fbpx


Buitenland

IS en het islamitisch strafrecht



islamitische staat

Inter arma enim silent leges - Marcus Tullius Cicero in de rede Pro Milone Als er één ding is dat mensen zich herinneren uit de hoogdagen van het IS-kalifaat, dan is het wel de brutale toepassing van het islamitische strafrecht in de gebieden die het controleerde. Dagelijks werden de sociale media overspoeld met onthoofdingen, amputaties, kruisigingen, defenestraties en stenigingen terwijl de lokale bevolking bij elkaar werd gedwongen om toe te kijken. In deze post verduidelijkt Pieter Van Ostaeyen enkele van deze…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Inter arma enim silent leges – Marcus Tullius Cicero in de rede Pro Milone

Als er één ding is dat mensen zich herinneren uit de hoogdagen van het IS-kalifaat, dan is het wel de brutale toepassing van het islamitische strafrecht in de gebieden die het controleerde. Dagelijks werden de sociale media overspoeld met onthoofdingen, amputaties, kruisigingen, defenestraties en stenigingen terwijl de lokale bevolking bij elkaar werd gedwongen om toe te kijken. In deze post verduidelijkt Pieter Van Ostaeyen enkele van deze kwesties door het traditionele islamitische strafrecht uit te leggen, bestaande uit Hudūd, Ta’zīr en Qisās, zoals het nog steeds wordt toegepast in het koninkrijk Saoedi-Arabië, en vervolgens hoe de Islamitische Staat deze Koranische wetten interpreteerde.

De basiscategorieën: Hudūd, Ta’zīr en Qisās

In de islamitische strafrechtsleer wordt een onderscheid gemaakt tussen twee grote soorten misdrijven. De eerste soort zijn de misdrijven waarop de Koran en de Soenna specifieke straffen stellen, die Hudūd worden genoemd (van de Koranische term voor Gods ‘grenzen’ حدود), enkelvoud Hadd (حدّ). De tweede categorie van misdaden wordt Ta’zīr (تعزير) genoemd, wat preventie, correctie of kastijding betekent. Dit is een verzamelnaam voor alle andere zondige handelingen.

Het belangrijkste verschil tussen beide categorieën is dat Hudūd strikt en nauw gereguleerd zijn door de Fiqh, terwijl Ta’zīr schaars zijn, grotendeels bestaande uit een delegatie aan de autoriteiten om deze misdaden te definiëren en te bestraffen ter bevordering van het gemeenschappelijk welzijn. Bovendien staan op Hudūd-misdrijven zware straffen, maar zijn ze uiterst moeilijk te bewijzen; Ta’zīr straffen zijn lichter, maar het bewijs is soepel, en de procedure is niet zo nauwgezet.

Diefstal en overspel

De Hudūd worden gewoonlijk opgesomd als de volgende misdaden: overspel, diefstal, wijn drinken, laster met beschuldiging van overspel, roverij en afvalligheid. Twee verzen in de Koran leggen de straffen vast voor diefstal en overspel:

Wat nu de man betreft, die steelt, en de vrouw, die steelt, snijdt de hand van een hunner af, als vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven, tot een door God verordend afschrikmiddel; want God is almachtig, wijs. Maar hij, die berouw heeft, nadat hij onrechtvaardig heeft gehandeld, en het goed maakt, ziet, God zal zijn berouw aannemen; waarlijk, God is vergevingsgezind, genadig. [5:38-39]

Wat de overspelige vrouw en de overspelige man betreft – geselt ieder van hen met honderd slagen en laat medelijden met hen u niet afhouden van deze wet van God, als u in God en de laatste dag gelooft; en laat een groep gelovigen getuige zijn van hun kastijding. [24:2]

In geval van twijfel…

Andere Hudūd straffen zijn even streng; voor afvalligheid de dood door onthoofding; voor roverij (struikroverij), ofwel de dood (soms gevolgd door kruisiging), het afhakken van een hand en de tegenovergestelde voet, of verbanning; voor laster, tachtig zweepslagen; voor wijndrinken, ofwel veertig of tachtig zweepslagen. Maar de Hadith geven verhalen over de Profeet zelf die deze ontmoedigen; hij zou gezegd hebben: ‘Wie [een Hadd] heeft begaan, laat hij zich met Gods bedekking bedekken en laat hij berouw hebben tot God. Want op hem die ons zijn daad openbaart, zullen wij het Boek van God toepassen.’

Een andere kardinale regel zegt dat de Hudūd moeten worden vermeden in geval van twijfel, of twijfel over de identiteit van de dader, over de inhoud van de misdaad, over de beschikbaarheid van een excuus, of over enige andere grond: ‘Vermijd de Hudūd van de moslim wanneer je kunt. Als er voor hem een uitweg is, laat hem dan vrijuit gaan. Het is beter voor de heerser (Imam) te dwalen in vergiffenis dan te dwalen in bestraffing. En als de hadd in twijfel is, weersta hem dan.’

‘Heeft hij wijn gedronken?’

In het algemeen kan men zeggen dat als de overtreder berouw heeft over zijn misdaad de straf niet zal worden vervuld. Een voorbeeld. Nadat een man genaamd Ma’iz bij de Profeet kwam en overspel bekende, werd hij drie keer door de Profeet afgewezen. Tenslotte, na een vierde keer te hebben bekend, vroeg de Profeet: ‘Is hij gek?’ Hem werd meegedeeld dat hij niet gek was. Hij zei: ‘Heeft hij wijn gedronken?’ Een man stond op en rook aan zijn adem, maar vond geen geur van wijn. Daarop zei de boodschapper van God: ‘Heb jij overspel gepleegd?’ Hij zei: ‘Ja’. Hij beval dat hij gestenigd zou worden.

Toen Ma’iz de eerste steen voelde, probeerde hij weg te lopen, maar hij werd achtervolgd en gedood. Toen de profeet dit later hoorde, klaagde hij: ‘Waarom hebben jullie hem niet achtergelaten? Misschien zou hij berouw hebben gehad, en zou God hem vergeven hebben.’

Een ander belangrijk element van de Hadd is dat de meeste van hen, bij afwezigheid van een bekentenis, elk ten minste twee aanvaardbare ooggetuigen vereisen voor alle elementen van het misdrijf. De Hadd van overspel vereist zelfs vier ooggetuigen; die daadwerkelijk de penetratie zelf zien. Voor het bewijzen van de Hadd van het drinken van wijn (gestraft met veertig zweepslagen) zijn gewoonlijk twee getuigen nodig die de alcohol in de adem van de dader ruiken. Deze strenge eisen betekenen dat in veel gevallen iemand die beschuldigd wordt van Hudūd-misdaden de straf over zichzelf moet afroepen door een gewillige bekentenis (dit moet inderdaad altijd het geval zijn bij steniging voor overspel).

Een overzicht van de Hudūd misdaden

– Diefstal (Sariqa, السرقة)

– Struikroverij (Qat’ al-Tariq, قطع الطريق)

– Onwettige geslachtsgemeenschap (Zina’, الزنا)

– Valse beschuldiging van Zina (Qadhf, القذف)

– Het drinken van alcohol (Shurb al-Khamr, شرب الخمر)

– Afvalligheid (Irtidād of Ridda, ارتداد أو ردّه) omvat blasfemie.

De tweede categorie van misdaden wordt Ta’zīr genoemd, ‘morele correctie’ of ‘kastijding’. Het is de minst ontwikkelde vorm van strafwetgeving, maar veruit de meest uitgebreide in toepassing. Ta’zīr omvat alle misdaden waarvoor in de Shari’a geen specifieke straf is vastgesteld. Misdaad door Ta’zīr overtredingen wordt gedefinieerd als ofwel een handeling die een zonde is (ma’siyya), hetgeen betekent iets dat verboden is in de Shari’a, ofwel een handeling die door de heerser strafbaar wordt gesteld als schadelijk voor de belangen van de samenleving. Vervolging voor Ta’zīr kan gemakkelijker zijn omdat niet alle procedurele verplichtingen van toepassing zijn zoals voor Hudūd.

Het oordeel van de heerser

Het vaststellen van de straf voor Ta’zīr misdaden wordt overgelaten aan het oordeel van de heerser, of gedelegeerd aan een rechter. De straf wordt aangepast aan de belangen van de overtreder en de samenleving. Het doel van de Ta’zīr is geheel utilitaristisch, maar natuurlijk wordt het religieuze nut afgewogen ten opzichte van het seculiere: het nut dat in aanmerking wordt genomen is de morele correctie van de overtreder en het afschrikken van soortgelijke misdaden. Daarom wordt bij het vaststellen van de straf rekening gehouden met drie punten: de ernst van het misdrijf, de aard van de dader en de maatschappelijke behoefte aan afschrikking.

Standaard Ta’zīr straffen zijn zweepslagen, uitschelden, publieke vernedering, handboeien, gevangenisstraf en boetes. Het geselen volgens de Ta’zīr is niet bedoeld om een harde straf te zijn: hoewel het blauwe plekken veroorzaakt, mag het de huid niet breken; de arm van de beul mag niet worden uitgestrekt, de elleboog moet gebogen blijven; de zweepslag moet van matige omvang zijn. Geseling is uitgesloten als ze enig risico van blijvend letsel of de dood met zich meebrengt. De maximale lijfstraf in Ta’zīr wordt betwist tussen de scholen van rechtspraak. Voor sommigen is de limiet tien zweepslagen; anderen eisen dat de Ta’zīr minder is dan de lichtste straf die gegeven wordt voor een Hadd misdaad (tussen de twintig, veertig en tachtig zweepslagen); weer anderen dat het minder is dan de Hadd misdaad van dezelfde soort. Er zijn bepaalde specifieke Ta’zīr misdaden, waarop de doodstraf staat. Voorbeelden zijn tovenarij, propaganda voor ketterij, of spionage door een moslim voor ongelovigen.

Heel vaak wordt een derde categorie misdrijven genoemd; Qisās (قصاص), de straf voor moord en het toebrengen van lichamelijk letsel. De Fiqh behandelt deze daden in feite niet als misdaden die door de staat vervolgd moeten worden, maar meer als opzettelijke onrechtmatige daden die aanleiding geven tot civiele vorderingen die naar believen van het slachtoffer of de erfgenamen van het slachtoffer kunnen worden vervolgd. Hun eis is vergelding in natura, oog om oog, indien mogelijk; of, als dat niet mogelijk is, de betaling van een schadevergoeding (Diya) die in de Fiqh is vastgesteld. De eisers kunnen afzien van vergelding tegen een overeengekomen schadeloosstelling of de dader in zijn geheel vergeven, waardoor de dader niet meer gestraft hoeft te worden.

De interpretatie en toepassing van het Islamitisch strafrecht door ISIS

Eind 2013 bracht Amnesty International een rapport uit met de titel Rule of Fear: ISIS abuses in Detention in Northern Syria. Zoals gebruikelijk betwistten een groot aantal pro-ISIS accounts op sociale media de rapporten door te verwijzen naar de Shari’a en het islamitische strafrechtsysteem. Toch blijkt uit veel van de gevallen waarover Amnesty International berichtte duidelijk dat ISIS een heel eigen, strenge interpretatie van Hudūd en Ta’zīr had.

Volgens voormalige gedetineerden die door Amnesty International werden geïnterviewd, martelden ISIS-bewakers en -verhoorders regelmatig gedetineerden, waarbij zij hen sloegen met generatorriemen, dikke stukken kabel, stokken of andere werktuigen. Zij onderwierpen de gedetineerden ook aan een methode die bekend staat als de aqrab (schorpioen), waarbij zij gedwongen worden om in een verkrampte stresshouding te blijven liggen met één arm achter de rug gevouwen met de hand naar boven, terwijl hun andere hand over één schouder moet reiken zodat hun polsen langdurig aan elkaar kunnen worden geboeid, wat hevige pijn en mogelijk langdurig letsel veroorzaakt.

Rechtskader

In één geval vertelde een ex-gedetineerde aan Amnesty International dat hij was gemarteld met elektrische schokken en geslagen met een kabel terwijl hij was opgehangen met slechts één voet die de vloer raakte. Drie van de tien ex-gedetineerden die Amnesty International ondervroeg, zeiden dat zij gedurende hun detentie of een deel daarvan in eenzame opsluiting hadden gezeten. Voormalige gedetineerden beschreven ook dat zij hadden gezien hoe medegevangenen door bewakers werden gegeseld, soms op bevel van een rechter in de shari’a-rechtbank in al-Mansura, in de provincie Raqqa in Syrië. Sommige gedetineerden zouden ook op zijn bevel zijn geëxecuteerd. Uit deze incidenten, ervan uitgaande dat Amnesty International de waarheidsgetrouwheid ervan bevestigt, blijkt dat ISIS zich nooit verplicht heeft gevoeld zich te houden aan het rechtskader dat is vastgelegd in de Koran en de Ahadīth, zoals hierboven beschreven.

ISIS had het roken van tabak tot harām verklaard, en in het Amnesty-rapport staat beschreven hoe ISIS-bewakers de arrestanten bedreigden en één van hen onderwierpen aan zweepslagen nadat een bewaker de celdeur opende en tabak rook. Nadat een man had toegegeven dat hij rookte, ‘kwam er een Tsjetsjeense man die ons in formeel Arabisch toesprak en zei: ‘Jullie zijn dieven en jullie moeten worden gedood.’ De Tsjetsjeen beval de bekennende roker op te staan en hij gaf hem een harde klap in het gezicht.

Een Marokkaanse cipier hield de arm van de Tsjetsjeen vast en zij gingen naar buiten en spraken ongeveer een minuut. Ze kwamen terug en de Tsjetsjeen zei: ‘Religieus gezien mag ik je niet op je gezicht slaan. Hij nam toen een zweep en geselde de gedetineerde vier keer op zijn rug. Elke keer dat hij hem sloeg, hief de Tsjetsjeense cipier zijn arm op totdat zijn oksels te zien waren voordat hij hard sloeg.’ Een straf als deze is duidelijk in strijd met Ta’zīr, zoals hierboven werd opgemerkt: ‘Geseling in Ta’zīr is niet bedoeld om streng te zijn: hoewel ze blauwe plekken veroorzaakt, mag ze de huid niet breken; de arm van de beul mag niet worden uitgestrekt, de elleboog moet gebogen blijven; de zweep moet van gematigde grootte zijn.’

Ook kinderen

In een ander geval dat in hetzelfde Amnesty-rapport aan de orde komt, werd een jonge tiener beschuldigd van het stelen van een motorfiets. Hij werd ongeveer vier dagen vastgehouden en elke dag werd hij tot 40 keer gegeseld. Nadat hij had toegegeven dat hij de motorfiets had gestolen, zei [de rechter van de shari’a-rechtbank] hem dat hij hem de volgende dag zou sturen om de motorfiets uit zijn schuilplaats te halen. De jongen zei: ‘Laat me het vandaag doen.’ [De rechter] weigerde. De jongen drong aan en zei: ‘Waarom niet vandaag?’ Hij schreeuwde naar de jongen dat hij naar voren moest komen, beval hem op de grond te gaan liggen en sloeg hem zo’n 30 tot 40 keer met een kabel.

Een ander kind van ongeveer dezelfde leeftijd werd ongeveer een week lang vastgehouden in Sadd al-Ba’ath, waar zijn gijzelnemers hem elke dag 30 tot 40 zweepslagen toebrachten. Een voormalige gevangene vertelde: ‘Op een keer, nadat hij gegeseld was om namen te geven van anderen die hem geholpen hadden bij de diefstallen, gaf de jongen hen de naam van iemand van ISIS die ze naar Sadd al-Ba’ath brachten en gegeseld hebben, en het bleek dat de jongen loog. Hij werd toen vele, vele malen gegeseld.’ Een andere gevangene die daar op dat moment vastzat beschreef hetzelfde incident en zei: ‘Ik telde 94 zweepslagen die op dit kind neerkwamen… en toen ben ik gestopt met tellen.’ Dit is opnieuw een duidelijke schending van een van de Hudūd en Ta’zīr straffen zoals hierboven uitgelegd in het theoretisch kader.

Levend verbrand

Het meest beruchte incident in verband met het opleggen van straffen was waarschijnlijk toen Islamitische Staat de Jordaanse piloot Mu’adh al-Kasasbeh levend verbrandde. Al-Kasasbeh stortte met zijn defecte jet neer in de rivier de Eufraat bij Raqqa en werd gevangen genomen door ISIS-militanten. Op 3 februari 2015 bracht ISIS een video uit waarin de piloot werd opgesloten in een kooi, overgoten met brandstof en in brand gestoken. Na enkele minuten stierf de man, en zijn verkoolde lichaam werd vervolgens door bulldozers begraven onder een enorme hoeveelheid puin.

