en de daarmee verbonden sociale machtsverhoudingen (huidskleur, sekse, etc). Volgens hen ging het hier niet meer over een natuurlijk  verschijnsel maar over een politiek fenomeen die ongelijkheid en onrechtvaardigheid in stand zou houden, maar dus evengoed door politieke keuzes kon worden rechtgezet. Het mag dan ook niet verwonderen dat deze sociologische analyse  de daaropvolgende decennia werd overgenomen door progressieve politici, media en organisaties, en zorgde voor de opkomst van bijvoorbeeld de identity politics.

Evidence-based policy

Deze populaire conflictsociologie van Foucault versterkte de reeds ver gevorderde deconstructie van de traditionele sociale structuren, en belandde recent in een radicale fase waar men ook de biologische ‘machtsstructuur’ probeert te vernietigen (zie geslacht versus gender). Vooral vanaf de jaren negentig deed men in de sociologie niet alleen  steeds minder aan objectief onderzoek, ook  streefde men er vaker naar om met hun ideologisch gekleurde bevindingen beleidsmakers een wetenschappelijke, en dus onbetwistbare, onderbouw te bezorgen voor een evidence-based politiek. Dit  concept waaide uit de exacte wetenschappen, en meer specifiek de medische sector, over naar de humane wetenschappen, en dus ook naar de sociologie.

Voor politici, zowel van links als van rechts, was het een dankbaar geschenk om zich steeds meer te kunnen verstoppen achter deze rationele keuzes, in naam van het economisch efficiëntie-denken, in plaats van ideologische keuzes te maken en te verdedigen. Het verdwijnen van die duidelijke ideologische breuklijnen, met partijen als Open Vld, CD&V, sp.a en Groen die alleen nog over bijzaken van mening verschillen in de politieke besluitvorming en nog amper breekpunten hebben, is het niet verwonderlijk dat vandaag  steeds meer — en vooral progressieve — opiniemakers, academici en zelfs politici het weinig zinvol vinden om nog het links/rechts-criterium te blijven gebruiken.

Sommigen gaan zelfs verder en pleiten voor een soort van post-ideologische democratisch loterijsysteem met als uitgangspunt een ‘wetenschappelijk’ evidence-based policy, het liefst onder leiding van bekwame, rationale en neutrale experten. Deze technocratische, en autoritaire, utopische visie op de samenleving is niet alleen een product van ongeduld, hoogmoed, en arrogantie, eigen aan elk maakbaarheidsdenken, maar toont ook een nieuwe antidemocratische tendens bij steeds meer progressieve intellectuelen voor wie de weg naar de utopische wereld niet snel genoeg kan gaan.

Toch past men beter op met de toepassing van deze ‘wetenschappelijke’ zekerheid over de mens en samenleving, want in het verleden leidde een mix van  sociale theorieën en autoritaire regimes steevast naar maatschappelijke catastrofes.

Zelftwijfel en ideologie

De positivistische en constructivistische arrogantie die verstopt zit achter de evidence-based policy met betrekking tot de samenleving, duwde de laatste decennia religie, cultuur, overlevering en traditie naar de marge van het politieke debat als zijnde af te breken machtsstructuren. Dit was tevens mogelijk doordat het westen sinds de Tweede Wereldoorlog, en vooral na de Koude Oorlog, terechtkwam in een nooit geziene culturele toestand van zelftwijfel. Deze de-ideologisering van de politiek is echter nog niet volledig voltooid, tot grote frustratie van vele ‘onafhankelijke’, ‘rationale’ en ‘wetenschappelijke’ experten.

Conservatieve krachten wijzen terecht op het feit dat verkozen democratische instellingen de enige zijn die de soevereine macht van het volk vertegenwoordigen. Ook op links wordt intussen gepleit voor een ‘herpolitiseren’. De democratische volkswil wordt begrensd door de rechterlijke macht, de Grondwet en supranationale verdragen. Nu willen sommigen, waaronder bijvoorbeeld militante ecologisten, die ook nog eens extra begrenzen met een ‘wetenschappelijke’ evidence-based macht. Zo stelde een progressieve politica onlangs voor om onwetenschappelijke (lees: niet evidence-based) meningen te verbieden, zelfs te bestraffen.

Wat op het eerste gezicht logisch lijkt, zoals het onderwijzen van de zwaartekracht of de evolutietheorie, is dat echter niet voor zaken die de mens zelf betreffen. Humane wetenschappen zijn geen exacte wetenschappen, al gedragen ze zich vandaag wel graag zo. Maar hoe berekent men ‘exact’ de invloed van opvoeding, genetisch materiaal, herinneringen, cultuur, hormonen, waarden, relaties, gebeurtenissen, weersomstandigheden, en oneindig veel andere factoren op de keuze of gedrag van miljoenen mensen die met elkaar voortdurend interactie hebben? Wetenschappers die zich bezighouden met menselijke interactie zullen per definitie slechts een klein deeltje van die werkelijkheid  kunnen onderzoeken en verklaren, en zouden zoals Weber, altijd moeten spreken over waarschijnlijkheid.

