Geschiedenis
repressie
P

Het ‘foute’ meisje en de geit




De septemberdagen van 1944 werden niet alleen gekenmerkt door beelden van uitzinnige feestvierende massa’s en Tommy’s die op elke straathoek werden gekust, maar ook door de straatterreur, de wilde repressie tegen échte en vermeende collaborateurs. Ik besef dat ik in de val van de ongenuanceerde veralgemening trap, maar na vier jaar van bezetting moest de opgekropte woede en haat een uitlaatklep krijgen. Groepen gewapende weerstanders maakten jacht op collaborateurs met in hun kielzog het gepeupel dat deze kans aangreep om naar…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

De septemberdagen van 1944 werden niet alleen gekenmerkt door beelden van uitzinnige feestvierende massa’s en Tommy’s die op elke straathoek werden gekust, maar ook door de straatterreur, de wilde repressie tegen échte en vermeende collaborateurs.

Ik besef dat ik in de val van de ongenuanceerde veralgemening trap, maar na vier jaar van bezetting moest de opgekropte woede en haat een uitlaatklep krijgen. Groepen gewapende weerstanders maakten jacht op collaborateurs met in hun kielzog het gepeupel dat deze kans aangreep om naar hartenlust te plunderen, oude rekeningen te vereffenen of gewoon even ‘de beest uit te hangen’. Antwerpen, dat in de sluikpers van het verzet al heel lang – overigens niet ten onrechte – als ‘hoofdstad van de collaboratie’werd afgeschilderd, ontsprong niet aan het brute geweld van de Grote Dans van de Wraak… Willekeurige en onwettige arrestaties, het onder grote belangstelling kaalscheren van meisjes en vrouwen, het molesteren, martelen en verkrachten van verdachten, schijnexecuties… Je kon het zo gek niet bedenken of het gebeurde in de eerste weken van september 1944 in de metropool.

4 september

Er werd in de namiddag van 4 september 1944 nog volop in de stad geschoten toen de hele inboedel van het Vlaams Huis Malpertuus tegenover de Opera vakkundig aan stukken werd gehakt en uit de ramen op de kasseien van de Frankrijklei – toen de Kunstenlei – gegooid. Dit gebeurde natuurlijk ook net om de hoek van de straat, in het aanwervingsbureel voor de Waffen SS, op de De Keyserlei. Maar ook het aanwervingslokaal voor de Vlaamse Wacht op de hoek van het Kipdorp en de Leysstraat en het hoofdkwartier van de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen in de Nerviërsstraat moesten eraan geloven net zoals tientallen privéwoningen van vermeende en échte collaborateurs. Dit was onder meer het geval met het huis van de naar Duitsland gevluchte schepen en historicus Rob Van Roosbroeck (Algemeene SS Vlaanderen), de laatste oorlogsburgemeester Jan Timmermans (VNV) en de woning annex kantoor van advocaat René Lagrou, één van de oprichters van de Algemeene SS Vlaanderen.

repressieStadsarchief Antwerpen, www.felixarchief.be

Het geplunderde Vlaams Huis Malpertuus, rechttegenover de Opera in Antwerpen.

Leeuwenkooien

Een minder fraaie pagina in het bevrijdingsverhaal van de Scheldestad vormde het opsluiten van gevangen in de dierentuin. Volgens verschillende geallieerde bronnen zou kolonel Ivor Reeves, de commandant van het 4e bataljon King’s Shropshire Light Infantryzich geen raad hebben geweten met de ruim 2000 krijgsgevangenen die zijn mannen op 4 september in de stad en de haven hadden gemaakt. Zijn rechtstreekse bevelhebber, brigadegeneraal John Bryan Churcher, zou hem opdracht hebben gegeven om een grote zaal of bioscoop te zoeken en hen daar voor de nacht in op te sluiten maar Reeves beweerde – overigens geheel ten onrechte – dat die er niet waren maar dat er wél een ommuurde dierentuin in het stadscentrum was met verlaten, maar nog steeds van stevige tralies voorziene kooien. Het duurde dan ook niet lang voor de eerste Duitsers in de berenkuilen en de kooien van de gevaarlijke roofdieren werden opgesloten. In de loop van de nacht groeide het aantal gevangenen tot bijna 4.000. Nog voor de middag van 6 september beval Churcher dat ze de stad uit moesten en marcheerden ze naar het Fort van Breendonk. Nog geen twee maanden later kreeg Churcher vanuit Londen vragen over zijn optreden. Via het Internationale Rode Kruis was er immers een officiële Duitse klacht geformuleerd omdat de Britten door het opsluiten van de gevangenen in de Dierentuin de Conventie van Genève hadden geschonden.

De Duitse krijgsgevangenen waren echter niet de enigen die in de Antwerpse dierentuin achter de tralies terechtkwamen. Honderden echte collaborateurs die niet naar Duitsland waren gevlucht, maar ook totaal onschuldige Sinjoren werden – zonder aanhoudingsbevel – opgepakt, mishandeld en in de ‘zolozjie’ opgesloten. Patrick Delaforce, een soldaat in het 151e Field Regiment/Ayrshire Yeomanrybezocht de dierentuin: ‘Twee leuk uitziende Belgische meisjes checkten de nieuw aangekomenen in. Elke kooi bevatte een andere categorie van gevangenen: mannelijke collaborateurs, vrouwelijke collaborateurs, belangrijke Belgische verraders, Duitse onderofficieren en Duitse officieren.’ Toen een andere Britse militair,Allan Moorehead deze plek bezocht, vergeleek hij het met het Colosseum in Rome ten tijde van Caligula: ‘Een grote massa troepte samen voor de ingang, belust op een lynchpartij. ‘Deze hier,’ zei een Belgische officier die de boel blijkbaar runde, wijzend naar de Duitsers ‘zullen we overdragen aan de Britse autoriteiten.’ ‘En deze’, zei hij, met een gestrekte vinger richting collaborateurs, ‘Zullen vanavond, na een fair proces, worden geëxecuteerd’…

Herman Geerts beschreef in zijn boek Verhalen van mijn vader hoe zijn vader Ferdinand, de politiecommissaris van Borgerhout en zijn zestienjarige broer Karel in de Zoo werden opgesloten:‘Samen met vele anderen werden mijn vader en broer naar de Dierentuin gedreven terwijl duizenden patriotten haag vormen. Buiten wat stampen en stoten met de geweerkolf ontlast zich de “spontane volkswoede”hoofdzakelijk in getier, gevloek en dreigement. In de Dierentuin wordt hier en daar een zwarte uit de hoop gehaald en afgetroefd. Mijn vader en broer worden samen met een dozijn lotgenoten in een panterkooi gestoken; ruim is ’t er niet, maar men zit er voorlopig veilig. Als de nacht valt wringt mijn vader zich in ’t legerhok van de panter, neemt mijn zestienjarige broer beschermend in de armen en valt in slaap: de slaap der rechtvaardigen. De volgende dag worden een paar zwarten vermoord. Een dronkenlap, verkleed in Bels hoger officier en met rond zich wat zatte wijven, de charmes gehuld in Amerikaanse en Engelse vlaggen, komt voor de panterkooi in ’t Frans staan tieren van jodenvervolgers, moordenaars, verraders. Mijn vader windt zich op. Traître, moi!”roept hij, A l’Yser, pendant quatre ans j’ai trainé dans la boue, monsieur!!!De zattekul druipt af. Belze militairen en weerstanders leiden twee Engelse officieren rond in Dierentuin en tonen fier hun buit. De Britten zijn zichtbaar gegeneerd. De derde dag zijn plots alle helden verdwenen. Gendarmen trekken de wacht op in de Dierentuin.’

De laatste van incivisme verdachte burgers werden pas na twee weken uit de dierentuin verwijderd. Toen kwam er pas een einde aan deze bijzondere vorm van repressie. Door plaatsgebrek in de gevangenis van de Begijnenstraat kwamen de meesten van hen van de regen in de drup terecht en werden ze opgesloten in geïmproviseerde interneringscentra waar de gewapende weerstand, overigens zonder noemenswaardige controle van de rijkswacht, politie of gerechtelijke instanties, de plak zwaaide. De belangrijkste van deze centra in het Antwerpse waren de geniekazerne in Berchem, de Sint-Bernardusabdij in Hemiksem en de feestzaal Harmonie aan de Mechelsesteenweg. Eén van de jongsten die in deze laatste locatie werden geïnterneerd was de zestienjarige Hugo Schiltz, de latere minister van Staat was een broer van een oostfronter en zelf vendeljongen in de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV).

