fbpx


Cultuur

Hoe ik gecanceld werd

Dagboekaantekeningen (58)


meer

Dinsdag 12 november Voor het eerst weer aan de oever van het Meer van Genève: we staan er samen naar te kijken achter het woonkamerraam in Peters appartement. Het strekt zich dramatisch voor ons uit, onder een zwaarbewolkte hemel; soms stort een rusteloze zon ineens een enorme dosis klatergoud op de grauwe watervlakte tussen de Franse oever en Lausanne; nu vaart er een bootje naar Evian-les-Bains… Op de achtergrond het overspanen toneeldoek van de Alpen. Mijn afkeer van bergen maakt…

Premium Artikel

Dit artikel is een premium-artikel dat alleen leesbaar is voor Doorbraak-lezers die ingelogd zijn op doorbraak.be. Registreren is gratis en geeft toegang tot alle premium artikels. Het is mogelijk dat u al de nieuwsbrief ontvangt of dat u al een steuner bent bij Doorbraak, maar dat u nog geen inlogaccount (met wachtwoord) heeft aangemaakt. Als u via sociale media inlogt of hieronder een nieuwe account aanmaakt, dan wordt die account automatisch aangemaakt en aan uw nieuwsbrief gekoppeld.

Al geregistreerd bij Doorbraak of bij een sociaal netwerk? Log dan hieronder in op Doorbraak.be







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Dinsdag 12 november

Voor het eerst weer aan de oever van het Meer van Genève: we staan er samen naar te kijken achter het woonkamerraam in Peters appartement. Het strekt zich dramatisch voor ons uit, onder een zwaarbewolkte hemel; soms stort een rusteloze zon ineens een enorme dosis klatergoud op de grauwe watervlakte tussen de Franse oever en Lausanne; nu vaart er een bootje naar Evian-les-Bains… Op de achtergrond het overspanen toneeldoek van de Alpen. Mijn afkeer van bergen maakt dat ik het uitzicht van mijn vriend alleen objectief mooi vind, het voldoet aan de gangbare esthetische criteria in de categorie ‘landschap’, maar ik weet van mijn eerste bezoek (hij is niet lang voor de pandemie naar deze woning verhuisd) dat mijn romantische appreciatie een heldere hemel nodig heeft, maanlicht dat de besneeuwde toppen accentueert, het graniet van zijn dreiging ontdoet, een metafysische blos op het water legt… zoetigheid uit de school van Caspar David Friedrich.
De flat voelt vertrouwd aan. In een hoek van de woonkamer staat de koffer met de brieven van mijn vader. De bibliotheek – uitgestald in eenvoudige houten kasten – houdt de boze wereld buiten die in haar duizenden boeken wordt beschreven en geïnterpreteerd. Ik breng de nacht in de slaapkamer van mijn gastheer door, die zich op een matras in de woonkamer uitstrekt – ik lig in een bed van walnotenhout uit de dagen van het Seconde Empire, dat door een schrijnwerker met dertig centimeter is verlengd; ik heb er de voorbije nacht naar tevredenheid acht uur in doorgebracht. De badkamer is krap, maar er is een aparte plee en op de toiletrollen staan de geruststellende woorden verträglich, bien toléré en dermocompatibile. Ziehier hoe de drietalige confederatie standhoudt.

’s Avonds

We tafelen – zo mag het wel heten wanneer je disgenoot soms even als een vage expressionistische vlek in het kristal van je wijnglas opdoemt, tussen een dansje van kaarsvlamweerkaatsingen – we tafelen dus in een uitstekend restaurant in de binnenstad, een warm culinair hol, volgestouwd met antiek meubilair, waar niemand om een covidpas vraagt. Vanaf de houten wanden kijken postume hertenogen glazig toe hoe jullie een tournedos van soortgenoot verorberen.
‘Veel gezonder dan koe,’ zegt Peter tevreden smakkend. ‘Voor ons en voor de wereld. Er lopen zoals je weet veel te veel van die beesten rond.’
‘Er zijn natuurlijk kinderen van Rousseau die een traan plengen als je wild eet,’ zeg ik.
‘Die zijn verward in het struikgewas van hun sentiment.’
‘A propos, we kunnen niet de bergen in. Het châlet is beschikbaar, maar het gaat vreselijk hard sneeuwen op die hoogte.’
‘Ah. Jammer.’ Ik huichel. Dat huis wil ik best een keer zien, maar ik verheugde me op wijn en gesprekken, niet op de uitputtende wandelingen door het hooggebergte waar Peter zijn arme hart op trakteert.
Daarna krijgen we het over boeken. Het enige nadeel dat aan mijn voortreffelijke vriend kleeft: hij heeft veel meer gelezen dan ik, vooral in het Frans, en dan speciaal over het Jodendom in Centraal-Europa. Wanneer hij het woord neemt, groeit uit een aanvankelijke opmerking weldra een monoloog; hij is als een reisgids die in Lemberg een steeg inschiet, en dan een volgende steeg, en na gewezen te hebben op een klok met wijzers die tegen de klok in draaien, en op de handkar van een in vodden gehulde ouwe Jood, waarvoor de ganzen gakkend wegvluchten, abrupt een plein met huizen uit de Sezession bereikt in Subotica…
Door hem met ‘Ken je…’ begonnen zinnen gaan steevast, volgens een door geen enkele fysicus ooit beschreven, nimmer haperende natuurwet, over een schrijver van wie ik nooit gehoord heb. Daardoor leer ik veel dat ik ogenblikkelijk weer vergeet, ook nu weer, zoals anders aan de telefoon; maar dikwijls stuurt hij me huiswerk in de vorm van een of ander boek, dat eerst obscuur is, daarna geleidelijk deel gaat uitmaken van mijn interne continent.

Bedenking in bed

Als ik naar Lausanne reis, verblijf ik het grootste deel van de tijd in een verdwenen werkelijkheid. Dat lijkt op – maar is niet hetzelfde als – de ervaring van iemand die naar Brede reist en zijn horloge vijftig jaar moet terugzetten.

Woensdagavond

Etentje bij Charlotte, de middelste van de drie vlasblonde dochters. Ze heeft de kaak van haar vader, minus de baardstoppels, maar die mannelijke trek daagt omgekeerd het manvolk uit: heb je mijn schoonheid wel gezien? Haar gezicht is relatief smal, met grote glimlachende ogen, blauw als een magische vloeistof waarin elke macho verdrinkt
voordat hij als melancholicus herrijst… Ook kan ze een van onevenwichtigheid getuigend kuthumeur hebben. Ze is psychologe.
Haar vriend Bruno is afkomstig uit de Provence, maar heeft een bloedlijn die van Algerije tot Tirol reikt. Een knap verleiderstype met een potlooddun snorretje, in wie tribale driften uit het Atlasgebergte, vermengd met frustraties van Duitstalige Italianen – de ene grootvader, getrouwd met een Berbervrouw, is als pied-noir in Marseille op straat vermoord, de andere grootvader heeft gevochten in de Wehrmacht – onverklaarbaar genoeg zijn uitgemond in een grote zachtmoedigheid. Hij doceert aan de hotelschool.
Ze hebben zich voortgeplant: deze etnische proefneming heeft Hendrika opgeleverd, schattig, ernstig, blond, verlegen, vrijpostig, zoet, stout, een tweejarige microkosmos van adjectieven. Tweetalig – waarbij Nederlands de taal van ‘Apa’ (het klinkt als een hybride van ‘opa’ en ‘aap’) en zijn voormalige vrouw is. Wanneer ze ontdekt dat ook ik deze geheimtaal machtig ben, staart ze geruime tijd met de grote ogen van haar moeder naar me.

De familiegeschiedenis van Bruno slingert tussen het kaasplateau en de wijnglazen door, andere onderwerpen komen ter sprake en de avond wordt almaar genoeglijker. Maar het hoogtepunt, de Mont Blanc van al deze uren, is het moment waarop Hendrika – genealogisch onverschillig – bij het naar bed gaan autonoom besluit ook de vreemde Apa een kus te geven.

Donderdag

We maken een wandeling door de wijngaarden boven het blikkerende meer. De zon lakt de bladeren aan hun stokken met goudverf. Het is visueel onweerstaanbaar, ondanks de dreiging van de paarse bergen in de verte. Voltaire ging ons voor, gevolgd door de hele romantiek, Byron voorop. We debatteren in dit historische decor over de noodzaak van Verlichting en Gevoel.
‘Stel dat je enkel dat laatste kende,’ zegt Peter, terwijl hij met zijn wandelstok een klap tegen een wingerd geeft. ‘Je begon ogenblikkelijk weer de natuur te vergoddelijken.’
‘En daarom tuchtig je nu de wijnbouw?’
We lachen. Dit soort flauwekul gedijt het beste op zestig jaar vriendschap.
We bereiken Cully, waar een zomerterras aan het water nog niet is opgeruimd, een slordige configuratie van stoelen onder bomen, daar waar het land vloeibaar wordt in het beginnende avondblauw, uit dezelfde bleke substantie als het meer begint te bestaan: op deze terra firma van H2O drinken we koffie. De zon zakt definitief weg; we trekken onze kragen op; tussen ons is het kalme stilzwijgen gevuld met hetzelfde besef: dat een positivisme zonder helderzienden (dichters, kunstenaars) de mens reduceert tot een mummie van het niets, bijeengehouden door de zwachtels van de filosofie.

Vrijdag (midden in de nacht)

Ik schiet wakker en kijk op mijn horloge: het zwakke, spookachtige licht van een lamp, zwaaiend aan een boven de straat gespannen draad, wrocht vijf voor drie uit de omringende duisternis; ja, met grote moeite wordt het vijf voor drie… en nu pas word ik me bewust van mijn koppijn, alsof ik die bij dat beklagenswaardige beetje licht opeens zie liggen: een naakte arm, een warrige rest grijs haar, een hoofdpijn… En ik, die vind dat een schrijver in zijn dagboek nooit over migraine, een trekkend been en dergelijke mag klagen, en liever ook niet over de scheuten die door zijn ziel trekken, richt me op en noteer min of meer op de tast, leunend op het nachtkastje, dat ik wakker schiet en op mijn horloge kijk, en covid heb…

Zaterdag

Covid! Een wattenstaafje in mijn neus en de twee streepjes (C en T) bevestigen mijn gevoelsmatige diagnose. Deze arrogante nazaat van de familie Corona – een geslacht van verkoudheden – bezorgt me een ritmisch bonkend hoofd, en af en toe moet ik mijn neus snuiten. Meer is het niet en ik dank de wetenschap voor haar vaccins.
Tot zover het medisch bulletin.

Maandag

Weer thuis. Pub dicht. Kerk dicht. Joy covid: ze is snotterig. We moeten een week binnenblijven en La Peste herlezen.
Onder de tientallen mails die liggen te wachten een van een Engelse vertaler. Hij had mijn gedicht ‘Het pissende vrouwtje’ – geschreven bij de gelijknamige ets van Rembrandt, die een hurkende vrouw onder een boom voorstelt, je ziet haar pis spetteren, een drol ligt op de grond – in een bloemlezing opgenomen:

Het is dringend. Je hurkt aan de voet van een wilg
op je gemak, hop, rokken omhoog, en je zeikt
als een kat in een steeg, blijmoedig neuriënd

dat ondergoed nog niet is uitgevonden. Ik,
die teken om te zien en alles wat ik zie
teken, zie je natuur. Ik, Rembrandt, bemin

(net als Shakespeare en Mozart) het banale
als voorwaarde voor het verhevene, het aardse
van je aars zeg maar, vrouwtje. Nu breekt

in mijn verbeelding het wiel van de koets die een dame
door de landouwen draagt. Eindeloos wachten
op de knecht die hulp is gaan halen. Langzaam begint

de aandrang te zeuren; ze bloost en zijgt, verborgen
door het nodige struweel, als een parachutist
in haar rokken weg; watert, een appelflauwte nabij.

Zo niet jij. Jij pist. Jij bent vrij. Laat een scheet.
Je ziet me wel: je kijkt met welbehagen door mijn ogen
naar je niet door damesschaamte gehinderde

nadrukkelijke spleet, de streepjes van je straal,
je onbeschermde buik waaruit wel tien, twaalf kinderen
gevallen zijn en nu een gouden bolus zakt

op Godes voetenbank… Kom, pak een handvol bladeren,
veeg, sta eindelijk op. Vort, of je wordt nog
een antropomorfe boleet! Vrouwtje toch.

Ik citeer het in extenso, uit ijdelheid, of nee, uit trots, maar vooral om haar nogmaals recht te doen.
Want de uitgever deed haar onrecht. Hij weigerde het gedicht, bang dat het lezers verdrietig zou maken (het woord dat hij gebruikte was ‘offend’). Wat moet ik daar nu op zeggen? Deze mores zijn het resultaat van tempora die zijn afgesneden van de geschiedenis?
‘Geachte uitgever van Oliver Cromwell Editions, u begrijpt niets van kunst en ook niet van mannen en vrouwen. In de geest van Rembrandt schrijf ik met grote tederheid over deze vrouw die al leefde toen mijn huis nog moest worden gebouwd.’

Woensdag

Vreemd aan mijn tijd zie ik alles wat mij dierbaar is verdwijnen. Mijn enige verzet is het schrijven van dit dagboek, de bouw van dit luchtkasteel, met wolken als fundament; deze duizelingwekkende constructie in de leegte, gemaakt van dansend stof.

Bij de thee

Drijft de nostalgie mij? Nee, de geschiedenis.

’s Avonds

Op televisie een Duitse reeks, Ku’damm 56, over de naoorlogse generatie in Berlijn. Met weerzin zie ik de schijnheiligheid van de ouders, de ouwe collaborateurs, die de teloorgang van de vooroorlogse stijldans harder betreuren dan vijftig miljoen doden. En ik roep tegen mijn televisiescherm: ‘O God, geef ons rock ‘n roll, geef ons vrijheid, het ongeremde ik en vrije seks! Weg met de stijldans, weg met het huwelijk, de preutsheid en de verstikking!’

Middernacht

Telefoon van Peter: voor zover bekend heb ik niemand in Lausanne besmet.

Vrijdag

Ik ben een romanticus met een afkeer van vals sentiment – ik herken die karakterstructuur bij Chateaubriand, die misschien later zo in elkaar is gaan zitten, tijdens een jarenlang verblijf als balling in Engeland. Engeland leert ons omgaan met onze tranen.
Dus blijf ik kalm wanneer ik uit een van mijn kartonnen dozen met persoonlijke archeologie een briefje van Anna aan Joy opgraaf. Het dateert van mei 2014:

‘Dear Mom,

Thank you sooooo much for being my mom. If I had a different Mom I would punch her in the face and go find you.’

Ze was vijftien, afwisselend een Madonna en een Gorgon.

Zaterdag

Tandenpoetsen. Of heb ik mijn tanden nu al gepoetst?
Het is de laatste dag van mijn quarantaine en het voorbije fluwelen regime van opsluiting heeft me dit besef ingepeperd: je vergeet zoveel doordat de meeste handelingen herhalingen zijn, die geen enkele verrassing meer behelzen. Morgen is de zoveelste dag die als een spiegel de spiegel van een eerdere dag reflecteert: vanaf een bepaalde leeftijd is je kalender een spiegeling ad infinitum.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.