De ISIS-leiders die deze gruweldaad aanstuurden, leken deze volgens Qisās te rechtvaardigen; als piloot bombardeerde al-Kasasbeh moslims, waarbij sommigen verbrandden en anderen bedolven werden onder het puin van hun eigen huizen. De moord op al-Kasasbeh was niet alleen wreed, ze was een signaal over hoe ISIS het islamitisch strafrecht interpreteerde, een boodschap naar de hele wereld. Islamitische geleerden verbieden het levend verbranden van mensen. Dit is gebaseerd op verschillende hadith, waaronder: Hadith van Imam Abu Daud en Imam Ahmad: Straf niemand met de straf van Allah (vuur). Alleen Allah kan iemand met (vuur) straffen.

Alle lof komt Allah toe, hierbij…

Deze voorbeelden zijn empirisch bewijs van de opkomende juridische doctrines ontwikkeld door  Islamitische Staat terwijl hij zich voorbereidde op en Tamkīn, of politieke consolidatie bereikte. Op 16 december 2014, ruwweg een half jaar na het uitroepen van het Kalifaat, publiceerde ISIS een intern document over Hudūd en Ta’zīr straffen, deze tekst werd vertaald naar het Engels en gepubliceerd op justpaste door een auteur die zich identificeerde als ‘Abū Mus’ab’.

Allah de Verhevene zei: ‘Maar neen, bij uw Heer, zij zullen niet [waarlijk] geloven totdat zij u, [O Mohammed], doen oordelen over hetgeen waarover zij onderling twisten en dan in zichzelf geen onaangenaamheid vinden van hetgeen gij hebt geoordeeld en zich in [volledige, gewillige] onderwerping onderwerpen.’ [4:65]

En Allah de Verhevene zei: ‘En wie niet oordeelt bij hetgeen Allah heeft geopenbaard, dat zijn zij die ongelovig zijn.’ [5:44]

En Allah De Verhevene zei: ‘Is het dan het oordeel van [de tijd der] onwetendheid dat zij begeren? Maar wie is beter dan Allah in het oordelen over een volk dat zeker [in het geloof] is.’ [5:50]

En Allah, de Verhevene, zei: ‘Dat is het oordeel van Allah, Hij oordeelt tussen u. En Allah is Alwetend, Alwijs.’ [60:10]

Grote betekenissen

‘O Moslims, degene die deze ayāt (verzen) begrijpt, hij zal er grote betekenissen in vinden, die in onze tijd niet meer in de hoofden van de mensen aanwezig zijn, waaronder:

  1. Het tenietdoen van de Imān (geloofsovertuiging) van een persoon die een ander oordeel zoekt dan de Shar’ia;
  2. De verplichting van onderwerping en aanvaarding van Shar’ia-uitspraken zonder in zichzelf onbehagen te vinden;
  3. Degene die oordeelt/regeert met andere dan Allah heeft geopenbaard is een kāfir (wij zoeken toevlucht bij Allah), ook al bidt hij, vast hij en beweert hij een moslim te zijn;
  4. Er is geen beter oordeel dan het oordeel van Allah, en alle andere oordelen zijn Djāhiliyah (pre-islamitisch);
  5. Toen Allah tussen Zijn dienaren oordeelde, oordeelde Hij tussen hen als de Alwetende en Alwijze, dus er is niemand die het beter weet dan Allah, noch is hij Wijzer dan Allah.’

