Cultuur
Essay
Essay

‘Claus wandelt te Nukerke’

Muziekcomposities en liederen van Steef Verwée op teksten van Hugo Claus
Hugo Claus

In Doorbraak van 25 februari 2018 publiceerde ik een artikel over Nee, ik beslis, een toen pas bij Hans Kusters Music verschenen cd met gedichten en liedteksten van Hugo Claus, getoonzet door componist, muzikant en zanger Steef Verwée. Met Claus wandelt te Nukerke bracht Verwée in samenwerking met het gemeentebestuur van Maarkedal – gelegen in de Vlaamse Ardennen, bij Ronse – recent een nieuwe, in eigen beheer uitgegeven cd uit rond de tien jaar geleden overleden schrijver.

Nukerke is een deelgemeente van Maarkedal. Hugo Claus woonde er van 1965 tot 1970 met vrouw en kind in een gerenoveerde, achttiende-eeuwse hoeve op het adres Ten Hole 16 (vandaag Tenhole 3). In die vruchtbare periode schreef en publiceerde hij heel wat werken, waaronder de dichtbundels Heer Everzwijn (1970) en Van horen zeggen (1970), de toneelstukken Vrijdag (1969) en Het leven en de werken van Leopold II (1970), en verder toneelbewerkingen, libretto’s, filmscenario’s, de tekst voor een stripverhaal, gedichten voor bibliofiele uitgaven en twee cinéromans. Claus wandelt te Nukerke bevat naast een cd met gezongen en van instrumentale begeleiding voorziene gedichten van Claus ook een boekje met een wandelroute – een route die start bij het Nukerkse gemeenteschooltje waar Claus’ zoon Thomas (1963) naar school ging, en eindigt bij de hoeve waar Claus vijf jaar woonde.

Vierkantshoeve

Voor Claus en zijn vrouw Elly Overzier in Nukerke terechtkwamen, woonden ze officieel op de Predikherenlei 13 in Gent. Van december 1963 tot maart 1964 verbleef het paar evenwel officieus in Blaricum, een Noord-Hollandse gemeente in de Metropoolregio Amsterdam, waar Claus werkte aan de vertaling van twee toneelstukken en, samen met Fons Rademakers, aan de voorbereiding van een film – drie projecten die uiteindelijk niet van de grond kwamen. Daarna betrok het paar opnieuw hun woning in Gent, in welke stad op 7 oktober 1963 hun zoon Thomas werd geboren. In de loop van 1964 verbleef het gezin Claus in Nukerke een tijdje bij de kunstschilder Maurice Wyckaert (1923-1996), met wie de schrijver bevriend was en die toentertijd in de Maarkedalse deelgemeente woonde en werkte. Het was Wyckaert die Claus attent maakte op een lokale vierkantshoeve die te koop stond. Claus en Overzier kochten de hoeve uit 1720, waar ze in maart 1965 introkken, na grondige verbouwingen die handenvol geld hadden gekost. Dat valt af te lezen uit het onkostenboek dat Claus bijhield en waarvan een bladzijde gereproduceerd is in het boekje bij de cd. Zo kocht de schrijver onder meer voor 10.000 BEF rose marmer en voor 12.300 BEF graniet voor de vloer van de ruime woonkamer.

Het landschap

In maart 1965 voltooide Claus het gedicht ‘Het landschap’ voor Wyckaert, dat de schilder opnam in de gelijknamige, tweetalige catalogus van zijn tentoonstelling in Galerij M.A.S. in Deinze, die plaatsvond van 10 juli tot 15 augustus 1965. Claus publiceerde het door Bert Decorte naar het Frans vertaalde gedicht ook paginagroot in het Nederlandse Elseviers Weekblad van 3 september 1965. De schrijver nam ‘Het landschap’ later niet op in een van zijn reguliere dichtbundels, maar wel – in een sterk gewijzigde versie – in de verzamelbundels Gedichten 1948-1963 (1965), Gedichten 1948-1993 (1994) en Gedichten 1948-2004 (2004).

Met die eerste verzamelbundel is er iets vreemds aan de hand. In de bibliografie van de afzonderlijk verschenen werken van Claus, getiteld Hugo Claus: voor twaalf lezers en een snurkende recensent (2004), staat op pagina 110 bij item 50.1 dat Claus ‘Het landschap’ schreef in 1963-1964. Het gedicht werd nochtans voor het eerst gepubliceerd in Wyckaerts tentoonstellingscatalogus in 1965. Hoe kan het dan deel uitmaken van een verzamelbundel die maar tot 1963 reikt? Eveneens onverklaarbaar is waarom die bundel 1948 als aanvangsjaar heeft, terwijl Claus al in 1947 debuteerde met de bundel Kleine reeks. Strikt gezien had Claus’ eerste verzamelbundel dan ook Gedichten 1947-1965 als titel moeten hebben.

Nukerke in Claus’ werk

Voor velen kwam de verhuis van Claus naar het platteland als een verrassing. Hij die jaren in Parijs en Rome had verbleven, in het zog van zijn vrouw die actrice was en een carrière wilde uitbouwen in de Franse en Italiaanse filmwereld onder de artiestennaam Elly Norden… In een interview met J.H.W. Veenstra voor Vrij Nederland van 29 februari 1964 – Claus woonde toen nog niet eens in zijn hoeve! – zei hij daarover: ‘Nukerke is inderdaad een gehucht, daar is Onze Lieve Heer nog niet voorbij geweest. Het is er een heel merkwaardig leven, bijna middeleeuws. Maar het is daar een ander soort rust dan de kunstmatige rust van het Gooi. [Claus verwijst hier naar zijn periode in Blaricum. Het Gooi is een Nederlandse landstreek in het zuidoosten van de provincie Noord-Holland, waar Blaricum deel van uitmaakt. Nvdr] Het is er gewoon een stukje leven, men doet er wat men er eeuwenlang heeft gedaan. En dat boeit mij wel.’

Nukerke duikt zowel expliciet als impliciet op in het oeuvre van Claus. Expliciet is het gedicht Te Nukerke, opgenomen in Van horen zeggen, een bundel met overwegend spreektalige poëzie. Dit wil zeggen: de titel is ondubbelzinnig. De inhoud is, in tegenstelling tot de meeste andere gedichten in de bundel, eerder hermetisch van aard. Hij verwijst naar een soort dorpsgek (Claus noemt hem in zijn gedicht een ‘idioot’). Het gedicht is ook duidelijk ironisch getoonzet. Anders, eerder gedragen van toon, is het ontroerende gedicht Op Thomas zijn vierde verjaardag, dat eveneens opgenomen is in Van horen zeggen. Ik citeer het hier in zijn geheel: ‘Later, mijn jongetje, word je een man, / later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom. / Men zal je stempelen als bagage. / Men zal je kwetsen om je wens en je droom. / En jij zal trachten eens en voorgoed te fotograferen / het hoe en het waarom van de vrouw / die kantelt in je lakens / die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel. / En nog later, jongetje, wordt / je leven een plakboek. / Maar nog lange niet, nog lange niet.’ (Gedichten 1948-1993, p. 542)

Nog in Van horen zeggen staat het gedicht 1965, waarin Claus een balans opmaakt van het jaar waarin hij zijn Nukerkse hoeve betrok. Het gedicht eindigt met de regels: ‘Het was in het jaar dat ik in een dorp ging wonen / met boeken, een vrouw en een kind / dat groeit / terwijl ik vertel over de tijgers in het Oosten.’ (Gedichten 1948-1993, p. 505)

De zwaardvis

Gebeurtenissen of feiten uit Claus’ privéleven doken vaak pas tientallen jaren later op in zijn oeuvre, al dan niet verdoken. De roman Een zachte vernieling (1988) grijpt bijvoorbeeld terug naar de periode – van 1950 tot 1953 – die Claus in Parijs doorbracht. Cobra-kunstenaars en dichters van de Vijftigers-generatie zoals Karel Appel, Simon Vinkenoog en Hans Andreus spelen er onder fictieve namen een getransformeerde rol in.

