Grondwetsherziening loopt voor de tweede keer vast

Omer Vanaudenhove

Twee jaar na de beëdiging van de rooms-rode regering-Eyskens (18 juni 1968) en bijna een jaar nadat de grondwetsherziening was vastgelopen (3 juli 1969), leek de vervanging van het unitaire België door  ‘vernieuwde staatsstructuren waarin de gemeenschappen en de gewesten hun plaats innemen’ eindelijk vaart te nemen. Op 21 juni 1970 kreeg eerste minister Gaston Eyskens (CVP) evenwel een koude douche over zich: de Volksunie besliste niet langer deel te nemen aan het grondwetsherzieningsproces, omdat de Vlamingen volgens de partij te weinig autonomie kregen en te veel toegevingen deden.

Verdeelde PVV

Om voor de aanpassing van de grondwet aan de vereiste parlementaire tweederdemeerderheid te komen, had Eyskens tot dan toe op soms de steun van de Volksunie, dan weer die van de PVV gerekend. Voortaan was hij uitsluitend op de medewerking van de liberalen aangewezen. Een prettig vooruitzicht was dat niet, want de ‘blauwe’ partij was diep verdeeld. Op haar congres van 20-21 maart 1970 over Eyskens’ nieuwe staatshervormingsvoorstellen waren al grondige tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen naar boven gekomen, en sindsdien waren die verder aangescherpt.

In het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van 11 oktober 1970 stelden vooral de Brusselse Franstalige liberalen zich almaar onverzoenlijker op. In hun nek voelden zij de hete adem van het FDF, ze stonden onder druk van de extreem-francofone en anti-Vlaamse pers, inzonderheid de krant Le Soir en het weekblad Pourquoi Pas?, en ze werden opgejaagd door een Fransdol Comité du salut public. Op initiatief van dat Comité betoogden op 25 juni 1970 ruim tienduizend Brusselaars tegen de ‘carcan’ die, door de begrenzing tot de negentien gemeenten, rond de Brusselse agglomeratie zou worden gelegd.

Overigens verhoogde in die periode ook de Vlaamsgezinde druk op de CVP, in onder meer kritische commentaarartikelen van Manu Ruys in De Standaard en met een ‘waarschuwingsbetoging’ van de Vlaamse Volksbeweging (VVB) op 27 juni 1970. Zo’n 3500 flaminganten verzamelden op de Antwerpse Groenplaats om tegen de ‘supergrendels’ te protesteren en volwaardige cultuurautonomie te eisen, inclusief fiscale bevoegdheid.

Stemmen kopen

In afwezigheid van de Volksunie besprak de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 23 en 24 juni 1970 enkele grondwetsbepalingen, zonder er evenwel over te stemmen.

Op 25 juni keurden de Kamerleden een wijziging van de artikelen 110 en 113 goed, waardoor de nieuw op te richten agglomeraties en federaties van gemeenten fiscale bevoegdheid zouden kunnen krijgen. Om de nodige stemmen van de PVV-fractie te ‘kopen’, had de regeringsmeerderheid (CVP-PSC-BSP/PSB) de bepaling dat ook de nieuw te vormen gewesten belastingen zouden kunnen heffen uit het herzieningsontwerp gehaald.

Geen aanwezigheidsquorum

Vervolgens begon de stemming over het nieuwe grondwetsartikel 108ter, dat het statuut van de Brusselse agglomeratie regelde. Om een vergissing in de door de commissie goedgekeurde tekst recht te zetten, diende de regering een ‘technisch’ amendement in. Vóór de stemming daarover verlieten het FDF-RW, de communisten, de meeste Franstalige liberalen en enkele Franstalige socialisten de vergaderzaal. Daardoor namen maar 140 van de 212 Kamerleden aan de stemming deel, twee te weinig om geldig te kunnen stemmen (om een bepaling in de grondwet te wijzigen, moet ten minste twee derde van de volksvertegenwoordigers aanwezig zijn en moet ten minste twee derde van de aanwezigen ‘ja’ stemmen).

De daaropvolgende dagen werd geprobeerd de hele liberale fractie alsnog achter de herzieningsvoorstellen te krijgen, maar bij een nieuwe stemming over artikel 108ter, op 1 juli, waren er vier Kamerleden te weinig om het aanwezigheidsquorum te bereiken. De grondwetsherziening was voor de tweede keer vastgelopen.

‘125bis’ ingetrokken

Op 2 juli kwam de Senaat bijeen om wetsontwerp 125 te behandelen, dat eerder door de Kamer was goedgekeurd. Het regelde de planning en economische decentralisatie, met onder meer de oprichting van drie gewestelijke economische raden (niet te verwarren met de latere drie gewestraden), en stond in die zin los van de grondwetsherziening.

Knelpunt was het werkingsgebied van de Brusselse gewestelijke economische raad: enkel de negentien gemeenten, zoals de Vlamingen wilden, of met ten minste de zes randgemeenten erbij, zoals veel Franstaligen eisten. De regering had de kwestie ‘opgelost’ – in feite voor zich uit geschoven – door een afzonderlijk wetsontwerp in te dienen, ‘125bis’ genoemd, en daarin te verwijzen naar de door de grondwet in te voeren vier taalgebieden. Doordat het de bedoeling was de zes randgemeenten bij het Nederlandse taalgebied onder te brengen, zouden ze in het werkingsgebied van de gewestelijke economische raad voor Vlaanderen vallen, en niet de Brusselse.  In die zin stond ‘125bis’ niet los van de grondwetsherziening.

Omdat het, na de tweede blokkering in de Kamer, niet zeker was of de regering de grondwetsherziening tot een goed einde zou kunnen brengen en de vier taalgebieden er zouden komen, besliste de regering wetsontwerp ‘125bis’ in te trekken en het werkingsgebied van de gewestelijke economische raden – en dus het knelpunt van de zes randgemeenten – bij koninklijk besluit te regelen. De Senaat keurde het in die zin geamendeerde wetsontwerp 125 goed en stuurde het terug naar de Kamer.

Ultimatum

Opmerkelijk was dat de PSC-fractie tegen het regeringsamendement had gestemd, maar het ontwerp in zijn geheel wel had goedgekeurd. De partij nam geen genoegen met de afbakening van de werkingsgebieden bij koninklijk besluit, omdat die later eveneens bij koninklijk besluit gewijzigd zou kunnen worden. Daarom stelde de PSC een ultimatum: indien Eyskens tegen eind augustus niet kon garanderen dat het aanwezigheidsquorum in de Kamer gehaald zou worden, moest hij ofwel de regeringscoalitie uitbreiden met de liberalen ofwel met zijn hele regering aftreden.

Omdat PVV-senator Omer Vanaudenhove in het debat had laten uitschijnen dat zijn partij toch nog bereid was mee te werken aan de grondwetsherziening, had de premier in de ochtend van 3 juli een gesprek met hem en met de liberale partijvoorzitter, Pierre Descamps. Afgesproken werd dat Eyskens tijdens de namiddagzitting van de Kamer, die over het door de Senaat geamendeerde wetsontwerp 125 zou stemmen, de meerderheid en de oppositie zou oproepen de grondwetsherziening vlot te trekken.

‘Ultiem voorstel’

Nadat de Kamer (over wetsontwerp 125 had gestemd, nam Eyskens het woord. Hij begon met een overzicht van de inspanningen die de regering had gedaan en van de onderdelen van het grondwetsherzieningsprogramma die de Senaat al had aangenomen. Vervolgens riep hij de Kamerleden, zowel die van de meerderheid als van de oppositie, op hetzelfde te doen en de grondwetsbepalingen goed te keuren ‘pour faire une Belgique nouvelle, pour faire de la Belgique un État communautaire’, met uitzondering van artikel 23 over het taalgebruik, waar de Franstalige liberalen zich tegen verzetten. Ten slotte zei hij dat de volksvertegenwoordigers die op zijn ‘ultiem voorstel’ zouden ingaan, er zich en hun partij ‘bien entendu’ toe verbonden later ook de overige communautaire grondwetsartikelen goed te keuren.

Na een schorsing van de vergadering wezen de Waalse en Frans-Brusselse liberalen,  het FDF-RW, de communisten en de Volksunie (die de vergadering wel bijwoonde omdat de grondwetsherziening niet op de agenda stond) Eyskens’ voorstel af. De grondwetsherziening zat nog steeds muurvast. De vergadering werd gesloten, de Kamer ging met zomerreces.

Respijt tot half november

De senatoren van hun kant kwamen op 7 juli bijeen om de grondwetsartikelen 110 en 113 te wijzigen (fiscale bevoegdheid van agglomeraties en federaties van gemeenten). Vooraleer ook zij met reces gingen, zei Eyskens dat zijn regering vastbesloten was haar inspanningen voort te zetten om de grondwetsherziening tot een goed einde te brengen. Omdat er geen tegenvoorstellen waren die op een tweederdemeerderheid konden rekenen, in het bijzonder voor Brussel en het randgebied, handhaafde ze haar voorstellen. Tijdens het parlementair reces zou ze onderzoeken hoe het grondwettelijke quorum kon worden bereikt.

De regering werkte tot eind juli voort. Op 24 juli kwam de ministerraad een laatste keer bijeen. De PSC zwakte haar ultimatum af en ging ermee akkoord dat de wet over de planning en economische decentralisatie deels op 1 augustus en deels (onder meer wat de werkingsgebieden betreft) op 15 november zou ingaan. Dat betekende dat de regering respijt kreeg tot half november, dus na de gemeenteraadsverkiezingen van 11 oktober, om een regeling voor de zes randgemeenten te treffen.

 

Mark Deweerdt :Mark Deweerdt (1952) was journalist bij De Standaard en De Financieel-Ekonomische Tijd/De Tijd, en schreef als kabinetsmedewerker toespraken en teksten voor Yves Leterme, Kris Peeters, Herman Van Rompuy en Geert Bourgeois.