Onlangs zijn er ook vragen gerezen over de belangenconflicten die inherent zijn aan empirisch onderbouwde besluitvorming bij de ontwikkeling van overheidsbeleid. In een studie over beroepsonderwijs in gevangenissen in de staat California ontdekten wetenschappers dat politieke overwegingen onvermijdelijk binnenliepen in evidence-based policy. Beleid dat ogenschijnlijk technocratisch van aard was, bleek bij nader inzien niet zo. Zij wezen erop dat dit vooral het geval is wanneer de studies of onderzoeken worden betaald of besteld door beleidsmakers die er belang bij hebben dat de eigen politieke stellingen worden bevestigd. Ook de ideologische visie van de wetenschappers zelf, met de keuze van de parameters, bleek invloed te hebben op het uiteindelijke resultaat van het onderzoek.

Limieten

De Oostenrijkse filosoof en wiskundige Edmund Husserl (1859-1938), grondlegger van de fenomenologie, waarschuwde reeds honderd jaar geleden  dat het positivistisch absolutisme een  reductie inhield van de werkelijkheid omdat het andere vormen van kennis onterecht uitsluitte. Deze radicale emprische visie zien we ook terug bij het invloedrijke objectivisme van Ayn Rand (1905-1982), waarbij de werkelijkheid onafhankelijk bestaat van de individuele interpretatie ervan en alleen kan gekend worden door gebruik te maken van de menselijke rede. Husserl, die zowel thuis was in de exacte als humane wetenschappen, stelde daarentegen dat het positivisme (en objectivisme) niet inzag dat het eigen perspectief nooit los kon gemaakt worden van de leefwereld waarin ze gemaakt wordt.

Ook de rede, nog steeds een menselijk product, is een van de vele mogelijke visies op de samenleving (zoals emotionele, culturele, religieuze, ethische, etc), en kan dus nooit alleen die samenleving definiëren. Maar ook het constructivisme, dat wel rekening houdt met sociale en culturele factoren, kan er niet in slagen om de complexe emotionaliteit van de mens te vatten.  Beide wetenschappelijke perspectieven van de humane wetenschappen bieden slechts een gedeeltelijke waarheid op de wereld, waarbij dus tevens de beperking van evidence-based policy duidelijk wordt, vooral dan op het vlak van sociale politiek. Het is dan ook problematisch dat sommige humane wetenschappers onterecht aan kennismonopolisering doen: zij alleen weten hoe de maatschappij of mens wetenschappelijk in elkaar zit.

Wanneer humane wetenschappers hun wetenschappelijke status misbruiken om ideologische en maatschappelijke machtsverhoudingen te neutraliseren in de besluitvorming onder de noemer ‘onwetenschappelijk’, zouden ze beter de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v.C.) nog eens raadplegen. Hij wist reeds dat niet de (valse) zekerheid maar wel de twijfel tot wijsheid brengt.  Eeuwenoude metafysische, culturele en sociale kennisgronden worden als ‘ongefundeerd’ afgeserveerd.

Deze academische hoogmoed zagen we, in naam van het dogmatische gelijkheidsdenken, de laatste twee decennia bijvoorbeeld toegepast in het onderwijs, waarbij  een zeer succesvolle educatieve traditie en overlevering van vijfhonderd jaar plaats moest ruimen voor een evidence-based onderwijsbeleid. Zowel het niveau van kennisvergaring, de religieus-culturele vorming en het aanleren van competenties gingen er de laatste twee decennia op achteruit. De afbraak van de sociale en culturele machtsstructuren waren immers prioritair, wat ironisch genoeg tot gevolg had dat de schoolresultaten van de sociaal zwakkere studenten er het meest op achteruit gingen.

Alternatief

Tegen deze evidence-based policy met betrekking mens en samenleving in de politieke besluitvorming, waarvoor er slechts een enkel ‘wetenschappelijk’, ‘objectief’ of ‘redelijk’ beleid mogelijk is, en waarvoor de democratische besluitvorming (en de eigenzinnige kiezer) een ‘emotionele’ rem is op de vooruitgang,  moeten conservatieven streven naar een terugkeer van de ideologische strijd waarbij het unieke van elke mens, elke cultuur en elke samenleving centraal staat. Tegenover het libertaristische en nihilistische individualisme, de progressieve sociale en biologische deconstructie, en de utopische zoektoch naar volledige gelijkheid en vrijheid, staan conservatieve sociale, ethische en culturele gemeenschapsbanden die hun waarde elke dag nog steeds bewijzen, al zeker voor de zwakkeren onder ons.

Terwijl de oude links/rechts-tegenstellingen vervagen, wordt het misschien tijd voor een nieuwe tweedeling tussen voorstanders van de progressieve geatomiseerde ‘samenleving’ bestuurd op basis van inexact evidence-based policy en conservatieven die beseffen dat het individu slechts dankzij de gemeenschap en de wijsheid van de culturele en ethische overlevering zich ten volle als vrij en gelijk mens kan ontwikkelen.

En om af te sluiten, een citaat van de ons recent ontvallen Roger Scruton:

‘Its true that we learn a lot from science about how we function but there’s a danger in thinking knowledge of how we function is the full account of what we are. If you’re a chemist who is really interested in the optical properties of certain pigments you could analyse the Mona Lisa and describe it completely but you would never have mentioned the face, which is the meaning of this thing. In that way a neuroscientist can put together an enormously impressively picture of the brain but he would not have described what goes on when we react to another person.’
― Roger Scruton,The Soul of the World.

 

Philip Roose