Binnenland

Het Brussel-verhaal van Van Parijs

Philippe Van Parijs is niet de eerste de beste. Deze doctor in de filosofie is professor aan de UCL en Harvard en een intellectuele veelvraat. De zeventalige polyglot stond onder meer aan de wieg van de Paviagroep, die hij stichtte met Kris Deschouwer en ijvert voor een unitaire kieskring in België. Van Parijs is een actief deelnemer aan het maatschappelijke debat – ook in Vlaanderen – en mag zeker beschouwd worden als een van de invloedrijkste public intellectuals in Franstalig België.

Zondag 16 juni organiseerde een aantal Antwerpse Marnixringen een studiedag over het idee van de Brussels Metropolitan Region (BMR), oorspronkelijk ontstaan bij de werkgeversorganisaties van de drie gewesten. Het idee kreeg een politieke uitvoering in het Vlinderakkoord van de regering di Rupo in de hoofdstedelijke gemeenschap Brussel. Ik mocht daarover zondag in debat treden met Philippe Van Parijs. Zijn denkbeelden over Brussel horen in Vlaanderen ruime bekendheid te krijgen.

Als Philippe Van Parijs spreekt voor expats, buitenlandse werknemers van EU, Navo en dergelijke, dan stelt hij hen drie vragen. Eén: zal Europa Brussel ooit verlaten? Twee: zal België ooit barsten? Drie: zal Brussel ooit uitbreiden wat grondgebied betreft? Wie drie keer ‘neen’ antwoordt, werkt de lijst volgens Van Parijs feilloos af.

Drieledig Brussel

Dat de Europese Unie, want die instelling wordt bedoeld met het woord ‘Europa’, in Brussel blijft, is voor Van Parijs positief en een belangrijk element om een duidelijke Brussel-visie uit te werken. Het is een goede zaak omdat het statuut zoveel economische bedrijvigheid meebrengt. (Van Parijs ging wel akkoord met mijn tegenwerping dat een stad zich dan ook naar zo’n statuut ‘gaat zetten’ en er als het ware de vorm van overneemt. Voor een stad is zo’n statuut van EU-hoofdstad vooral onmisbaar omdat het dat statuut heeft en er zich als het ware aan verslaaft.)

Van Parijs stelt vast dat Brussel vandaag sociologisch eigenlijk uit elkaar valt in drie min-of-meer even grote delen. Eén derde zijn buitenlanders die nooit Belgen zullen worden. Het gaat hierbij over EU-burgers, Amerikanen, welstellende Aziaten enzovoort. Een ander derde wordt gevormd door Belgen van recente buitenlandse afkomst. Het laatste derde bestaat uit autochtone Belgen. Tien jaar geleden gebruikte 50% van de Brusselaars thuis alleen Frans, nu is dat nog 30% (en zo’n 5% Nederlandstalig). Anders- en meertaligen vormen de meerderheid.  

Van Parijs besluit daar uit dat een tweeledige visie op Brussel, de stad van Vlamingen en Franstaligen (laat staan Walen), volkomen achterhaald is. Hij ziet verrassende verbindingen ontstaan. Zo hebben Brusselaars van Turkse of Marokkaanse afkomst meer contact met Vlamingen met diezelfde wortels dan met Walen, omdat er minder wonen in Wallonië. Hij ziet hierin zelfs een bron voor meer Nederlandstaligheid in Brussel.

België zal evenmin verdwijnen en ‘ons allemaal overleven’, zoals hij de zaal voorhield. Het is zowaar de Vlaamse Beweging die hem in die stelling bevestigt. ‘Vlaanderen kan en zal niet met Brussel vertrekken én Vlaanderen wil niet zonder Brussel vertrekken. Dan rest er maar één besluit: de prijs voor Vlaamse onafhankelijkheid wil Vlaanderen – terecht volgens mij – niet betalen en dus blijft België bestaan.’ Van Parijs stelt het even rustig als met heimelijk genoegen vast.

(Bijna) geen uitbreiding van Brussel

Brussel zal in dat nog-lang-zal-het-leven-België wel moeten wennen aan de huidige begrenzing, want daar komt toch geen verandering in, meent hij. Van Parijs maakt toch een uitzondering voor de zes faciliteitengemeenten. Hij bleef er wat vaag over maar hield de piste van de aanhechting van de zes aan de negentien nadrukkelijk open. Na die uitbreiding is hij overtuigd een aanhanger van een strik territorialiteitsbeginsel. Van Parijs noemt bijvoorbeeld de splitsing van de Leuvense universiteit ‘de beste beslissing die in dit land ooit werd genomen’. Dat hij verbonden is aan de UCL in Louvain-la-Neuve, de locomotief van economisch en intellectueel Wallonië, speelt daarbij zeker een rol.

Voor urban economists is die begrenzing van Brussel volgens Van Parijs dan weer een aanfluiting. Volgens hun logica loopt het economisch-sociaal-urbanistisch gebied Brussel ver voorbij die formele gewest-grenzen en zou de optimale omvang van het Brussels gewest zo ongeveer het oude Brabant omvatten.