Meisje met de geit

Vrijwel niemand in Antwerpen weet dat een van de meest idyllische beelden in het Antwerpse stadsbeeld een rechtstreekse link heeft met de blinde terreur van de straatrepressie, zij het dan wel 1.000 km van Antwerpen… Het gaat over het Meisje met geit van de Franse beeldhouwer Marcel Courbier. Een brons dat we kunnen terugvinden in een plantsoen aan de Louiza-Marialei aan de zijde van de Rubenslei. Niemand kan vermoeden welke oorlogstragiek achter dit bucolische tafereeltje schuilgaat. Courbier maakte dit brons in 1925 in zijn geboortestad Nîmes als een voorstudie voor een stenen beeld dat bestemd was voor de verfraaiing van de 18de-eeuwse ‘Jardins de la Fontaine’ in Nîmes. Het beeld werd door de Franse regeringscommissaris geselecteerd voor de prestigieuze Wereldtentoonstelling die in 1930 in Antwerpen plaatsvond. Meisje met geit vormde één van de blikvangers in het Salon d’honneur in het modernistische Franse paviljoen. Na afloop van de tentoonstelling werd dit bronzen beeld door het stadsbestuur van Parijs aan de stad Antwerpen geschonken, die het in 1932 in dit plantsoen plaatste, aan de rand van het Stadspark.

Het originele beeld in Nîmes zou niet ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog komen. Zowel in 1942 als in 1944 werd het zwaar toegetakeld door ‘onbekenden’. Het werd kort na de bevrijding uit het park verwijderd en in een stedelijk depot opgeslagen waaruit het later in nooit opgehelderde omstandigheden ‘verdween’. Dit vandalisme en de ‘verdwijning’ had wellicht met de reputatie van het meisje te maken dat model had gestaan voor het beeld. De knappe, zeventienjarige Marcelle Battu was in 1925 in één klap een lokale bekendheid geworden in Nîmes nadat ze voor Courbier had geposeerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de inmiddels met ene Albert Polge gehuwde Marcelle wat al té vriendschappelijk omgegaan met een hoge Duitse officier. Een relatie die in de naoorlogse pers als ‘collaboration horizontale’ werd omschreven. Tot overmaat van ramp werd haar echtgenoot verdacht van het verstrekken van inlichtingen aan de Milice, de paramilitaire vleugel van het collaborerende Vichy-regime en aan de Duitse Sicherheitspolizeidie zou hebben geleid tot de aanhouding van verschillende landgenoten. Het stel werd op 30 augustus 1944 niet bepaald zachtzinnig aangehouden door de partizanen van de Franc-tireurs et Partisans (FTP), een door de communistische partij geleide gewapende verzetsgroepering. De kaalgeschoren en gemolesteerde Marcelle werd triomfantelijk door de straten van Nîmes geleid voor ze in de gevangenis belandde.

Vuurpeleton

De FTP voerden, nadat de laatste Duitsers in de laatste week van augustus 1944 Nîmes hadden verlaten, een waar schrikbewind in de stad en de omgeving. Alleen al door de FTP-groep van de beruchte commandant Boulestin werden in de volgende dagen minstens 34 van collaboratie verdachte personen zonder enige vorm van proces publiek terechtgesteld. De partizanen stelden hun eigen krijgsraden in. In totaal werden in de volgende weken 909 verdachten veroordeeld door de verschillende geïmproviseerde rechtbanken in het departement Gard. 343 Van hen kregen de doodsstraf. Onder hen was Marcelle die op 23 september 1944 na een twijfelachtig proces, dat door meer dan duizend toeschouwers werd bijgewoond, veroordeeld werd tot de dood met de kogel. Amper een week later, op 3 oktober 1944 om 7.00 uur, werd Marcelle terechtgesteld door een vuurpeloton in het Maison Centrale de Détention van Nîmes, een grimmige gevangenis in een oud Vaubanfort. Luidens de persberichten verminkten omstaanders haar lijk voor het kon gekist worden…

repressieJan Huijbrechts

Het meisje met de geit aan de rand van het Antwerpse Stadspark.

De beeldhouwer Marcel Corbier volgde tijdens de oorlog een heel ander parcours dan zijn model. Hij was al voor de oorlog goed bevriend met de latere verzetsheld Jean Moulin en raakte tijdens de Tweede Wereldoorlog nauw betrokken bij het Franse maquis. Hij hielp een aantal verzetsmensen onderduiken en was actief bij het inwinnen en doorspelen van inlichtingen aan de geallieerden. Na de oorlog, toen zijn vriend Jean Moulin tot een Franse nationale held was uitgegroeid, wijdde Corbier twee monumentale beeldengroepen aan hem.

 

Meer lezen over Antwerpen 40-45 en de bevrijding van de stad? Jan Huijbrechts publiceerde hierover zopas een boek, verkrijgbaar in de webwinkel van Doorbraak.

Jan Huijbrechts

Jan Huijbrechts is master cultuurwetenschappen. Hij publiceerde alternatieve stadsgidsen en over de Eerste Wereldoorlog, Frontbeweging, Vlaams-nationalisme en Antwerpen tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.