fbpx


Cultuur

Het lot van de hele wereld

Dagboekaantekeningen (36)


»Wachet auf«, ruft uns die Stimme (BWV 140)

Zondagavond 6 december Om 8:33 bereikt mij een mail van de dichter Koenraad Goudeseune: ‘Beste Benno, Via onze gemeenschappelijke vriend Geraard stuur ik je deze mail. Ik heb niet lang meer. In december krijg ik euthanasie, ik heb een agressieve darmkanker die me op enkele maanden tijd heeft herleid tot een hoopje ellende. De pijn is onder controle en ik voel me niet bitter of zo. Ik ben blij dat ik een milde dood tegemoet kan gaan. Ik wou je…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zondagavond 6 december

Om 8:33 bereikt mij een mail van de dichter Koenraad Goudeseune:

‘Beste Benno,

Via onze gemeenschappelijke vriend Geraard stuur ik je deze mail. Ik heb niet lang meer. In december krijg ik euthanasie, ik heb een agressieve darmkanker die me op enkele maanden tijd heeft herleid tot een hoopje ellende. De pijn is onder controle en ik voel me niet bitter of zo. Ik ben blij dat ik een milde dood tegemoet kan gaan. Ik wou je nog zeggen dat ik altijd naar je ben blijven opkijken en vind dat je een indrukwekkend oeuvre hebt geschreven. Ik heb veel van je geleerd en ben je blijven lezen, je geestige, onderhoudende dagboeken, je chique poëzie. Als ik zelf iets had geschreven, wou ik je het altijd tonen, als aan een grote broer. Want dat was je, dat ben je. Ik hoop dat ook dat gevoel komt bovendrijven als ik je gedachten kruis. Het ga je goed, Benno. Ik had je graag.

LAATSTE WOORDEN

In wolken sigarenrook wil ik ze zeggen, gesticulerend als een don,
mijn laatste woorden, het absolute einde van wat ik in mijn leven
zei. In de wierook van de libertijn, uitnodigend, niet overdreven bang
dat wat ik met spot versnijd hol gaat klinken plots, verward

en in tegenspraak met wat ik eerder vond. Een allerlaatste
gooi naar licht, een gebaar slechts aan hem gegeven wiens doodsklok
ruim op voorhand luidt, zodat wat gezegd als slotakkoord gewikt, gewogen
en naar welluidendheid getoetst kan worden. Een glansprestatie

van een stervende, maar ook een vent die van een Davidoff hield
op tijd en stond. En dat het laatste wat ik zeg dan nog een tijdje traag,
trager dan voorheen, tussen hemel en aarde zweven mag, doorschenen

met wat zonlicht, bij voorkeur ‘s avonds, als de wereld zich sowieso
te slapen nederlegt en het licht vanzelf wel uit zal gaan, het vuur
gedoofd, de woorden stil en schoon en dansend stof mij meeneemt naar.

Koenraad’

Wat zijn dit nu voor obscene woorden? O mes, wat doe je in mijn hart? Verschrikkelijke lofprijzing vanaf een sterfbed…
Korte anamnese van onze vriendschap.
Hij was een vriend van me, maar daarvoor een bewonderaar, iemand die me dikwijls in het openbaar bejubelde. Omgekeerd vond ik – gevleid als een hond die vaak geaaid wordt – hem een getalenteerd dichter, iemand die aanmoediging en een uitgever verdiende. De literaire salon, die opiumkit van de schrijver, ontraadde ik hem, maar de beide eerste artikelen bezorgde ik hem met plezier.
Toen, misschien tien jaar geleden, brak hij zonder opgaaf van redenen ineens met me, een typische schrijversgril: plotseling verander je van geallieerde in de wolf van Roodkapje en in het beste geval krijg je als verklaring dat je de grootmoeder van je kersverse vijand hebt opgevreten. Hij schreef een paar nare en onware dingen (nooit over mijn werk); daarna daalde de stilte neer tussen ons. Tot nu.
Maar is nu al straks? De datum van de door Geraard doorgestuurde mail is 28 november. Heeft de menslievende moord al plaatsgegrepen?