Elementen van Claus’ verblijf in Nukerke doken op in de novelle De zwaardvis (1989), die Claus schreef in opdracht van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek ter gelegenheid van de Boekenweek 1989, en die verscheen in een oplage van 540.000 exemplaren. Zo bevond zich vlak bij Claus’ hoeve een bron met drinkbaar water. In De zwaardvis staat een verwijzing naar die bron: ‘Je kunt het plenzen van de bron horen op het terras. Als je er een Coca-Colaflesje onder houdt is het meteen vol. IJskoud water dat gutst in de groenbemoste oude stenen put tussen de bamboestruiken.’ (p. 10)

De zwaardvis is het verhaal van Sibylle Verhegge, haar zoontje Maarten, de aan lager wal geraakte veearts Richard en de dorpsonderwijzer Meester Goossens. Allen wonen in het dorpje Zavelgem, waarin Nukerke gemakkelijk herkenbaar is. Claus entte Sibylle en Maarten op Elly en Thomas. Sibylles echtgenoot Gerard liet haar en hun zoon van de ene dag op de andere in de steek. Ook Claus verliet vrouw en kind in 1970 en trok naar Amsterdam, waar hij een ‘amour fou’ beleefde met de Nederlandse actrice Kitty Courbois – een gegeven dat resulteerde in de succesroman Het jaar van de kreeft (1972). Officieel bleef hij nochtans in het bevolkingsregister van Nukerke ingeschreven tot februari 1973, het jaar waarin Elly en Thomas de hoeve voorgoed verlieten en naar Gent verhuisden.

Golgotha / Goliath

In het interview met J.H.W. Veenstra voor Vrij Nederland liet Claus onder meer de volgende uitspraak optekenen: ‘Nukerke is inderdaad een gehucht, daar is onze Lieve Heer nog niet voorbij geweest’. Vijfentwintig jaar later staat in De zwaardvis: ‘De zakenvrienden dronken whisky op het terras, bewonderden de boomgaard waarna Gerard onvermijdelijk riep: “Hier is Christus nog niet voorbijgekomen.”’ (p. 8) Als lezer vraag je je dan af hoe Claus ertoe kwam die uitspraak een kwarteeuw later bijna woordelijk opnieuw te gebruiken in zijn novelle. Zat hij na al die tijd nog steeds in zijn geheugen opgeslagen?

Een andere anekdote uit Nukerke die in De zwaardvis terug te vinden is, betreft Claus’ zoon Thomas. Omdat Claus en zijn vrouw vrijzinnig waren, wilden ze niet dat Thomas godsdienstonderricht kreeg op school. Daarom brachten ze hem pas naar school als het kwartiertje godsdienst voorbij was. Ook in De zwaardvis mag Maarten de godsdienstlessen niet bijwonen. Desondanks blijkt hij zich thuis zowat als een godsdienstwaanzinnige te gedragen. Zijn ongeneeslijk zieke muzieklerares Juffrouw Dora heeft hem stiekem het boek Jezus, de mens meegegeven ‘dat hij schichtig in het grootste geheim op zijn kamertje leest en bijna uit zijn hoofd kent’ (p. 21). Maarten is zo onder de indruk van het verhaal van Jezus die, gebukt gaand onder zijn kruis en bespot door de omstaanders, onderweg is naar Golgotha (dat Maarten verkeerdelijk uitspreekt als ‘Goliath’), dat hij Richard, die als klusjesman voor Sibylle werkt, opdraagt een kruis voor hem te maken, waarmee hij vervolgens zelf door de tuin en de boomgaard strompelt, in een poging het lijden van Jezus te evenaren. Hier laat Claus’ zich van zijn meest ironische kant zien. Ging het er met Thomas ook werkelijk zo aan toe in Nukerke? Het antwoord op die vraag is voer voor literatuurwetenschappers of voor Claus’ biograaf Mark Schaevers.

Vreemd herkenbaar, vreemd herkend

Over naar de luister-cd, die slechts 19 minuten duurt, vier gezongen en van instrumentale begeleiding voorziene gedichten telt alsook een gereciteerd gedicht. De gedichten hebben in chronologische volgorde de volgende titels: Te Nukerke, Thuis III, Op Thomas’ vierde verjaardag, Oefening 8 (Er is een landschap…) en Molenlandschap-suite. Net als bij de cd Nee, ik beslis is het interessant na te gaan uit welke van Claus’ bundels die gedichten afkomstig zijn.

Omdat de recente cd Claus wandelt te Nukerke als titel heeft, verwacht je dat alle gedichten geschreven en gepubliceerd zijn tijdens Claus’ Nukerkse tijd, dus tussen 1965 en 1970, maar dat is merkwaardig genoeg niet het geval. Zo is het vierde gedicht afkomstig uit Een huis dat tussen nacht en morgen staat (1953), een bundel waaruit Claus en Verwée al rijkelijk putten voor de muziektheaterproducties die ze in de jaren 1970 en 1980 samen realiseerden en waaruit flink wat gedichten voorkomen op de cd Nee, ik beslis. Waarschijnlijk liet Verwée zijn keuze voor ‘Oefening 8’ bepalen door de thematiek van het gedicht, die zowel aansluit bij het gedicht ‘Het landschap’, dat Claus schreef voor Maurice Wyckaert, als bij het landschap waarin Claus’ Nukerkse hoeve gelegen was. Ter illustratie citeer ik hier de tweede strofe van ‘Oefening 8’: ‘Er is een landschap zonder randen / Aan het einde van de lucht, / Zonder randen aan de weiden van de einder, / Vreemd herkenbaar, vreemd herkend.’ (Gedichten 1948-1993, p. 102)

Verschillende landschappen

De gedichten Te Nukerke, ‘Thuis III’en ‘Op Thomas’ vierde verjaardag’ komen alle uit Van horen zeggen (waarin ‘Op Thomas’ vierde verjaardag’ als originele titel ‘Op Thomas zijn vierde verjaardag’ heeft). ‘Molenlandschap-suite’ komt onder die titel in geen van Claus’ bundels voor. Het is gebaseerd op het gedicht ‘Het landschap’, evenwel niet in de versies die opgenomen zijn in Gedichten 1948-1963, Gedichten 1948-1993 en Gedichten 1948-2004, maar op de oorspronkelijke versie in de gelijknamige tentoonstellingscatalogus van Maurice Wyckaert. Die versie blijkt grondig te verschillen van de latere versies in Claus’ voornoemde verzamelbundels. Daarin wordt ‘Het landschap’ als één lang gedicht gepresenteerd. In de tentoonstellingscatalogus daarentegen is het opgedeeld in drie fragmenten, waarbij elk fragment vergezeld gaat van een Franse vertaling door Bert Decorte. Deze versie is op het internet terug te vinden in de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (www.dbnl.org). Van de drie fragmenten waaruit Het landschap bestaat, koos Verwée voor het tweede. De reden waarom het gedicht op de cd Molenlandschap-suite als titel meekreeg, is wellicht te zoeken in de zwart-witfoto op de digifile. Hij laat Claus zien die, met de handen in de zakken en met een zonnebril op, door een Nukerks landschap wandelt, waarbij achter hem een molen te zien is.

Dat er soms meerdere versies van een gedicht van Claus bestaan, is niet ongewoon. Van de schrijver is bekend dat hij, ten behoeve van verzamelbundels, sommige gedichten ingrijpend bewerkte. Een goed voorbeeld daarvan is Te Nukerke. In de versie zoals gepubliceerd in de bundel Van horen zeggen luidt de voorlaatste strofe als volgt: ‘Gebogen onder het zware, zichtbare / van zijn prent, klimt hij blaffend / tussen de takken van een lage boom / waarin de zon op springen staat.’ (p. 53) Voor Gedichten 1969-1978 herwerkte Claus deze strofe zo: ‘Met zijn prent klimt hij blaffend / tussen de takken van een lage boom / waarin de zon op springen staat.’ (p. 161) Deze strofe is merkbaar beter en soberder dan de oorspronkelijke. Van een nog grotere soberheid getuigt de versie in Gedichten 1948-1993: ‘Met zijn playgirl klimt hij blaffend / tussen de takken:’. (p. 534) Het is van deze laatste versie dat Steef Verwée een lied maakte.

Van gedicht naar lied

Omdat Claus’ gedichten nu eenmaal geen liedteksten zijn, zette Verwée ze zo naar zijn hand dat ze het karakter van een lied kregen. Daarbij hield hij steeds rekening met Hugo Claus’ voorwaarden, zoals hij deze destijds met de schrijver heeft besproken, onder meer in functie van de muziektheaterproducties die hij realiseerde op basis van gedichten van Claus. Claus’ voorwaarden waren streng, maar muziektechnisch en metrisch niet onhaalbaar. Zo verbood Claus Verwée om woorden weg te laten uit zijn gedichten of er nieuwe aan toe te voegen. Wel mocht hij een zin, zinsnede of strofe herhalen of eventueel van plaats veranderen, zolang zo’n ingreep maar niet ten koste ging van het karakter van het gedicht. Zo gebruikt Verwée bijvoorbeeld in ‘Te Nukerke’ de laatste strofe als refrein. Maar ook andere strofen in dat gedicht laat hij herhaaldelijk terugkeren. Wie de tekst van het gedicht vergelijkt met die van het lied, zal ook merken dat Verwée hier en daar toch tekstuele aanpassingen deed, zoals het weglaten van lidwoorden. Dat deed hij evenwel steeds in overleg met professor emeritus Georges Wildemeersch – waarschijnlijk de grootste Claus-kenner –, die er streng op toekeek dat Claus’ werk geen onrecht werd aangedaan. Met resultaat: de liederen klinken structureel als liederen en niet als gezongen literaire teksten. Het is bovendien Verwée’s grote verdienste dat hij de vaak moeilijke gedichten van Claus zó weet te fraseren dat ze natuurlijk klinken als hij ze zingt, en dat de muziek die hij erbij componeerde indruk maakt door haar schijnbare eenvoud en door de aantrekkelijke arrangementen.

Een timbre van goud

Alleen al voor Verwée’s stem is de aanschaf van deze cd de moeite waard. Ze pakt de luisteraar meteen moeiteloos in. Verwée’s dictie is daarbij glashelder en zijn timbre van goud. Als hij zingt, ervaar je ogenblikkelijk een warm en intiem gevoel van betrokkenheid. Wat kan je als componist, muzikant en zanger nog meer verlangen? Verwée klaarde de klus nochtans niet alleen. Voor de instrumentale bijdragen zorgden pianist Eddy Aelbrecht en cellist Dankaart Elst. Beiden zijn ook te horen op de cd Nee, ik beslis. En voor de zang deed Verwée een beroep op Françoise Vanhecke en op het koor L. Soudan onder leiding van Herman Streulens. Het afsluitende gedicht wordt niet gezongen maar voortreffelijk voorgedragen door Patricia Beysens, die op Nee, ik beslis negen liederen van Claus zong. Wat de verdeling van de zangpartijen betreft: Verwée neemt het eerste, het derde en het vierde gedicht voor zijn rekening, Françoise Vanhecke het tweede. Het tweede gedicht arrangeerde Verwée voor een vijfstemmig a capellavrouwenkoor, het vierde voor een vijfstemmig a capellamannenkoor.

Ten slotte is er nog de digifile en het boekje bij de cd. Het boekje bevat naast de al eerder vermelde wandelroute heel wat informatie en foto’s over Claus’ Nukerkse periode. In de openklapbare digifile tref je naast een tekst van Georges Wildemeersch onder meer ook de reproductie aan van het handschrift van Claus’ gedicht ‘Op Thomas zijn vierde verjaardag’. Wie oprecht geïnteresseerd is in het leven en werk van Hugo Claus, schaft zich deze cd aan, en brengt samen met de schrijver een aangenaam halfuurtje door in het Nukerke van de jaren zestig voor een retrotrip zonder nostalgie.

—–

De cd Claus wandelt te Nukerke is verkrijgbaar in de shop van het PoëzieCentrum in Gent (www.poeziecentrum.be). Bij aankoop van de cd Nee, ik beslis krijg je hem gratis. Dat aanbod geldt ook als je een dichtbundel van Hugo Claus in de shop koopt.
De cd wordt eveneens gratis gegeven aan alle aanwezigen bij de voorstellingen omtrent Hugo Claus door Steef Verwée en Patricia Beysens. Hij wordt ook gratis aangeboden bij of na de theatervoorstelling CLAUS van Steef Verwée in het Tinnenpot Theater Gent en bij de reisvoorstellingen van deze productie.
Voor meer informatie over de cd of de voornoemde theaterproducties kunt u terecht bij [email protected]
Wandelroute Hugo Claus:
http://www.maarkedalmoetjebeleven.be/maarkedal-ontdekken/wandelen/hugo-claus-wandelroute

 

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans