Geldt ‘eerlijke fiscaliteit’ straks ook voor sportbedrijven?

Het nieuwe regeerakkoord verwijst naar eerlijke fiscaliteit voor sportbedrijven en beroepssporters. We lezen in het akkoord: ‘De regering hervormt de huidige fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs met het oog op meer billijkheid, waarbij gegarandeerd wordt dat iedereen een eerlijke bijdrage levert, afhankelijk van de draagkracht van de sport. Tevens zal de controle over de sportmakelaars versterkt worden.’

De miljoenen fiscale cadeaus aan sportbedrijven zijn zelfs in deze coronatijden niet meer maatschappelijk te verantwoorden. De sportbedrijven en hun beroepssporters genieten van verminderde RSZ-bijdragen, de vrijstelling van 80% bedrijfsvoorheffing,  een gunstig pensioenplan via groepsverzekering en het niet kwalificeren van voordelen van alle aard van makelaarsvergoedingen. Samen spreken we al snel over fiscale voordelen van jaarlijks +/- 215 miljoen euro. Het overgrote deel van deze voordelen, zo’n slordige 70% of 150 miljoen euro, stroomt naar de zogenaamde G5 voetbalclubs (Anderlecht, AA Gent, Club Brugge, KRC Genk en Standard). Een Mattheuseffect in de sport waarbij de grijparmen van de groten het verst rijken.

Korting op RSZ-bijdragen

Sinds de wet van 7 november 1969 (Wet Beroepsrenners), de wet van 3 maart 1977 (Wet Beroepsvoetballers), en de Wet betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars(1978) genieten alle ploegsporters een korting op de RSZ waardoor sommige topspelers slechts 1% van hun majestueus loon aan de RSZ betalen. Gewone werknemers betalen 38% van hun brutoloon aan de RSZ. De kuisvrouw die de kleedkamers van de voetballers reinigt, betaalt daardoor meer RSZ dan de grootverdieners wiens rommel ze opruimt. Je zou denken dat deze beroepssporters dan een lagere sociale bescherming zouden genieten. Maar niets is minder waar.

Ze hebben evenzeer recht op dekkingen voor arbeidsongevallen, beroepsziekten, ziekte en invaliditeit, werkloosheidsuitkeringen, rust- en overlevingspensioenen en gezinsbijlagen met inbegrip van kinderbijslag. Beroepssporters zijn wel niet onderworpen aan de regeling inzake jaarlijkse vakantie, een gunst die de sportclubs verwierven van de politiek. Sommigen, maar lang niet alle ploegen, hebben een eigen regeling voor vakantiegeld met hun spelers uitgewerkt.

Deze kortingen en voordelen staan in schril contrast met professionele sportbeoefenaars zoals atleten, tennisspelers, judoka’s en jockeys die zich in de onmogelijkheid bevinden om een arbeidscontract met een club af te sluiten. Zij zijn in de meeste gevallen aangewezen op een statuut van zelfstandige.  Deze zelfstandige sportbeoefenaars zijn daardoor onderworpen aan de socialezekerheidsregeling voor zelfstandigen.

Vrijstelling op de bedrijfsvoorheffing

Sinds 1 januari 2008 genieten de sportclubs en sportbeoefenaars met arbeidscontract tevens van een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing. Origineel wilden politici een vrijstelling geven van 50%, maar na wat lobbywerk, voornamelijk door de voetbalsector, werd afgeklokt op 70% met de mogelijkheid om deze via een Koninklijk Besluit te verhogen tot 80% of te verlagen naar 60%. Op 20 december 2007, elf dagen voor de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2008 werd snel en sluiks, via een KB, de vrijstelling opgetrokken van 70% naar 80%.

De voetbalclubs moeten 50% van alle vrijstellingen voor spelers ouder dan 26 jaar besteden aan jeugdwerking. Maar bijvoorbeeld KRC Genk had in het seizoen 2016-2017 op een totale kern van 30 spelers slechts drie spelers ouder dan 26 jaar. KRC Genk kon zo 90% van zijn vrijstelling bedrijfsvoorheffing op zak steken en moest amper 10% aan jeugdwerking spenderen. Tot het seizoen 2015-2016 was in België de gemiddelde leeftijd van professionele voetbalspelers 23 jaar. Sinds 2017 is dat gemiddeld 25 jaar.

Jeugdwerking

In 2007 werd op het laatste moment, op vraag van de voetbalsector, nog snel aan de wet toegevoegd dat ook lonen van jeugdspelers jonger dan 23 zouden meetellen als besteding in jeugdwerking. Omdat nagenoeg alle clubs tussen 2008 en 2010 één of twee dure jeugdspelers aankochten, was van echte extra jeugdwerking nagenoeg geen sprake. De politiek greep in om de profiterende sportclubs te dwingen meer geld in jeugdwerking te investeren. Door de wet van 28 april 2011 mocht nog de helft van de lonen van jonge sportbeoefenaars in rekening worden gebracht en dit met een maximum van 78.400 euro.

Maar door het totaal ontbreken van enige controle op de bestedingsplicht in jeugdwerking door clubs, waar ook de politiek schuld aan heeft, is het absoluut onzeker of er naast de lonen van trainers en spelers hoegenaamd iets éxtra werd geïnvesteerd in jeugdwerking. Het rapport van Deloitte (juni 2019) geeft immers aan dat alle clubs samen 42 miljoen euro salarissen uitbetalen aan jeugdspelers (-23 jaar) terwijl er wettelijk vereist maar 17,3 miljoen euro moest geïnvesteerd worden.

