In de cel gestorven voor Vlaams onderwijs: Marten Rudelsheim

Op 10 september van dit jaar zal het precies honderd jaar geleden zijn dat Marten Rudelsheim (1873-1920) in een Belgische gevangenis stierf na een leven van toewijding voor de Vlaamse ontvoogding. Het zou een blijk van culturele dementie zijn, mocht het honderdste sterfjaar van deze intellectuele Vlaamse voortrekker onopgemerkt voorbijgaan. Daarom deze kleine reconstructie, in twee delen, van een gedreven en tragisch leven.

Onderwijs in eigen taal

Rudelsheim was een Nederlander van joodse afkomst, maar ontpopte zich tot een van de belangrijkste voortrekkers van Vlaams onderwijs in de Nederlandse taal. Die toewijding voor een meer hoogstaande Vlaamse cultuur kostte de erudiete en gedreven man uiteindelijk het leven. In een van zijn laatste brieven uit de cel schreef hij: ‘Indien het niet was dat wij er persoonlijk onder leden, en met ons onze verwanten, dan zou men moeten wenschen, dat men zo veel mogelijk Vlaamschgezinden naar de gevangenis zendt. Hoe meer “Martelaren” hoe beter! Voor de zaak die al onze liefde heeft, is er geen beter middel denkbaar. Dat men echter U, wiens gezondheid niet van de sterkste is, heeft aangehouden, noem ik een wraakroepend feit.’

Dit zond Rudelsheim op 19 juli 1920, zeven weken voor zijn eigen dood, naar Caesar De Bruycker. De Bruycker was wegens lesgeven aan de vernederlandste Gentse universiteit niet lang voordien in de cel gegooid. De brief toont aan hoe gedreven en verbeten Rudelsheim was, ondanks zijn nierkwaal, de gezwollen benen en het feit dat hij op 3 april 1920 tot tien jaar gevangenisstraf was veroordeeld. Het is ook geen toeval dat hij schreef naar een gevangene die vastzat wegens lesgeven aan de met de hulp van de Duitse bezetter vernederlandste universiteit. Onderwijs voor Vlamingen in de eigen taal, is de rode draad doorheen Rudelsheims bewogen leven.

Broeinest van het Antwerpse atheneum

Dat hij ooit als ‘Vlaams martelaar’ in een Belgische gevangenis zou sterven, zal de jonge Marten in de verste verte niet vermoed hebben toen hij in 1885 met zijn ouders van Amsterdam naar Antwerpen verhuisde. De Rudelsheims behoorden niet tot de vele arme joodse migranten die via de Red Star Line in de nieuwe wereld een beter bestaan zochten. Vader Bernard was handelaar en diamantslijper en de familie kon zich vestigen in de burgerlijke Zurenborgwijk van de snel groeiende metropool. Na een succesvol stadsexamen in een Antwerpse gemeenteschool kon de slimme Marten vanaf 1886 les volgen aan het Antwerpse Atheneum, het broeinest van een nieuwe generatie flaminganten door bevlogen leraren zoals de liberale dichter Pol de Mont.

Zoals zo velen — denk aan Paul van Ostaijen, Lode Baekelmans of Willem Elsschot — zal die atheneumperiode bepalend blijken. Het is op school dat Rudelsheim de schizofrenie van het Belgische regime leert kennen. Vanaf 1883 moesten door de taalwet op het middelbare staatsonderwijs een aantal vakken zoals Nederlands, Duits, Engels, aardrijkskunde en geschiedenis in het Nederlands gegeven worden. Zoals in vele scholen, leefde ook het atheneum die wet niet na en gebeurde de prijsuitreiking en de dagelijkse communicatie door de, vaak Waalse, prefecten in het Frans. Dat gebrek aan respect voor de moedertaal – onder meer beschreven in Lode Baekelmans’ atheneum-roman De mannen van Elck wat wils – creëerde generaties flaminganten waarvan er vele in het activisme belandden.

Volksontwikkeling

Marten Rudelsheim werd als voorzitter van de Vlaamsche Kring van het Antwerps Atheneum in 1891 een van de voortrekkers van de studentenbeweging. De befaamde koppigheid van de man met de Nietzsche-snor en stevige kin kwam al gauw aan de oppervlakte. Toen de prefect voorstelde om een tweetalig en niet louter Franstalig studentenfeest te organiseren, weigerde Rudelsheim dit compromis. In 1891 hield hij een toespraak op de Studentenlanddag te Brugge, met de latere socioloog van de Vlaamse Beweging Lodewijk de Raet, en pleitte voor dat waarvoor hij de rest van zijn leven zou blijven ijveren: de vernederlandsing van de Gentse universiteit. Hij vond het onaanvaardbaar dat de Belgische staat geen enkele Nederlandstalige universiteit financierde, maar wel meerdere Franstalige.

In een later artikel over Nederlandstalig onderwijs verwoordde hij die bekommernis als volgt: ‘Een volk dat zich wil verheffen moet zorgen dat het over scholen beschikt, waar aan de kinderen of aan de studenten liefde voor hun taal, liefde voor de geschiedenis van hun land, liefde voor hun nationaliteit wordt ingeprent (…) zonder dat dit tot dweepzucht aanleiding geeft; op de hoogeschool moet de student, volgens zijn natuurlijken aanleg, zijn bijzondere gaven ontwikkelen (…) Is er één vrij volk ter wereld waar het onderwijs dit rationeele ontwikkelingsproces niet doormaakt? Ik ken er slechts één enkel en dat volk bewoont een land, waar de beschaving een hooge vlucht heeft genomen (…) ik bedoel het Vlaamsche volk.’

Toen hij in 1893 in Gent Letteren ging studeren, zou hij dat engagement voor Vlaams onderwijs in het Nederlands in de praktijk brengen. Naast zijn inzet voor de liberale studentenkring ’t Zal Wel Gaan en zijn publicaties over de liberale Antwerpse voorman Max Rooses  – die zijn mentor zal worden – was hij actief in het comité van de volkshogeschooluitbreiding, in 1892 door Lodewijk De Raet en Pieter Tack opgestart. De ‘volkshogescholen’ moesten de Vlamingen helpen cultureel en economisch te ontvoogden waar de Belgische staat in gebreke bleef.

Burgerlijke doctor in anarchistische tijden

Nadat hij in 1897 zijn doctorsgraad met onderscheiding had behaald, keerde Rudelsheim terug naar Antwerpen. Het waren woelige jaren. In 1896 had August Vermeylen in het baanbrekende Van Nu en Straks zijn eerder anarchistische ‘Kritiek der Vlaamsche Beweging’ gepubliceerd. De jonge generatie culturele flaminganten wilde zich bevrijden van het romantische stamdenken en een frisse kosmopolitische wind laten waaien. Anarchistische projecten zoals het kunstencentrum De Kapel trokken in die periode  in Antwerpen vele jonge schrijvers en schilders aan. Rudelsheim zette zich ook in voor de culturele vernieuwing. Met zijn goede vriend Edward Keurvels, de geestelijke erfgenaam van Peter Benoit, werkte hij mee aan de scenografie van opera’s en streed hij met succes voor een nieuw gebouw voor de Vlaamsche Opera in Antwerpen.

Rudelsheim was nooit een man van revolutionaire opwellingen en had een groot respect voor de traditie. In 1901 schreef hij daarover in het literaire tijdschrift Violier. ‘Helaas, mijn vrienden, hoeveel jongeren hebben tegenwoordig dien eerbied en die liefde voor de klassieken niet meer! Hoeveel zijn er niet die in hun jeugdig almachtsgevoel alle geschiedkundige ontwikkeling ontkennen, die denken dat het ware leven met hen begint, en dat er voor zij bestonden niets bestaan heeft. (…) en we hollen mee met het snelle ijlen van deze “Sturm- und Drangperiode”.’

Die conservatieve boventonen kwamen hem op aanvallen te staan in het anarchistische literaire blad Alvoorder met mensen zoals Ary Delen, Willem Elsschot en Lode Baekelmans, die een atheneumverleden deelden en zich nu graag lieten meeslepen door de revolutionaire ambiance in De Kapel waar op het voormalige altaar een beeld van een dame met blote borsten stond.

Bibliothecaris bij ‘Mane’ de Bom

Rudelsheims liefde voor boeken en geschiedenis deed hem, na enkele jaren lesgeven in Brussel, in november 1900 in de Antwerpse bibliotheek belanden als klerk tweede klasse met een schamel loon van 1200 frank per jaar. De ambitieuze Rudelsheim wilde graag hogerop, ook al omdat hij met de Brusselse Alexandrine Theodora Hanna Léon zou trouwen. In de stadsbibliotheek botste hij echter op een even ambitieuze en veelzijdige figuur als hijzelf: Emmanuel de Bom (1868-1953).

Deze culturele vernieuwer van Van Nu en Straks en van de stadsroman Wrakken, had grotendeels dezelfde idealen en liefdes als Rudelsheim: het werk van toneelman Henrik Ibsen, muziek van Wagner en Peter Benoit en de Vlaamse ontvoogding.  De Bom die geen hoger diploma had, maar al sinds 1892 in de Antwerpse hoofdbibliotheek werkte, zag de zelfverzekerde en hoogopgeleide Rudelsheim al snel als een bedreiging. Zeker toen Rudelsheim in 1902 zonder veel overleg een poging deed om van de stadsbiblioteek een instituut te maken waar wetenschappelijke bibliothecarissen met diploma’s hun proeftijd konden lopen.

Engagement voor het Vlaams onderwijs

Rudelsheim zou zich maar gestaag in de bibliotheek kunnen opwerken tot onderbibliothecaris, steeds een trapje onder zijn rivaal De Bom, die in 1911 hoofdbibliothecaris werd. Rudelsheim ontplooide zijn ambities dan ook vooral buiten de bibliotheek. Zijn belangrijkste engagement bleef het Vlaamse onderwijs.  Onder het voorzitterschap van mentor Max Rooses zou Rudelsheim in 1907 secretaris worden van de tweede Hogeschoolcommissie. Deze legde, met Lodewijk de Raet als verslaggever, de intellectuele basis legde voor de vernederlandsing van de universiteit van Gent. Dat politieke denkwerk was niet genoeg voor Rudelsheim. Hij wilde concrete verbeteringen op het terrein. In 1911 was hij en drijvende kracht achter de oprichting van een volledig Vlaamse school met privékapitaal, samen met die andere joodse flamingant Samson Samson, al werd dat experiment geen succes.

Wel een succes bleek zijn engagement voor een Vlaamse Volkshogeschool in Antwerpen met de steun van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) waarvan hij sinds 1898 lid was. In die Vlaamse Hogeschool gaf hij lezingen over literatuur zoals over Conscience, wiens leven en werk hij goed kende. Hij had samen met Emmanuel de Bom de catalogus voor de grote Conscience-tentoonstelling in 1912 opgemaakt. De volgende jaren zou hij in de algemene volkshogeschool lesgeven aan latere auteurs zoals Marnix Gijsen, die hem daarvoor altijd dankbaar is gebleven.

Gijsen zou over zijn leraar Rudelsheim in zijn herinneringenboek Leerjaren van Jan-Albert Goris schrijven: ‘Bij hem vond men geen landelijke vertedering over onze heimatdichters of over het West-Vlaamse particularisme. Hij sprak kalm, precies en toch bezield: een echte Nederlandse geest zonder Vlaams provincialisme, een uitstekend leraar.’

Morgen deel 2 van Rudelsheims verhaal.

Over de generatie Marten Rudelsheim-Herman Van den Reeck gaf Doorbraak zopas de biografie Herman Van den Reeck, heraut van een nieuw mensdom uit. Nu te koop in de online boekhandel van Doorbraak, zónder verzendkosten.

Chris Ceustermans :Chris Ceustermans is een veertiger die ooit van zijn pen leefde als journalist bij onder meer De Morgen. Na andere wegen te hebben verkend, keerde hij terug naar zijn oude liefde: de literatuur. Op Doorbraak pleegt hij af en toe een stuk over dingen die in de eenzijdige media te weinig aan bod komen. 'Ni dieu, ni roi, ni maître', blijft zijn motto, al lijkt dit voor de meeste zelfverklaarde 'links weldenkenden' al lang vergeten.