Geen categorie

Excuseer mij, ik heb een kerstgedicht geschreven!

Excuseer mij, ik heb een kerstgedicht geschreven! Echt waar. Maar ik pleit verzachtende omstandigheden. Het gebeurde in de vorige, donkere eeuw, ik was nog een jonge journalist, en het is een mistroostig gedicht, waarin geen kerststal voorkomt.

Ik was avondredacteur van de krant en ik was op kerstavond van dienst om de laatste nieuwstelegrammen te verwerken. De pers geloofde toen nog in haar verschijningen op zon- en feestdagen. Op onze telescriptor zag ik niets anders dan berichten over ruzie en vechten in het Heilig Land. (Die teledinges was een lawaaimakend monster uit de pre-computertijd, dat niemand nu nog kent. Tegenwoordig zijn er elegantere toestellen om wereldwijd over moord en brand te berichten). Kortom, onze lezers van goeden wille kregen daags nadien een flinke schep zout om uit te strooien over de sneeuw voor hun stalletje. Daar schreef ik dan mijn gedicht over. Het rijmde.

Later heb ik het nog bonter gemaakt. Ik heb een bloemlezing van kerstgedichten samengesteld! Een behoorlijk dikke bloemlezing. Zij verscheen in 2003, dus toch al in de verlichte 21e eeuw, onder de titel Nu zal het wel gauw gaan sneeuwen. Dat is een zin uit een gedicht van Anton van Duinkerken, de katholieke gelegenheidsdichter bij uitstek (voor Van Wilderode). Ik zette er een ondertitel bij: De 100 witste kerstgedichten. Als ik ze nu tel, zijn ‘t er maar 99, ik ben nooit onfeilbaar geweest in getallen. Maar dit terzijde. Niemand heeft het opgemerkt en het boek telde nochtans twee drukken, of drie, ik wil het kwijt zijn.

Sneeuw was toen nog een onmisbaar onderdeel van het kerstlandschap. En het Weerbericht werkte altijd weer uit volle kracht mee aan onze witte droom. Ukkel werd nog aangedreven door de gebeden van klein broertje. Waar is de tijd! Als er tegenwoordig toevallig nog eens wat sneeuw valt, is het een waterachtig vluggertje, een soort van troebele, lauwe wintersoep, waarover niet te dichten valt. Alleen de gebieden waar de Heilige Skivakantie wordt gevierd, blijven er wat kerstmisachtig uitzien, daarin sterk gesteund door reusachtige sneeuwspuiters. Met Skivakantie bedoel ik hier de veertien vrije dagen die vroeger Kerstvakantie werden genoemd en die nu, om niemand te kwetsen, de Eindejaarsperiode heten. Zo hebben wij ook de Paasvakantie geseculariseerd tot Lentevakantie en Allerheiligen tot Halloween.

Sneeuw dus. Goede, ouderwetse, witte sneeuw. In de betere gedichten van weleer was hij een dubbel zinnebeeld. Hij gaf aan in welke koude en gladde wereld Jezus werd geboren. Onder de dikke laag was het in de stalletjes ellende troef. En het hield niet op, het hagelde, het sneeuwde, het miek er zo koud, de rijm lag op de daken. Toch maakte (miek) de sneeuw onze wereld meteen ook mooier, warmer en inniger. De natuur zat niet om een paradox verlegen! De sneeuw ligt als een witte deken over de aarde, zo schreven wij in onze schoolopstellen, waarin wij de oude Meesters uit onze literatuur nabootsten. De arme herders, die ’s nachts zo maar in het veld lagen, beschikten gelukkig over wollige schapenvellen en zij werden innerlijk verwarmd door een straal uit den hoge. Wij voelden hartelijk met hen mee, wij wisten wat koude was, de centrale verwarming en de stookolie waren op de Vlaamse buiten nog science fiction. Wij twijfelden niet aan de waarde en de waarachtigheid van de kerstsneeuw in wat nu de warmste week wordt genoemd.

Was dat zomaar poëzie uit een bloemlezing van oude pennenvruchten?

Eerder deze week zaten er drie duidelijk academisch gevormde mensen op het televisiescherm (in De Afspraak) te praten over wat er indertijd in Judea is gebeurd en het was klaar dat zij niet door de sneeuw naar de studio hadden moeten dabben. Zij zegden met een glimlach, dat het verhaal van Betlehem historisch niet klopte. Het was misschien wel mooi beschreven, ja, ze konden schrijven in die tijd, maar wáár was het niet. Geen stal, geen grot, geen volkstelling, geen maagd, geen kind, geen sneeuw. Het was wel een stukje van onze cultuur, zegden zij. Zoals onze oude kerstliedjes dus.

Er zat jammer genoeg niemand bij die kon laten opmerken, dat zij iets vergaten. Dat was de kern, de waarheid die het verhaal heeft overleefd.

Er was niemand in de studio om in enkele zinnen te verklaren, wat het verhaal (als het niet meer was dan een verhaal) eigenlijk bedoelde te zeggen. Ik heb het onthouden van een oude onderpastoor, dus zo nieuw is de uitleg niet. Het ging over een God, wiens naam men vroeger zelfs niet durfde te schrijven, die zomaar van uit onbereikbare hoogte naar de begaanbare grond kwam, om de goede reden, dat de hemel op aarde begint, waar hij allereerst toegankelijk is voor de kleinsten, de armen, de herders, en daarna ook voor (drie) wijzen of koningen die nieuwsgierig zijn naar wat door eenvoudigen wordt verstaan.

Iemand had er een citaat kunnen aan toevoegen van G.K. Chesterton, uit zijn boek De eeuwige mens: ‘Onmogelijk kan volledig onder woorden gebracht worden de verandering die deze opvatting van een God, die als een verstoteling of een vogelvrije balling geboren werd, bewerkte in het gehele begrip van het recht en zijn verplichtingen tegenover de armen en de verstotelingen.

Sorry, ik kan nu eenmaal niet zonder naar mijn oude Engelse vriend te verwijzen.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]