Makelaarsvergoedingen

Vorig jaar ging 46,2 miljoen euro aan vergoedingen naar makelaars . Makelaarsvergoedingen zijn vergoedingen voor de prestaties die een makelaar levert ten behoeve van zijn cliënt, in casu de speler of de trainer. In tegenstelling tot andere sectoren is het niet de speler die de makelaar vergoedt, maar de sportclub. Daardoor mogen we aannemen dat de speler een voordeel van alle aard toegekend krijgt.

Net als een werkgever een bedrijfswagen, tankkaart of computer als voordeel alle aard aanbiedt aan zijn werknemers. We stellen vandaag vast dat dit voordeel van alle aard, dat belastbaar is in hoofde van de ontvanger, niet op de loonfiches staat, waardoor er opnieuw een fiscaal voordeel ontstaat. In de ons omringende landen worden deze makelaarsvergoedingen wel gekwalificeerd als voordeel alle aard en dito belast.

Europese trofeekast

De vele fiscale voordelen hadden tot doel om meer jonge Belgische spelers kansen te bieden en te laten doorstromen naar de kernen van de topploegen. Maar het aantal buitenlanders in Belgische ploegen bleef stijgen met een recordhoogte van 63,7 % (2018-2019). Wat eveneens spectaculair steeg waren de lonen van de in hoofdzaak buitenlandse spelers. Terwijl het gemiddelde brutoloon van spelers in 2008 nog 170.000 euro bedroeg, was dit in 2019 verdubbeld naar 340.000 euro, een stijging van 100%. Ter vergelijking: de brutolonen van werknemers stegen tussen 2010 en 2017 met 15%. (Statbel)

Voor de voetbalbobo’s is het om de Europese prestaties te doen. De jaarlijkse injectie van 215 miljoen euro belastinggeld moet zorgen voor het vullen van de Europese trofeekast en vooral om zoveel mogelijk van de UEFA-prijzenpot van ongeveer 1,7 miljard euro naar de clubkas te laten vloeien. Los van de extra ticket- en horeca-inkomsten levert een deelname aan de Champions League 15,25 miljoen euro op. Elke overwinning die daarbij komt, levert nog eens 2,7 miljoen euro op. Een gelijkspel brengt 900.000 euro in het laatje. De achtste finale (9,5 miljoen), kwartfinale (10,5 miljoen), halve finale (12 miljoen), de eindstrijd (15 miljoen), met een bonus van vier miljoen euro voor de kampioen der kampioenen. In België stroomt jaarlijks gemiddeld tussen de 30 à 60 miljoen euro zo naar de voetbalclubs.

De fiscale kortingen moeten dus dienen om in de Europese vetpotten te graaien. Het zuurverdiende geld van de belastingbetaler nemen ze lachend in ontvangst, maar de prijzenpot houden ze lekker zelf op zak. Behoort het tot de kerntaken van een overheid om sportbedrijven internationaal te laten triomferen?  Als het antwoord ja is, waarom geldt dit dan niet voor alle Belgische bedrijven?

Eerlijke fiscaliteit

Als deze Vivaldi-regering echt werk wil maken van een eerlijke fiscaliteit, dan moet dit ook van toepassing zijn voor sport- en entertainmentbedrijven. Professionele sportverenigingen zijn bedrijven waarvoor een fiscale uitzonderingsregeling te verantwoorden valt. Er gelden immers ook verschillende uitzonderingsregelingen voor andere bedrijven. Denk aan koopvaardij, baggervaart, sleepvaart, onderzoek en ontwikkeling, zeevisserij, nacht- en ploegenwerk en startende ondernemingen. Al werden die, in tegenstelling tot de fiscale voordelen voor sportbedrijven, wel voorgelegd en goedgekeurd door de Europese Commissie.

Tijdens de 500 dagen regeringsvorming kwamen de huidige regeringspartijen sp.a, CD&V en Open Vld allemaal stoer voor de dag met wetsvoorstellen om de fiscale voordelen terug te schroeven. Deze gingen van de volledige afschaffing van alle fiscale voordelen van sp.a, tot vrij milde voorstellen van Open Vld. De CD&V zweeft daar, zoals gewoonlijk, middenin met een gecompliceerd dada-voorstel . Let wel! Geen enkele Waalse politieke partij diende een voorstel in. Sinds de heropleving van Charleloi en Standaard, en nadat Georges-Louis Bouchez op 24 april van dit jaar voorzitter werd van FC Francs Borains, ligt het voor de hand dat het Waalse Vivali-luik de voetbalgeldkraan níet zal dichtdraaien.

Hoe eerlijk de ‘eerlijke fiscaliteit’ wordt, hoe zwaar de voetballobby zal wegen en hoezeer de Waalse politieke druk zal prevaleren, zal de toekomst uitwijzen. Ik ben alvast zeer benieuwd welke partijen hun kar zullen keren en hoe snel ze dat zullen doen.

Ignace Vandewalle :Ignace Vandewalle (1966) was kabinetsmedewerker van minister Marc Verwilghen en staatssecretaris Vincent Van Quickenborne, parlementair medewerker van Boudewijn Bouckaert en Jean-Marie Dedecker. Sinds 2014 is hij zaakvoerder van het onafhankelijk politiek adviesbureau BFELT.