Maandagavond

Joost belt: zijn moeder is al weken dood, er is een kaart voor haar gemaakt, hij vroeg zich af waarom ik niets van me liet horen, maar de kaart is nooit aangekomen (dat lot was ook de eerste druk van Nabokovs Speak, Memory beschoren, door Peter voor mijn verjaardag bij een antiquaar besteld). Ik haal een paar herinneringen aan zijn moeder op, een boterhamsmerende aanwezigheid in mijn vroege leven, een aardige, zorgzame vrouw, maar ik hield meer van zijn vader.
We praten verder – we praten als ouwe kerels op een bankje over onze kindertijd, we turen door een omgekeerde telescoop naar ons Rozendaal, dat daar in de jaren zestig almaar verder weg komt te liggen, dat in fysieke zin nog wel grotendeels bestaat, zijn huis, mijn huis, Peters huis, de Torckschool, het kasteel, het winkeltje, de smidse, de kleermakerij… de stenen zijn nog net zo op elkaar gestapeld, maar alle ouders zijn gestorven, alle bedrijfjes opgedoekt, in de school is iets vreselijks als een gemeenschapscentrum gehuisvest, de hiërarchie is afgeschaft en de oude baron, de oude meneer Willy, al bij leven een anatomisch preparaat, is nog het doodst van iedereen. Er is geen ander Rozendaal dan het inwendige – de ziel is geweken uit elk interieur: in plaats van het kasteelpark zijn de zeden verwilderd, en het adellijke lustslot met de verveloze luiken en de half ingestorte oranjerie is dermate gerestaureerd dat de oude meneer Willy zelfs geen zin heeft er nog te komen spoken.
Kortom, ik lul maar door tegenover Joost, die ik af en toe hoor glimlachen.
En dan moet ik opeens denken aan de foto’s die zijn vader me liet zijn, een jaar of wat geleden, toen de oude Charles en Alie nog ‘goed’ waren, nog niet gedementeerd: foto’s genomen in 1963, op de Rozendaalse hei, in een zandverstuiving: Joost en ik die een wit petje dragen en een korte broek en ik ook al een brilletje met een te ernstig montuur – het zijn kleurenfoto’s maar de kleuren zijn aan het vervagen, Joost en ik zijn aan het vervagen, alsof de geschiedenis bezig is gewijzigd te worden en wij allebei moeten verdwijnen, zoals Marty McFly in Back to the Future
Nutteloze nostalgie, behaaglijke modder, wij zijn je gewillige varkens.

Dinsdag 8

Aan tafel in de pastorie droeg hij soms gedichten voor: hij droeg voor zoals de vuurspuwer vuur spuwde en de degenslikker degens slikte op een dorpskermis van lang geleden. Ik herinner me hoe bij een gedicht van Lucebert in tranen uitbarstte. Ik was nog jong. Ik zei: ‘Papa, waarom huil je nu?’
Mijn moeder droeg de borden met een verlegen gezicht naar de keuken, mijn zus keek met wijd opengesperde ogen naar het raam, dat de avondlijke tuin inlijstte; hij, de grondlegger van mijn leven – vingerkootjes, spieren en pezen onder de verstrakkende huid van zijn rechterhand lieten het boek naar het tafelkleed zakken, waar het servet ongemakkelijk zijn zilveren servetring zocht, die mat glansde bij het olielamplicht dat mijn ouders boven elektriciteit verkozen – hij dus zei: ‘Omdat het zo prachtig is…’
De katoenen wiek in de lamp scheidt haar roet af, die aan de binnenkant van het groene glas een rokerig dessin maakt; verborgen in de kastanje heft de houtduif zijn serenade voor geen enkele duivin in het bijzonder aan, de slaapverwekkende amfibrachys waarin mijn moeder ‘mijn liefje’ hoort; het dorp schikt zich onderdanig rond het voorouderlijk kasteel van baron Willy van Pallandt, die zijn vrouw goedenacht kust op haar blanke voorhoofd, waarachter de herinneringen aan de dagen dat zij voor de ouders van haar man werkte als bleke schaduwen rondwaren: twintig jaar geleden was de enige uitweg uit het personeelstekort een promotie van het laatste dienstmeisje – een knap ding, daar niet van – tot barones. Soms zoekt ze naar zichzelf op het verschoten Chinese behangsel tussen de afbeeldingen van ruïnes, vogels en takken: zit ze daar niet op een schommel?
Of nee, hij was geen kermisklant of acrobaat, mijn vader was een magiër, die zijn volksheid doormidden zaagde en als een heer zijn hoed voor haar afnam wanneer ze nog in leven bleek (dit is de kortste samenvatting van zijn maatschappelijke visie). Hij, zoon van een failliete barbier, getrouwd met een rijkeluisdochter, adviseerde me bij de opbouw van mijn eigen bibliotheek, die ik vulde met de boeken die hij me gaf of aanbeval. Als hij tijdens onze zomers in Engeland mensen Nederlands hoorde spreken, in de trein (wij hadden geen auto), de pub of waar dan ook, moesten we een Nederlands boek op een zichtbare plek neerleggen, zodat die mensen onmiddellijk zouden weten dat we hen konden verstaan.