 

Uit klei geschapen

‘Dus, omdat de Islamitische Staat gelooft in Allah Subhānahu Wa Ta’āla die de Kitāb heeft geopenbaard, en geen waarde hecht aan de Verenigde Naties die in oorlog zijn met de Heer van alle heren, en ongelovig is aan de wetten die worden uitgevoerd door de scheppingen die uit klei zijn geschapen (door de mens gemaakte wetten), beloven wij Allah Sūbhānahu Wa ta’āla om met Zijn Shariah op Zijn aarde te regeren tussen Zijn dienaren, hoewel de kūfar er een afkeer van hebben. En wij willen de Hūdūd van Allah Sūbhānahu Wa ta’āla uitleggen als een waarschuwing:

  1. Allah beledigen = Doden
  2. Beledigen van Boodschapper van Allah = Doden, zelfs als degene die het deed berouw toont
  3. Belediging van de godsdienst = Doden
  4. Zināh = Indien gehuwd, gestenigd tot de dood. Indien niet gehuwd; 100 zweepslagen en verbanning uit het land voor de periode van 1 jaar
  5. Homoseksualiteit = Het doden van degene die een dergelijke daad verricht, en degene aan wie het wordt gedaan
  6. Stelen = Het afhakken van de hand
  7. Alcohol drinken = 80 zweepslagen
  8. Laster = 80 zweepslagen
  9. Spioneren voor kūfar belangen = Doden
  10. Het zich afkeren van de islam (afvallige) = Doden
  11. Banditisme (in het Arabisch Qat’ at-Tarīq) zijn 4 categorieën:
    1. Degene die doodt en geld neemt = Gedood en gekruisigd
    2. Degene die doodt en er plezier in vindt = Doden
    3. Degene die steelt en er plezier in vindt = Zijn linkerhand en rechtervoet zullen worden afgehakt
    4. Degene die de mensen bang maakt = Hem uit het land verbannen

 

‘Wij maken de mensen bang voor hun Heer (Allah) en wij roepen hen op om Zijn Barmhartigheid binnen te gaan, door zich over te geven aan Zijn Bevelen en te vermijden wat Hij verboden heeft, want al het goede (khayr) is daarin, en er is geen goed in iemand die veroordeeld wordt als hij zich niet overgeeft aan de Shari’a van Zijn Heer, en er is geen goed in een rechter als hij niet oordeelt volgens de Shari’a van Allah tussen Zijn dienaren. De Islamitische Staat zal niet toegeeflijk zijn in dit grote doel, waarvoor zij honderden shūhadā van hun onschuldige en reine zonen hebben geofferd. In plaats daarvan heeft het (zelfs) de Wet van Allah uitgevoerd op zijn eigen soldaten. En de straffen om hen te doden zijn meer dan één.

‘En Allah heeft de overhand over Zijn zaak, maar de meesten van het volk weten het niet.’ [12:21]

Samengevat zijn dit de straffen die in deze tekst worden voorgeschreven.

Conclusie

Een aandachtig waarnemer zal opmerken dat ISIS niet alle traditionele Hudūd heeft opgenomen; het is opmerkelijk dat de Hadd van valse beschuldiging van Zina (Qadhf, القذف) niet eens wordt genoemd in de officiële ISIS-tekst. Verder is het nogal opvallend dat ISIS zich in het geheel niet houdt aan de traditionele straffen zoals voorgeschreven door de Koran en Ahadīth. Straffen worden meer dan eens verdubbeld of in sommige gevallen zelfs verviervoudigd. Bovendien is er geen ruimte voor berouw van de dader, zoals de Koran voorschrijft (‘Maar wat hem betreft die berouw toont na aldus onrecht te hebben gedaan, en zich verbetert, zie, God zal zijn berouw aanvaarden’ [5:39]) noch voor enig medelijden van de bestraffer.

ISIS heeft zo zijn eigen manieren om het islamitische strafrecht te plooien en te kneden tot wat de groep het beste uitkomt. Meer dan eens betekent dit dat het islamitische strafrecht niet wordt toegepast om orde en rechtvaardigheid te installeren, maar dat het wordt gebruikt als een instrument van terreur. Zoals Cicero schreef: ‘In tijden van oorlog zwijgen de wetten’. Maar het recht zweeg niet onder het bewind van ISIS, het werd misbruikt om te passen in de strategie van ISIS: de installatie en rechtvaardiging van terreur.

[ARForms id=103]

Pieter Van Ostaeyen

Pieter Van Ostaeyen studeerde geschiedenis en arabistiek. Al sinds 2012 bericht hij over Syriëstrijders en extremistische groeperingen als Jabhat al-Nusra en de Islamitische Staat. Hij doctoreert aan de KULeuven, waar hij de inzet van sociale media in de ideologische strijd tussen IS en al-Qaeda onderzoekt.