Advertentie
Cultuur
Essay
Essay

Het profitariaat van de erven

De staat als wettelijke erfgenaam?
Exhibition 'Summer Guests' with classic modernist works

De beeldende kunstenaar Pablo Picasso heeft nooit een cent aan de Franse staat betaald. De wettelijke kosten bij de omzet van zijn werken was volgens hem voldoende om de staatskas te spijzen. De Franse staat stuurde hem belastingformulieren, maar hij gooide ze ongeopend in de kachel, met de gedachte ‘Aan de envelop is te zien wat erin zit’.

Geduld

De overheid heeft zich om die daad nooit druk gemaakt. Er was een behoorlijk gevuld atelier. Het was een kwestie van geduld hebben, wachten op diens dood. De overheid had echter buiten de erven gerekend. Zij claimden via het auteursrecht de nagelaten werken. Bij erkend artistiek werk slaat het auteursrecht op een periode van 70 jaar en vangt het op de dag van overlijden aan. Voor Picasso was dat 8 april 1973.

Conflict en compromis

Het heeft enkele jaren geduurd voor het tot een vergelijk kwam. De periode werd mee in de hand gewerkt door de vele vriendinnen, echtgenotes en kinderen. Er was dus niet enkel een conflict tussen de staat en de erven, maar ook tussen de erven onderling. Na heel wat bakkeleien bereikte men een compromis. De Franse staat verwierf zowat de helft van wat in het atelier en de magazijnen van Picasso stond opgeslagen. Het vormde de basis van het Parijse Picassomuseum. Wat restte, daarmee moesten de erven het stellen.

Oslo ten bate

Een soortgelijk verhaal vinden we over de kunstenaar Edvard Munch (1863-1944). Hij heeft evenmin een cent in de kas van Noorwegen gestort. De overheid gaf er geen ruchtbaarheid aan wegens de geestelijke toestand van de kunstenaar. Bovendien was in 1940 via testament bepaald dat al wat zich na Munchs overlijden in het atelier bevond aan Oslo zou toekomen. Wat neerkwam op 1008 schilderijen, 15 391 afdrukken van grafische werken, 4443 aquarellen en tekeningen en 6 beeldhouwwerken. Dat vormt de inhoud van het Munchmuseum van de Noorse hoofdstad. Het kroonjuweel is de vierde van vier versies van zijn beroemdste werk ‘Skrik’ (De Schreeuw). Het origineel uit 1893 hangt in het Nationaal Museum voor Schone Kunsten in Oslo. Even een misverstand opruimen: het is niet de man op het schilderij die schreeuwt. Het is de natuur. Dáárom houdt de man de handen voor de oren.

Waslijst aan conflicten

De erven-James Joyce waren ook niet de gemakkelijkste. Wie nonkel Google bezoekt, vindt een waslijst aan conflicten die langer is dan de Eiffeltoren hoog. Daaraan kunnen we nog wat miserie toevoegen. In 2002 wilde de Amsterdamse uitgeverij Athenaeum de Nederlandse vertaling van ‘Finnegans Wake’ in zijn Gouden Reeks opnemen. Toen eiste zoon Stephen dat zij de oorspronkelijke versie ook zou toevoegen. Op de linkse pagina’s de Engelse, en op de rechtse de Nederlandse. Daarmee was de eis niet rond. De zinnen links en rechts moesten tot op de letter gerespecteerd worden. Was er een woord dat in de Engelse versie bij een regeleinde gesplitst werd, dan diende dat ook in de Nederlandse te gebeuren. Dat maakte de uitgave heel duur, zowel voor de uitgever als voor de koper.

Analfabeten

Het zijn drie typische voorbeelden van hoe het auteursrecht voor problemen kan zorgen. Dat gebeurt niet alleen bij een vertaling of (her)uitgave. Niet zelden hebben erfgenamen getracht om passages die hen niet welgevallig zijn te schrappen. In het geval van Willem Elsschot is dat gelukkig nooit gebeurd. De reden stipte de grote lijmer zelf al aan. In een interview over de genadeloze wijze waarop hij in zijn werk zijn familieleden portretteerde antwoordde hij op de vraag of ze hem dat niet kwalijk namen simpelweg: ‘Mijn familie, mijn familie… dat zijn analfabeten. Die lezen geen boeken!’ De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat een paar erfgenamen wel lazen, maar dan in functie van koppigheid. Bij verfilmingen of toneelversies zei men: ‘Ons voake heeft het zo geschreven, dan moet het ook zo gespeeld [verfilmd] worden!’ Het dwaze verzet kon enkel met een prijsverhoging gesust worden. Eerlijkheid ten top: het oudste kleinkind, Jan Maniewski, beter gekend als Tsjip, heeft zich nooit aan pestgedrag bezondigd.

Moreel gesproken

Die voorbeelden tonen mijns inziens voldoende aan dat erfgenamen eerder een last dan een lust zijn. Maar bij wet hebben zij een stem in het kapittel. Die wet is dringend aan herziening toe. Niet alleen om heibel over uitgave, gebruik of welk artistiek gebied dan ook te vermijden, maar omdat ze er moreel gesproken geen recht op hebben. Het is namelijk niet zo dat men simpelweg door verwantschap langs de kassa mag passeren. Dat de partner (m/v) van de kunstenaar of de auteur gedurende enkele jaren een percentage van de opbrengst incasseert, lijkt me niet meer dan logisch. Hij of zij heeft zijn of haar carrière opgegeven en zonder enige vergoeding zich om de voor de hand liggende dagelijkse zorgen bekommerd. Het mooiste voorbeeld is Alma Mahler. Zij degradeerde haar viool tot een salongarnituur en stortte zich tot zijn dood volledig op de carrière van haar man, de componist Gustav Mahler.

Honger noch dorst

Dat zulke mensen ‘vergoed’ worden voor hun overgave en inzet, daar valt mee te leven. Wat echter niet aanvaardbaar is, is dat ook de kinderen, kleinkinderen en verwanten een som opstrijken. Wat is hun aandeel in het talent van de kunstenaar? Niets, of toch niet zo dat zij er honger en dorst door geleden hebben. Bovendien hebben heel wat nakomelingen dikwijls een kunstwerk van papa, mama, opa, oma, oom of tante gekregen tijdens zijn of haar leven. Een treffend voorbeeld daarvan is Agatha Christie. Zij heeft haar enige kleinkind Matthew de toneelversie van de roman ‘Ten Little Niggers’ geschonken! Vanaf de eerste opvoering in 1943 ging hij met de buit lopen. Dat is aanvaardbaar, want hoewel haar naam onlosmakelijk met het beroemde toneelstuk verbonden is, is hij de eigenaar. Na zijn dood echter moet de staat de eigenaar ervan worden.

Dreigende taal

Het zijn helaas niet enkel de — vaak verre — verwanten die profiteren van de heersende wetgeving. De grote slokoppen zijn de belangenverenigingen. De bekendste in België is Sabam (‘Société anonyme belge des auteurs et musiciens’ ). Op papier is het allemaal koosjer, maar in werkelijkheid is het een instelling die weinig doet voor haar leden en veel voor zichzelf. In heel haar bestaan werd het nooit duidelijk wat er naar de kunstenaar gaat en wat het aandeel van Sabam is. Ze gedraagt zich bovendien als een incassobureau en schuwt niet om te dreigen met processen en deurwaarders. Is er een programma met een aandeel van één lid, dan moet men toch voor het hele programma betalen. Op die manier berekent ze de vergoeding aan de hand van de duur van het programma. Dat levert een enorme winst op, winst die integraal in de portefeuille van Sabam verdwijnt.

Het deksel op de neus

Instellingen zoals Sabam kunnen het de organisator van een cultureel initiatief zeer lastig maken. Uitzonderlijk krijgen ze het deksel op de neus. In 1988 bracht de Haarlemse Toneelschuur ‘Wachten op Godot’ met een vrouwelijke bezetting. Het kwam tot een kortgeding, want volgens de belangenvereniging van auteur Samuel Beckett was het stuk voor vier mannen geschreven. De rechter besloot om voor de uitspraak een dag te wachten. Hij ging die avond naar de voorstelling kijken. ’s Anderendaags was zijn vonnis dat de vrouwelijke bezetting het stuk literair noch theatraal schaadde en dus gespeeld mocht worden. Weliswaar verbood Beckett verdere opvoeringen van zijn stukken in Nederland, maar hij zag in dat zijn belangenvereniging hem fout had ingelicht. Daarop trok hij het verbod kort voor zijn dood weer in.

Werelderfgoed

Er is echter nog een derde reden waarom de wet op het auteursrecht aan herziening toe is. Kunst is een van de vier pijlers van de beschaving. De andere drie zijn wetenschap, economie en politiek. Niet toevallig zijn dat ook de vier pijlers van de Nobelprijzen. Die pijlers zijn niemands eigendom. Daarom moet een kunstwerk werelderfgoed worden wanneer de kunstenaar overleden is. Dat een erfgenaam zijn deel krijgt van wat er op de bank staat en wat de inboedel opbrengt — d’accord, maar daarmee moet het eindigen. Hij of zij mag zelfs een part krijgen van het prijzengeld die de kunstenaar ontvangen heeft. In het geval van Winston Churchill bijvoorbeeld is dat het bedrag verbonden aan de Nobelprijs voor Literatuur (1953). Dat zijn erfgenamen bij elke herdruk van een boek echter nog steeds langs de kassa passeren, is waanzinnig.

Erfgenaam

Kijk, betaalt de burger voor de grond die hij koopt? Ja? Probeer je koopje dan maar eens in te pakken en weg te wezen. Dus neen! Hij betaalt voor het vruchtgebruik. De staat blijft eigenaar van de grond. Hetzelfde geldt voor de nutsvoorzieningen. Betaalt de burger voor water, gas en elektriciteit? Neen! Hij betaalt voor de installaties, de uitbating, het onderhoud en het personeel. Voor het openbaar nut, dus. In geval van een kunstwerk van eender werk genre is het logisch dat de eraan verbonden kosten op rekening komen van de initiatiefnemer of de organiserende instantie. In geval van een boek is dat de uitgever, voor een schilderij de galeriehouder, voor een film de producent. Wil een producent bijvoorbeeld een boek verfilmen, dan moet die een financiële deal aangaan met de staat als wettelijke erfgenaam. De staat geldt als onderdeel van de wereldregering, zijnde de Verenigde Naties. Niet stomtoevallig bestaat de UNESCO, de culturele poot van de VN. In naam van die instelling moet de staat alle werken van een kunstenaar vanaf het moment van zijn of haar overlijden beheren. Hij moet ze ook behoeden voor misbruik en ze vrij laten gebruiken door ieder die dat wil.

Zoiets heet beschaving. Hedendaagse beschaving. De wet op het auteursrecht dateert van 1886 en werd geregeld tijdens de Conventie van Bern. Zij is – in België – voor het laatst herzien in 2014. Aan de grondbeginselen werd echter niet geraakt, waardoor de wet een uitloper blijft van het laatnegentiende-eeuwse kapitalistische systeem. De erfgenamen die geen enkel bijdragen leverden aan het talent en de werken van de kunstenaar spinnen er onterecht garen bij, net als de belangenverenigingen.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans