fbpx


Cultuur, Geschiedenis

Het Muggeneiland

Dagboekaantekeningen (38)


Griep 1918

Zondag 3 januari Volgens de laatste berichten blijven we tot eind februari opgehokt. Geduldig pluimvee, angstig pluimvee. Buiten waart de vos rond. Maar we vervelen ons niet, want verveling is de onkunstzinnige beoefening van de leegte. De duurdere vormen zijn wellness en meditatie en dergelijke, waarvan de vergrotende trap de levitatie en de overtreffende trap de Boeddha is. Voor dit soort verlichting – niet de soort die uit Parijs komt – heb ik geen aanleg. Wat ik oprecht mis zijn…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zondag 3 januari

Volgens de laatste berichten blijven we tot eind februari opgehokt. Geduldig pluimvee, angstig pluimvee. Buiten waart de vos rond.
Maar we vervelen ons niet, want verveling is de onkunstzinnige beoefening van de leegte. De duurdere vormen zijn wellness en meditatie en dergelijke, waarvan de vergrotende trap de levitatie en de overtreffende trap de Boeddha is. Voor dit soort verlichting – niet de soort die uit Parijs komt – heb ik geen aanleg.

Wat ik oprecht mis zijn mijn zusters kip en mijn broeders haan, met wie ik zo graag al kraaiend en tokkend graantjes pik (ik klink als Gezelle). Ik bedoel tafelen met vrienden. De maaltijd onder enigszins ontwikkelde mensen tendeert immers naar het symposion, het subtiele drinkgelag, waarbij het lichaam wordt gevoed en de geest verrijkt, het hogere met het lagere verzoend: de lampen worden omlaaggedraaid, de ether der welwillendheid vult het eetvertrek, dat ik nu als een schelp tegen mijn oor houd, zodat ik onze vervlogen gesprekken kan opvangen; zoet smaakt de wijn die Bacchus bijschenkt, prikkelend geurt de vrouw aan mijn zijde… en de antropologie glimlacht, zij heeft altijd al gezegd dat de beschaving een aanvang nam bij het gedeelde maal, het bot dat je grommend afstond aan de gebochelde, en dat nu de gestalte heeft aangenomen van tafelmanieren, vrienden die elkaar bedienen, je vrouw die je liefdevol op de hak neemt, het zilver en de knipoogjes van het kaarslicht, waarbij de tafel wordt omgekeerd in de holte van de lepel… is dat nu Jezus of ben ik dronken?

Nee, mijn erfenis is niet Nepalees.

Maandag

In het verleden heb ik meer dan eens Estland bezocht, het schrijvershuis in het dorp Käsmu, gelegen naast dure, tot buitenverblijf gesublimeerde vissershuisjes, elk met een kleine boomgaard als tuin: aan het decor voor een autarkische idylle ontbraken alleen dom gakkende ganzen, blijmoedig knorrende varkens, onbewust van november, en een boerin met een geborduurde hoofddoek.

Telkens wanneer ik dit enigszins onwezenlijke dorp in gedachten voor me zie, zit ik op een grote ronde kei in de ondiepe, kabbelende, zomerse binnenzee, die bedekt is met zilveren lichtschilfers. Ik kijk naar het ijzeren vlechtwerk van de wachttoren die de Russen hebben achtergelaten en die de Esten om een of andere reden niet hebben afgebroken. Het is een beeld van gelukzaligheid, van door de Sovjets gerelativeerde natuurmystiek. Ik lees een pagina op mijn rots, word verblind door het water, inhaleer de sterke geurs van de alomtegenwoordige dennen, laat mijn historisch bewustzijn verpletteren door de toren, die zijn eigenaardige, uit honderden ruiten bestaande schaduw op het strand werpt…

Laat me bij u te biecht gaan. In het schrijvershuis logeerde een aantrekkelijke vrouw, die er met haar noordelijke oogopslag in slaagde mij te verleiden, wat in een bepaalde fase van mijn leven ook niet erg moeilijk was (zonder Joy en Christopher zou ik nu zo’n bromvlieg van een rond het Schrijverschap tollende schrijver zijn, die kutten verzamelde zoals een Indiaan scalpen). Zij stelde voor om samen een dagtochtje te maken naar een eiland in een meer, op een uur van Käsmu.
Zo belandde ik in haar oude Lada op het Muggeneiland. De auto parkeerden we bij een steiger, waar een roeiboot met een touw aan vastgeknoopt was. Ik roeide ons naar het eiland over blak water, waarop regimenten muggen dansten. Het liep tegen de avond. We hadden een plastic zak met voedingswaren bij ons, twee slaapzakken, een campinglamp, toiletartikelen en handdoeken.

Op het eiland, hooguit honderd meter van de oever, stond een uit balken vervaardigde hut, die door een geestverwant van de gebroeders Grimm was gebouwd: hier woonde een kolenbrander of een houthakker met zijn zeven kinderen. Er stond meubilair dat aarzelde of het de transitie van rustiek naar verrot zou volbrengen; we maakten vuur in de stenen haard, prikten vlees op stokjes en sneden brood af – de tafel kraakte erbarmelijk tijdens dit geïmproviseerde diner. We zopen twee flessen wijn leeg.
Ze was aardig. Ze verdiende een minnaar die dol op haar was.
We spreidden de slaapzakken op het dubbele bed uit en ritsten ze aan elkaar vast. De lamp suisde. Rond het bed hing een muggengordijn van wit gaas. We bedreven een armzalig substituut voor de liefde: ik dacht aan thuis en was tot over mijn oren beschaamd. Zelfs de uitvlucht van tijdelijke amoureuze ontoerekeningsvatbaarheid kon ik niet gebruiken, want ik vond haar niet aantrekkelijk, laat staan dat ik verliefd was. Haar borsten en heupen figureerden in een tragikomedie van geilheid en zelfhaat, waar geen held, nauwelijks een hoofdpersoon in voorkwam. Ik kon haar naam niet onthouden. Er waren muggen.

In zekere zin was ik daags nadien – toen zij, onder gekreun van haar claxon, uit Käsmu wegreed – dankbaar voor de kwelling waaraan de muggen mij hadden onderworpen tijdens die nacht van schuld en schaamte. Nu nog herinner ik me hun tortuur, hun zoemen, steken, krabben, in veel meer tergend detail dan de zo gul geschonken tederheid van een aardige Estische vrouw.

Dinsdag

De eerste druk van Radetzkymarsch, gevonden bij een antiquaar in Californië, lag vanmiddag als een lichtende vlek in de gang te wachten, een nog nagloeiend object uit een tijdreismachine, in 1932 naar mij verzonden door de begenadigde dronkenlap Joseph Roth – naar mij, die zo gevoelig ben voor het ding, het dubbel magische voorwerp, geladen met letters en daarna met de statische elektriciteit van gestorven, verstreken tijd. Het stofomslag is gescheurd maar volledig: mijn hand strijkt heel even langs een schimmige hand, een hand die ooit de bladzijden van dit boek heeft omgeslagen, het fluïdum van een hand, die hoorde bij een arm die vastzat aan een naar Amerika gevlucht Duitstalig lichaam… misschien…

‘s Avonds

Joseph Roth, alcoholist, hotelbewoner, bietser, voorste in de rij van alle twintigste-eeuwse schrijvers – mijn held, die met zoveel verve en overtuigingskracht de conservatief nadeed, omdat er niets anders meer te verdedigen viel: het was Habsburg of Hitler.

Er is deze anekdote, mijn lievelingsanekdote van de vele die er over hem bestaan. In een emigrantencafé in Parijs, eind jaren dertig, ontmoet hij zijn communistische vriend Egon Erwin Kisch, bijgenaamd de Vliegende Reporter. Kisch begroet Roth met vrolijke scheldwoorden in deze trant: ‘Wat doe jij hier, jij reactionair stuk Habsburgsgezinde Saujude?’ Roth laat zich ook niet onbetuigd en antwoordt in deze geest: ‘En jij dan, ellendige bolsjewiek, smerige ouwe Jood?’
Daarop drinken de conservatief en de progressief in een toenemend bedrukt stilzwijgen een glas. Ten slotte zegt Roth: ‘Dieser verdammte Hitler hat sogar den Antisemitismus versaut.’
Zet de uitspraak op Facebook en je wordt voor 24 uur geschorst.

Semitisch hoongelach. Het prangende besef te worden omsingeld door geweld. Bestel nog een fles, waaruit de genius van die ouwe Donaumonarchie opstijgt, alvorens als rook boven de tafel te vervluchtigen.

Woensdag 6 januari

Het Capitool is bestormd en tijdelijk bezet. Trump is de speler die niet kan toegeven dat hij bij het kaarten heeft verloren en zijn aapjes geloven hem op zijn woord, omdat ze zelf altijd bij het kaarten verliezen. Onbegrip in Europa voor de Amerikaanse geschiedenis, die er een van revolutie is – daarom ook is het erfelijk materiaal van de Amerikaan ongeschikt om er een behoorlijke conservatief uit samen te stellen.

Op mijn wandeling ontmoet ik John Crook, met wie ik een oncomfortabel wereldbeeld deel – niet alleen ik ontmoet John, Sammie en Roffel herkennen zijn contouren op grote afstand en ijlen naar hem toe, springen op, likken zijn handen. ‘De wezels en hermelijnen hebben dus het Capitool bezet,’ zegt hij opgewekt.
Ik ken zijn code, die stamt uit The Wind in the Willows: wezels en hermelijnen kraken het landhuis van Pad, alvorens door Das, Rat en Mol naar buiten te worden geranseld. Een of andere academische ezel heeft het tafereel uitgelegd als een reactionaire aanval op de zich emanciperende arbeidersklasse. Met academici kun je heel wat aflachen.

Intussen: het volk in het Capitool was niet het volk, het was heel wat anders – het was janhagel, geschoold door het internet, beslagen in de theologie van het geweer.

Donderdag

De griezelige opgeheven hand van de Nancy Pelosi, de magere rode hand van Nancy Pelosi, een hand die zelfstandig wordt en in machtsbesef verandert, knoken die de macht omknellen, rood vel dat de eigenliefde bekleedt… Begrijpt u mij gerust verkeerd, niet het uiterlijk van deze vrouw heeft belang, noch haar gelijk als Voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, dat is mijn punt helemaal niet. Maar het boezemt mij angst in dat die hand, met haar eigenaardigheden, mij angst inboezemt, zonder dat ik daar een aanknopingspunt in de rede voor vind.

Ik vind dat mevrouw Pelosi gelijk heeft. Maar haar hand maakt me bang. (Is het omdat de knokige hand van een tachtigjarige het koor der stemmen dirigeert, de maat zwaait bij steeds dezelfde frasen, die een zijstraat in marcheren en vervolgens weer te voorschijn komen, om zodoende de indruk te wekken dat ze met heel veel zijn?)

Zaterdag 9 januari

Citaat uit u weet wel welke krant: ‘Een Turkse tele-evangelist en islamistische creationist is vandaag veroordeeld tot meer dan duizend jaar cel voor klachten van onder meer kindermisbruik, spionage en georganiseerde misdaad.’

Het kromtrekken van de zin na het woord ‘cel’ even buiten beschouwing gelaten: er loopt dus een journalist bij een ernstig bedoelde krant rond, redelijk opgeleid, kunnende lezen, beschikkende over een diploma blind typen, die opschrijft dat een islamist ook een evangelist kan zijn, aldus het syncretisme naar een voorheen onbereikbaar geacht peil tillend…

Laat u niet afleiden door de herrie in het redactielokaal: dat zijn een paar Griekse zuilen die omvallen. In de hersenpan van iemand daar rennen de losse woorden als bange ratten heen en weer, in totale onzekerheid over hun betekenis, op geen enkel moment bijgestaan door gelispel van historisch besef, door gefluister van algemene ontwikkeling… Het werkelijke, het onoplosbare probleem is het spontane van deze fout. Je mag een dergelijke fout wel opzettelijk maken (namelijk om een ideologisch punt op tafel te leggen), maar nooit spontaan.

Dinsdag 12 januari

In de velden bij Brede Place, halverwege een helling, kom ik Irina tegen, in gezelschap van een jongeman die zij aan mij voorstelt als haar zoon Jesse. Het is als een maagdelijke geboorte, plotseling is Irina zwanger geweest en heeft een zoon gebaard. Hij is opgegroeid in Frankrijk en studeert muziek in Londen, maar houdt tijdens de lockdown zijn moeder gezelschap. Ik weet dat Irina gescheiden is – hoe anachronistisch mijn geest, die zich niettemin verbaast over het ontbreken van een vader! Au fond trek ik nu al jaren mijn wenkbrauwen op over de femininisering van de maatschappij, waarvan ik de voordelen zie en de nadelen ook; de accolades van mijn wenkbrauwen hebben zich schijnbaar voorgoed in mijn voorhoofd genesteld.

We wandelen samen verder, begeleid door de winterregen, omringd door zwangere schapen in hun doorweekte cardigan, die almaar zwaarder wordt, net als zijzelf (en waar is straks de vader van al die lammetjes), de zompige glooiingen waarin onze kaplaarzen wegzinken en zich met een onsmakelijk zuiggeluid weer uit losmaken; toegeschreeuwd door de kraaien, zwarte vlaggen in de kale bomen, die met hun gekras verklaren dat elk groepje van hun soort een murder wordt genoemd door de Engelsen, die immers dol zijn op de betere moord; glanzend natte heggen, meeuwen die hier, zo dicht bij de kust, lege oesterschelpen laten vallen; druipende daken boven eeuwenoude opeenstapelingen van baksteen… de eeuwige, nu doordrenkte ornamenten van dit zo Engelse landschap.

Jesse is precies even oud als Christopher – menige vriend van mij heeft in die generatie kleinkinderen. Peter schuift trager op in het gedrang der geslachten: eergisteren is hij zevenenzestig geworden en zijn enige kleinkind is anderhalf. Wandelend door de geschiedenis verlies ik mijn leeftijdgenoten bijna uit het oog.

Zondag 13 januari 1918

Iemand stuurt me een foto met twee jongedames in een Parijse straat. Het is 1918 en ze dragen een gezichtsmasker om zich te beschermen tegen de Spaanse griep, brede banen stof, bij de een volledig rond haar hoofd gewikkeld, bij de ander bevestigd aan de rand van haar zomerhoed. Heel verstandig – die griep heeft twee van mijn acht overgrootouders geveld. Maar ik heb meer belangstelling voor hun kleding, die nog vooroorlogs is; pas na de pandemie zal Parijs de verrukkelijke gewaden van de onstuimige jaren twintig voortbrengen.

Ze dragen kokerrokken die tot hun enkels reiken; het gebied tussen boezem en hals is terra incognita voor de jonge ontdekkingsreiziger. Maar de beperkingen van mode en ziekte hebben de kleinste van de twee alleen maar sexyer gemaakt – de nood heeft zijn deugd in de koketterie gezocht: de strakke zwarte rok legt zekere accenten, de naakte hand aan de gewaagde blote onderarm drukt een glanzend zwart tasje tegen de linkerheup, de grote zwarte ogen kijken onder de donkere haarplukken en de rand van de hoed opzij… naar mij, naar mij, haar uitverkorene!

Donderdag 14 januari

Nog een pijnlijke bekentenis: ik geloof in spoken. Vanochtend werd dit geloof bevestigd door Gary.

Hij wipte aan, fladderig, babbelziek, beminnelijk – hij bracht een zelfgebakken zuurdesembrood, dat trouwens bijzonder smakelijk is. We stonden bij de keukendeur, hij buiten, Joy en ik op de drempel.

‘Als je thee wil? Ik breek graag de wet voor je,’ zei Joy.
‘Nee, nee, laten we dat maar niet doen. Voor je het weet zijn we in een gerucht onder de wandelaars.’ (Iedereen wandelt momenteel.)

Dan begint hij over de laatste keer dat hij samen met Duncan bij ons op bezoek was, kort voor boer Boris ons opsloot. We zaten aan tafel, aten, kletsten, vierden het bacchanaal van de vriendschap, de eucharistie waarin mens en eten in elkaar overgaan. Na het lamsvlees moest Gary pissen. We hoorden dat hij in de woonkamer even bleef stilstaan, afgeleid door een kussen, een boek, een fotolijstje; bij terugkeer wilde hij iets zeggen, maar het gesprek was net een wending aan het nemen, we begonnen de tekortkomingen en verdiensten van de conservatieve regering te bespreken…

In de woonkamer had hij een man voorbij zien komen. Hij beende van de ene hoek (de deur die toegang geeft tot het halletje en daarachter de eetkamer) naar de hoek daar schuin tegenover (de deur die toegang geeft tot de trap) en was weg. Een man in een flanellen pak, normaal postuur, jaar of veertig, donker haar – de diagonaal die hij beschreef was te kort om meer waar te nemen.

Ik ken Gary goed genoeg om te weten dat een spook verzinnen niet met zijn praatzieke aard overeenstemt. ‘Toen ik terugkwam van de plee wilde ik het vertellen en daarna vergat ik het.’
Een segmentje van het journaal dat de eeuwigheid non-stop uitzendt, in een lus teruggespoeld geraakt en opnieuw afgespeeld.

Zaterdag 16 januari

Buiten regen, nog altijd regen.
Gebeurtenissen spelen zich in ons huis af, vroegere tijden mengen zich door het heden en de hoofdpersonen – Joy en ik – hebben dat maar te accepteren. Ons huis is gebouwd in 1665, het jaar van de Grote Pestepidemie. Vijftien mensengeneraties of meer hebben hier gewoond. Alle vroegere bewoners zijn gestorven, behalve de dokter en zijn vrouw van wie we het huis als bewakers van de geschiedenis hebben overgenomen – voor een lief sommetje overigens, we kochten het privilege hier te mogen wonen. Al die doden zijn een beetje onzichtbaar geworden, behalve wanneer ze even zichtbaar zijn.

Ik overweeg een paar experimenten. Toen het huis gebouwd werd, was de goudvis een betrekkelijk nieuwe mode, zoals de tulp; er zijn verslagen van aristocraten die hun goudvissen in het Latijn toespraken. Ik zou bij ons vijvertje kunnen testen wat de uitwerking van Latijn op het goudvissengemoed van de honderdvijftigste generatie is. In dezelfde periode maakte de introductie van de vork vooral oude heren kwaad, zeggende dat het eten hun niet smaakte als ze het moesten opprikken met een zilveren gaffel. Zou er in het van mijn grootouders geërfde zilveren bestek geen naglans van die ergernis zijn aan te treffen. Misschien, bij het juiste licht…?
Gekheid. Het is lockdown en ik verveel me.

Gisteren klotste het water tegen de achterdeur. Ik stel me voor dat ik met een bootje naar mijn huis zou moeten roeien. Ooit heb ik een middeleeuws huis in de buurt van Cambridge bezocht, waar de rivier achter de tuin bij hevige regenval aan de achtergevel kwam likken.
Ik stel me voor hoe sommigen de entree in ons huis niet als ‘realistisch’ ervaren, niet in de gangbare betekenis. Je stapt wel ‘echt’ een huis binnen, maar je betreedt ook een ‘historisch geladen ruimte’, waar alleen een buitenissig instrument in staat is de ons omringende substantie te meten. Die substantie heet Geschiedenis. Zo’n instrument ben ik zelf. De waarden noem ik Poëzie.

Het huis is een gewijde ruimte, die de grootvaderklok conserveert (zij heeft voor veel generaties geslagen), het gebeente van de kat die bij de bouw is ingemetseld om heksen buiten te houden (de zangvogels betreuren dat het gebruik is afgeschaft), de deuk van al die eerdere derrières in mijn leunstoel bij de haard…

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.