In bed (op reis door het koninkrijk van de denkbeelden)

Heb ik werkelijk heimwee naar vroeger? Maar ik geloof niet in de gangbare opvatting van de tijd als een successie van seconden, net zomin als mijn reisgenoot Vladimir. Ik vouw mijn vliegende tapijtje op, terug van mijn tocht, maar altijd op zo’n manier dat een deel van het patroon op een ander komt te liggen. ‘Tijd’ zoals u dat bedoelt is een getalsymbool of een of ander aspect van de ruimte.
‘Ik verzin het niet,’ mompelt de ene kabbalist tegen de andere.
‘Maar je formuleert het.’

Woensdag 9 december

Koenraad. Ik salueer voor zijn heldhaftigheid. De voorbije nacht stuurde hij me nog een aantal gedichten en besloot met de mededeling dat hij er straks om half twaalf niet meer zou zijn.
Hij had zich die laatste weken omringd met Bijbelvertalingen en Bach – hij die zichzelf ongelovig noemde. Het huiveringwekkende mysterie mens.
‘En toen gaf hij me al zijn Bijbels mee, de Instituten van Calvijn, Karl Barth en zelfs acht delen Mysterium Salutis. In een prachtige Statenvertaling zit ik nu al een hele ochtend te bladeren,’ schrijft Geraard me.

Donderdag

Het krantje. Ik vouw het open. Zodra ik begin te lezen, maakt Orwell schampere opmerkingen, zoals dat je om goed te kunnen denken meesterschap over de taal nodig hebt, anders zullen anderen wel voor jou denken. Vandaag lees ik dat de aanhang van Donald Trump uit ‘witte anglosaxistische protestanten’ bestaat. Dat is een anglicisme, ontsproten aan een ideologie, gevolgd door iets vies, dat ik met mijn schoenpunt opzijschuif.
Moedertaaltje van me, jij arme ziel, je bent in handen van de pers gevallen!

Vrijdag

Nog dertig pagina’s Effi Briest. Zoals haast altijd bij die beroemde romans uit de negentiende eeuw (deze dateert van 1895) was het enige wat mijn belangstelling wekte de sociologische werkelijkheid. De heldin trouwt op zeventienjarige leeftijd, krijgt een kind, heeft een affaire met een majoor; zes jaar later ontdekt de veel oudere echtgenoot – een hoge ambtenaar die Bismarck zou mogen tutoyeren als de Pruisen geen klembeet kregen zodra het woord ‘du’ zich in hun mondholte vormt – de oude brieven van de minnaar; hij doodt hem in een duel, verstoot de moeder en zorgt dat ze haar dochtertje niet meer te zien krijgt. Haar ouders willen Effi pas na drie jaar weer in genade aannemen. Dit alles mag rekenen op instemming van de maatschappij. Eer is mijn vorm van trouw. Gelukkig zijn nog niet alle bankiers Joods. God zegene het Germanendom. Dit alles is thans makkelijk aan te merken als protonazistisch, wat het echter pas geworden is doordat het nazisme erop volgde.
O tempora. Al zijn de mores thans niet minder onverkwikkelijk. Mogelijk leven wij in een volgende protototalitaire fase van de geschiedenis. Effi verliest haar kind en wij knikken naar elkaar, vanuit een gezonde feministische reflex, dat dit een schande is. Zeker! Maar in de krant lees ik dat bedenkingen bij abortus enkel vanuit fanatisme en mysogynie kunnen worden verklaard. Het is best denkbaar dat iemand tegen abortus is vanuit fanatisme en misogynie, maar die bewering is niet meer waard dan de bewering dat abortus enkel verklaarbaar is vanuit fanatisme en foetussenhaat.
Ik ben niet per se tegen abortus gekant, maar is niet iedere abortus een drama, waarbij een levensvorm sterft? De nieuwe Ierse abortuswet werd gevierd alsof Fyllis een verjaarspartijtje gaf op de brede rug van Aristoteles. Waarom zou je als vrouw iedere waardigheid afwijzen en je als een aapje van de feministische orthodoxie gedragen?
Een kortstondige relatie van mijzelf eindigde jaren geleden in een abortus. Ik moet niet te veel zeggen over een kwestie die allereerst vrouwen aanbelangt.

Later

Anna is als verloren driejarige opgevangen in een weeshuis van Moeder Teresa – dat besje was fel tegen abortus gekant. Ondraaglijk de gedachte dat mijn kind niet door de dood maar door een dokter was weggehaald.

Dinsdag 15 december

De P.C. Hooftprijs is gewonnen door Alfred Schaffer. Vervelend genoeg is de onvermijdelijke implicatie dat ik hem niet gewonnen heb. Met de gedichten van de laureaat ben ik niet vertrouwd – mijn bezwaren tegen de gang van zaken zijn misschien gegrom bij engelenzang.

Donderdag 17

In de kunst bestaat geen zevende gebod.
Stel dat je zoals de spin alles uit jezelf moet halen! Je kunstwerk zou even origineel als plakkerig zijn en je reet zou zeer doen van het erin kruipen. Denk aan de fabel: je kunt beter op de bij lijken, die honing produceert met wat zij steelt van duizend bloemen. Shakespeare en Goethe hadden dat al door, en Homerus ongetwijfeld ook.
Ik zou zo zeggen dat je als dichter of prozaïst hele zuilen met uitgebeitelde kapitelen weg mag slepen, mits je daarvan maar een schitterende tempel bouwt.

Vrijdag 18 december

Vandaag is Anna vier jaar dood. Terwijl ik zit te wachten op God die zich openbaart, bestuurt zijn eerste minister, het toeval, dit tranendal.
Als gelovige ben ik een soort transgender, een scepticus die een mantel uit het verleden heeft omgeslagen om warm te blijven. Want voor mij werkt het christendom alleen maar als de vorm de inhoud schept: die mantel verwarmt mijn koude hedendaagse hart. Helaas kan ik het kruis niet zomaar snikkend omhelzen, dat gaat niet meer, het is te laat in onze geschiedenis.

20 december (vierde zondag van advent)

Een nieuwe lockdown is ons deel, maar, eigenaardig, de godsdienstoefening is daarvan uitgezonderd.
Nu is de dienst voorbij en Duncan speelt ‘Wachet auf, ruft uns die Stimme’ en ik zit in de bank en ik denk: de vent op het doksaal heeft het lot van de hele wereld in handen!

Weet u, dat is zo’n gedachte, geen op empirie steunende positivistische gedachte, maar een uit de verbeeldingskracht opwiekende mythische gedachte, of ja, hoe leg ik dat nu uit, en ik zit in de bank met Joy en in de pub met Richard Dawkins, de anglosaxistische empiricus, die zich ergert aan mijn mythische denken, en ik zeg tegen Richard: ‘rustig nu maar,’ zeg ik, ‘ik ben heus wel een atheïst, enfin, ik zou het zijn als ik in niets geloofde, maar weet je, de haas ontbreekt.’
‘De haas?’ zegt Richard.

‘Ja,’ zeg ik, ‘de haas. Om hazenpeper te maken heb je een haas nodig. Om in niets te geloven, heb je niets nodig. Maar dat bestaat niet.’
‘Wann kommst du?’ vraagt Joy.

‘s Avonds

Soms zit de moeder van Joy zonder iets te zeggen in haar stoel en houdt het portret van Anna in haar handen.

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.