Politiek is de optimale omvang van Brussel echter wel degelijk die van de ‘19’ (+6?). Elke poging om daar verandering in te brengen, stuit op een radicaal neen, weet de filosoof. Vlaams-Brabant is de rijkste provincie van Vlaanderen; Waals-Brabant de rijkste van Wallonië. Uiteraard, zo besluit hij, geven die twee gewesten hun groeipool niet af. Van Parijs deed de opvallende bewering dat niemand in Franstalig België nog de uitbreiding van Brussel naar het ‘natuurlijke hinterland’ claimt. (Met enkele citaten van onder meer Joëlle Milquet en de MR heb ik aangegeven dat die eis misschien subtieler geformuleerd wordt maar niet verdwenen is.)

Brussel zal dus niet (veel) uitbreiden maar kent de volgende jaren wel een grote bevolkingsgroei, dubbel zo groot als die van de andere gewesten. Van Parijs wijst er op dat het hoofdstedelijk gewest amper 0,5% van het Belgische grondgebied omvat. Die bevolkingsgroei zal leiden tot migraties, uiteraard ook naar Vlaams-Brabant. De vraag, zo zegt Van Parijs, luidt of die mensen voldoende Nederlands spreken. Daarom pleit hij voor meertalig onderwijs, waartoe hij trouwens op 28 september het Marnixplan lanceert dat inzet op zogenaamd immersieonderwijs, met meerdere onderwijstalen. Voor Van Parijs hoort Engels daar nadrukkelijk bij, al horen vele Franstaligen dat voorstel niet zo graag.

Niet zonder transfers

Brussel, zo gaat Van Parijs verder, zal nooit kunnen overleven zonder permanente transfers uit de rest van het land (momenteel is dat uiteraard Vlaanderen, stellen we vast). Maar de andere gewesten krijgen voor die transfer ook veel terug, vindt hij. Veel armere mensen – ook inwijkelingen – komen banen zoeken in Brussel en verdwijnen weer uit die stad wanneer ze welstellend zijn geworden; veel jonge mensen blijven na studies of omwille van hun eerste baan in Brussel kleven maar vertrekken weer wanneer ze kinderen krijgen; steeds meer rijke Brusselaars zijn Europese ambtenaren of diplomaten en die betalen geen of weinig belastingen. Brussel vangt dus mensen op tijdens hun arme jaren in hun leven of mensen die niet voor directe inkomsten voor de overheid zorgen. Van Parijs vindt het logisch dat de rest van het land daarvoor financieel tussenbeide komt.

Om over Brussel deugdelijk na te denken, suggereert Van Parijs twee ankerpunten. Hij raadt aan naar het buitenland te kijken en ziet in Berlijn en Wenen goede voorbeelden. Beide zijn deelstaten helemaal omringd door een grotere (in oppervlakte) deelstaat. Een poging via referendum om Berlijn te fusioneren met het omringende Brandenburg mislukte. De inwoners van Brandenburg zeiden ‘nein’. Maar Berlijn, net zoals Wenen, werkt wel op vele terreinen nauw samen met de buurdeelstaat.

Daarnaast moet rekening gehouden worden met het zogenaamde subsidiariteitsbeginsel, waarbij wat dichtbij kan worden gedaan ook beter dichtbij wordt aangepakt. Van Parijs vertaalt dat in de Brusselse context als volgt: het is logisch dat Halle of Vilvoorde meer inspraak verdienen in Brussel dan Luik of Kortrijk. Evenzeer is het logisch dat Brussel nauwer betrokken is met Vlaams-Brabant dan met Limburg of Namen. Van Parijs’ strikte afwijzing van de uitbreiding van Brussel wordt zo en stoemelings toch weer op de agenda gezet.

Van Parijs beklemtoont de nood aan coördinatie en overleg tussen het gewest Brussel en wat dan het hinterland moet heten. In juli 2012 richtte het parlement de Hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel op in uitvoering van de zesde staatshervorming. In het Frans heet die vreemd genoeg communauté metropolitaine de Bruxelles, volgens Van Parijs omdat de Franstaligen alleen Frankrijk als referentiepunt kennen en dan denken aan Rijsel of Lyon, waar ook de term metropolitaine wordt gebruikt. Die nieuwe instelling zou volgens Van Parijs dienst kunnen doen als platform voor dat overleg.

(En dan wordt het natuurlijk wel meer dan de lege doos die ze nu volgens de Vlaamse regeringspartijen eigenlijk is en toch een middel tot ‘désenclavement’ van Brussel, zoals Joëlle Milquet triomfantelijk uitriep na het afsluiten van de Vlinderakkoorden; Le Soir, 19 augustus 2011.)

<Vindt u dit artikel informatief? Misschien is het dan ook een goed idee om ons te steunen. Klik hier.>

Peter De Roover

Peter De Roover was achtereenvolgens algemeen voorzitter en politiek secreteris van de Vlaamse Volksbeweging , chef politiek van Doorbraak en nu fractievoorzitter voor de N-VA in de Kamer.

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Peter De Roover?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans