Multicultuur, Multicultuur & samenleven

Halal-maaltijden in de kantine van de universiteit

In haar vaste column in De Morgen (9/5/2017) applaudisseert studente in de toegepaste economie Yasmien Naciri voor de baas van de Antwerpse Universiteit omdat hij naar haar zeggen gehoorzaamt aan de wet van vraag en aanbod. Rector Van Goethem had namelijk voorgesteld om halalmaaltijden aan te bieden in de kantine – zodat gekleurde studenten er zich meer thuis zouden voelen.

Die laatste zin bevat de fout die Vlaamse rectoren samen met Naciri maakten: de aula’s zouden te wit zijn, te weinig gekleurd en van die vaststelling onmiddellijk overgegaan op het religieuze thema en omgekeerd. Alsof niet-blanken allemaal mohammedaan zouden zijn en er in België geen blanke mohammedanen waren. Vooraleer ik inga op de kern van wat Naciri zegt, wil ik deze vergissing even bespreken.

Het zou van racisme getuigen om ervan uit te gaan dat in groepen met een andere huidskleur niet evenveel intelligentie en vernuft aanwezig zou zijn als in het blanke, autochtone ras. In die zin zou je mogen verwachten dat de aula inderdaad meer gekleurd is en dat er met name meer (Noord-)Afrikaanse en Turkse studenten aanwezig zouden zijn. De vaststelling dat dit niet het geval is, zou aanleiding kunnen geven tot een studie over de oorzaken. Als er dan oneigenlijke mechanismen aan het werk blijken te zijn, kunnen we die uitschakelen. We zijn immers niet racistisch, en zijn er allen bij gebaat dat de meest intelligente mensen universitaire studies aanvatten en voltooien, zodat onze welvaart toeneemt. Oneigenlijke mechanismen zijn mechanismen die niet selecteren op de beoogde criteria, als daar zijn intellectuele capaciteiten en ambitie om zich academische kennis eigen te maken. Selectie op basis van geslacht, seksuele voorkeur, lengte, achternaam, ras of huisnummer deugt dus niet. We worden daar allen slechter van. Religie heb ik niet genoemd in dat rijtje – die komt aan bod in de bespreking van de tekst van Naciri.

Tot zover het aanbod: de rectoren zien dat de studentenpopulatie te blank is, en één van hen stelt naast andere maatregelen ook het aanbieden van halalmaaltijden voor.

Naciri, die als De Morgen-opiniemaakster de vraag vertegenwoordigt, applaudisseert. Zij meent dat de rector zo verlicht is zich naar de wet van vraag en aanbod te voegen, en het baart haar zorgen dat “tot op de dag van vandaag heel wat burgers weigeren in te zien dat er zoiets bestaat als de wet van vraag en aanbod”.
Als de rector zich naar enige wetmatigheid plooit, dan is het evenwel niet de genoemde. In de economie verwijst ‘de wet van vraag en aanbod’ naar een ietwat abstracte wiskundige voorstelling van zaken over de vorming van prijzen op competitieve markten. De wet zegt dat de prijs van een goed daar deugdelijk tot stand zal komen, waar de gevraagde en aangeboden hoeveelheden gelijk zijn.
Naciri doet nu alsof de rector gehoorzaamt aan een eis van de redelijkheid, een economisch inzicht, terwijl vele medeburgers moedwillig blijven.
Naciri doet in één keer ook alsof het om een economisch goed zou gaan. Een halalmaaltijd is weliswaar ook een economisch goed, voedsel, maar het is vooral een ideologisch construct van godsdienstige aard, en dus geen doordeweeks goed op een competitieve markt. “Halalvoedsel” is een radicaal concept, en het staat op gespannen voet met onze westerse inzichten. Wie meent dat halalvoedsel zich laat kenmerken door de afwezigheid van varkensvlees en alcohol, zoals vegetarisch voedsel zich onderscheidt door de afwezigheid van vlees, is dermate onwetend dat hij zich blootstelt aan het verwijt van islamofobie. Het rundsvlees, bijvoorbeeld, moet afkomstig zijn van dieren die op mohammedaanse wijze zijn geslacht, dus met de kop naar Mekka en wel door een mohammedaanse slachter die bepaalde religieuze formules reciteert. Rundsvlees dat een andere richting uitkeek of door een christelijke slager werd behandeld, is niet halal. In de westerse rationaliteit zijn precies dat oneigenlijke criteria: de religieuze overtuiging van de slager en de windrichting waarin slachtvee staat te kijken. Dat zijn, om het mild te zeggen, middeleeuwse ideeën. In de westerse rationaliteit zijn proceshygiëne, gezondheid van het dier, chemische samenstelling van het vlees enzovoort, de criteria om goed van onrein voedsel te onderscheiden.

Nu is de instelling die belast is met het bewaken, toepassen en uitbreiden van die rationaliteit precies de universiteit. Halalmaaltijden aanbieden om studenten te lokken staat dus haaks op de aard en de missie van de universiteit. Men lonkt naar een doelgroep die zich op de universiteit niet thuis voelt als hij daar zijn middeleeuwse begoochelingen over toegelaten voedsel en dieetleer niet kan laten gelden. Terwijl zij daar, en in het middelbaar onderwijs al hadden moeten leren dat deugdelijk voedsel een zaak van biochemie en microbiologie is. De rector lokt een doelgroep die zich de westerse wetenschap wil eigen maken, maar aan tafel vlees weigert dat niet afkomstig is van een moslimslachter. Een merkwaardige spreidstand.
Als de pastafari’s morgen zouden geloven dat ze zich zouden thuis voelen op de universiteitsbanken, op voorwaarde dat  die zijn gemaakt uit hout van bomen die enkel door pastafari’s zijn omgehakt onder het aanroepen van het Spaghettimonster, dan kan men hun zucht naar universitaire wetenschap niet ernstig nemen. Als de studentenpopulatie een toenemende vraag naar astrologische voorspellingen zou vertonen, zou het even dwaas van de rector zijn om tijdens de lunchpauze sterrenwichelaars te doen opdraven om de studenten tevreden te stemmen en ze van andere universiteiten af te snoepen.
Er is een verschil met broodjeszaken of zelfs bedrijfskantines die in halal voorzien. De rector verloochent de essentie van de universiteit om zijn instelling populair te maken bij dragers van een gedachtengoed dat op elementair niveau anti-academisch is.

De wetmatigheid waar Naciri aan denkt, is niet die van vraag en aanbod. Veeleer is het de sociale wet van de sterkste, waar zij aan denkt. Want zij schrijft ook: “Gelukkig zijn er nog realistische burgers die op de hoogte zijn van de diversiteit achter de schoolbanken … en er dus al van uitgaan dat het aanbod uiteindelijk zal antwoorden op de groeiende vraag.” Het is inderdaad zo dat het mohammedaanse bevolkingssegment sterk groeit. Maar de idee dat toenemende scholing schoon schip zou maken met restanten van mythisch denken komt niet bij de schrijfster op.

Haar achtergrondidee komt neer op onderwerping door de domme macht van het ongeschoolde getal. Naciri besluit dan ook dat “over één ding geen discussie mogelijk is. Als de vraag bij de studenten leeft, is het toevoegen van een halalaanbod het enige juiste antwoord”. Dat baart mij ernstige zorgen. We leven niet samen met gezond verstand, maar met religieuze waanbeelden.
Daar moet zelfs Van Goethem beducht voor zijn, want “Als de vraag bij de studenten leeft, is het installeren van een mohammedaanse co-rector het enige juiste antwoord.”

Naciri vecht in haar column voortdurend voor de groei van haar religieuze ideeën en praktijken. Dat is haar goed recht en het kan geen kwaad: als je moeite doet om haar retoriek te doorprikken kan je het best oneens zijn, zelfs als zij denkt dat er “geen discussie mogelijk” is.
Met het gedrag van Van Goethem heb ik meer problemen. Als burger besef ik dat zijn geste ongeoorloofde discriminatie op de arbeidsmarkt van de slagers veronderstelt. Als universitair vind ik zijn gebaar bijzonder onethisch en onwaardig. Want hij verleent academisch verwerpelijk gedachtengoed de toegang tot de campus en zet de poort van de universiteit open voor verdere introductie van oneigenlijke en kwalijke criteria. Naciri staat in dezelfde column immers al klaar met de volgende eis, namelijk dat er ook “een divers lerarenkorps komt”. Ze suggereert tussen de regels dat er naast docenten die bekwaam westerse wetenschap doceren, ook religieus goedgekeurde sprekers moeten komen.

Het fenomeen dat allochtonen er disproportioneel zelden in slagen om een universitair diploma te halen en vervolgens ook nog eens in aanmerking te komen voor een academische carrière, heeft niets te maken met ras of met racisme. Het laat zich allicht gedeeltelijk, maar beter verklaren door de geesteshouding van mohammedanen. Tel daarbij de taalachterstand op van kinderen die thuis geen Nederlands horen of lezen en de allochtone kennisachterstand is al beter verklaard. Daarnaast speelt ook dat kinderen uit de lagere sociale klassen überhaupt ondervertegenwoordigd zijn in de populatie van wetenschappers. Aan deze drie oorzaken kan worden gewerkt, maar dan met medewerking van de betrokkenen. De lat in het onderwijs lager of de aard van onze instellingen corrumperen, komt neer op een vorm van onderwerping die de welvaart van de autochtone en allochtone bevolking in gevaar brengt en die onze samenlevingsvorm ondergraaft.

 

Jos Leys is doctor in de wijsbegeerte, doet vrijwillig onderzoek naar kennis en ethiek van financieel gedrag (CEVI, UGent).

foto ©reporters

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]