fbpx


Actualiteit, Binnenland

Fact check

Over het coronavirus wordt veel gespeculeerd…


De Standaard van 14 april liet Karen Phalet, professor in de sociale psychologie aan de KU Leuven, aan het woord over het gedrag van de burger in deze coronatijden. Zij hield voor dat rampen uit het verleden, zoals recentelijk de verwoesting van New Orleans door de orkaan Katrina, aantonen dat de meeste mensen ‘gedisciplineerd en redelijk handelen’. Het Vlaamse spreekwoord ‘in nood kent men zijn vrienden’ lijkt dat te bevestigen: mensen zouden geneigd zijn zich extra solidair te gedragen wanneer een medeburger doorheen een periode van tegenslag gaat. Maar is dat ook zo?

Gedrag in noodsituaties

Er bestaan nogal wat wetenschappelijke studies over het gedrag van werknemers in noodsituaties, en die worden ondersteund door ervaringsgegevens die ook de de vulgariserende pers bekend maakte. Enkele voorbeelden: het optreden van het personeel en de omstanders na de bomaanslag in de Zaventemse luchthaven, de interventies van technici onmiddellijk na de kernrampen in Chernobyl en Fukushima, de koelbloedige tussenkomst van de hulpdiensten onmiddellijk na de ramp met de Herald of Free Enterprise. En vaak met gevaar voor eigen lijf en leden.

Herhaald onderzoek heeft inderdaad bewezen dat werknemers zich, meer specifiek bij het uitbreken van een bedreigende brand, doorgaans beheerst en zelfs altruïstisch opstellen. Eerder is zelfs het omgekeerde het geval: vaak gaat het gedrag de verkeerde kant uit omdat mensen het gevaar eerder onderschatten, en in spiegelbeeld: een verkeerd begrip hebben van hun capaciteiten om zich hiertegen te wapenen. Vele slachtoffers bij een brand of een explosie vallen omdat personeelsleden tegen weten beter in blijven proberen om de zaak onder controle te krijgen, nog snel een persoonlijke bezitting in veiligheid willen brengen of een handje toesteken bij de evacuatie van een minder mobiele collega.

Aasgieren

Maar het gaat hier om meerderheidsgedrag. In spiegelbeeld zal het bedrijfsleven bijzonder beducht zijn voor de onvermijdelijke aasgieren die profiteren van een noodsituatie om hun slag te slaan. Een uitslaande brand of een overval in een bankkantoor is voor sommigen hét uitgelezen ogenblik om in de kas te graaien – en heel wat noodprocedures in de financiële sector houden daarmee uitdrukkelijk rekening… Net zoals we ook nu een piek lijken mee te maken in diverse fraudedossiers, zoals oplichting via het internet of de levering van nepbeschermingsmiddelen.

Dus ja, de bewering klopt. Maar blijf extra beducht voor die minderheid van mensen voor wie empathische gevoelens onbekend zijn: de recidiverende normovertreders (de burgers die opeenvolgende boetes opstapelen – de pers heeft daarvan de voorbije dagen sterke staaltjes aan het licht gebracht) en de cohorte van mensen met psychopathische en narcistische aandoeningen die gezamenlijk toch meerdere procenten van de bevolking uitmaken en zich nooit aan afspraken houden. Moraal inzake GAS-boetes: wees niet te streng voor mensen die een eenmalige doodzonde plegen – maar wel voor zij die dagelijkse zonden op hun geweten hebben.

Een ondergrens voor besmettelijkheid?

Diezelfde krant wierp enkele pagina’s verder een andere vraag op: ‘Heb je een groter risico om ernstig ziek te worden naarmate je meer uitgehoeste druppels van een besmettelijke Covid-19-patiënt binnenkrijgt?’ De reporter van dienst had daarover diverse studies geraadpleegd (die blijkbaar van lage kwaliteit zijn, allicht wegens een gebrek aan langetermijn-cijfermateriaal) en liet ook Herman Goossens van het UZ Antwerpen aan het woord: ook hij vermocht geen uitsluitsel te geven.

Dat doet me erg denken aan een analoge discussie die al decennia oud is, maar evenmin een beslag heeft gekregen. Het gaat hier over de blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen. Is de kans op bv. longkanker of mesothelioom afhankelijk van de totale dosis asbestvezels die je als bouwvakker in je loopbaan hebt ingeademd – of bestaat er zoiets als een veilige drempel die je niet mag overschrijden?

Epidemiologische onzekerheden

Voor verreweg de meeste carcinogenen die op de werkplek aangewend worden is het antwoord hierop niet-conclusief. Dat heeft te maken met epidemiologische onzekerheden die grotendeels te maken hebben met de moeilijke inschatting van een kleine oversterfte te wijten aan een inname van lage dosissen. Blootstellingsonderzoeken op proefdieren in laboratoria leveren hierbij zelden een eenduidig resultaat op: doorgaans wordt een product als kankerverwekkend beschouwd wanneer de uitkomst van dergelijke testen op een mogelijke problematiek zou wijzen – maar het gaat dan meestal over belangrijke blootstellingen gespreid over korte perioden.

Wat dat betekent voor menselijke lichamen die te maken krijgen met punctuele innames van lage dosissen van dezelfde stof blijft daarbij vaak een hypothetische vraag (de hele controverse rond het al dan niet veronderstelde kankerverwekkend karakter van glyfosaat heeft grotendeels hiermee te maken). Hoe gaat onze reglementering daar dan mee om? Voor courant gebruikte kankerverwekkende stoffen in de arbeidssfeer (benzeen, asbestvezels, bepaalde metalen…) worden blootstellingsmaxima opgelegd die eerder arbitrair worden vastgelegd – in de hoop dat hiermee de ergste uitwassen worden vermeden. Wat kan je anders doen?

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jan Van Peteghem

Jan Van Peteghem is emeritus-gasthoogleraar aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen van de KU Leuven